Hosta

Hosta's - het vreemde is dat ik, voor ik begon te tuinieren, nog nooit van hosta's had gehoord. Iedereen weet wel wat tulpen en rozen en irissen zijn, en ook nog wel klimop en kamperfoelie, en zelfs zonder bekend te zijn met de naam Nigella damascena herken je nog wel het bijbehorende plantje.

Maar met hosta's is dat anders: als je nooit naar tuinen kijkt kun je leven en sterven zonder ooit geweten te hebben wat hosta's zijn: in bloemenwinkels zie je ze niet, ze komen niet voor op schilderijen en ook niet in de gemeentelijke beplantingen. In feite bestaat de hosta - een plant befaamd om haar mooie bladeren en de onkruidluwe ruimte er onder - eenvoudig niet voor de niet-tuinier.

Hosta's werden voor het eerst in het Westen geïntroduceerd (ze komen uit China en Japan) aan het eind van de achttiende eeuw. Ze werden toen Funkia's genoemd en ze zijn altijd populair geweest. William Robinson noemde ze “nobele planten, heel nuttig op allerlei plaatsen in de tuin”; Gertrude Jekyll had ze graag in potten, en in de laatste twintig jaar zijn er honderden nieuwe cultivars verschenen, voornamelijk afkomstig uit Amerika. Er wordt gezegd dat de minste variatie in bladkleur in Amerika een eigen naam heeft, en het is voor de niet-professional inderdaad moeilijk om het onderscheid tussen de verschillende soorten te zien. Ook worden de namen voortdurend zonderlinger, wat altijd een veeg teken is: naar 'Blue Umbrellas' durf je bij de kwekerij nog wel te vragen, maar dat geldt al veel minder voor 'Abba Dabba Do'. Een wetenswaardigheid: wat ik altijd een van de raarste namen vond, 'Ginko Craig', blijkt helemaal niet zo vreemd te zijn. Het is de naam van de Japanse vrouw van de vinder, en het heeft niets met Ginkgo's te maken.

Hosta's hebben, afgezien van het feit dat er zoveel soorten van zijn, één nadeel, en dat is dat ook slakken er grote liefhebbers van zijn. In sommige tuinen zien hostabladeren er aan het eind van de zomer uit als kant, en de Stygische duisternis aan hun voet raakt bezaaid met lichtvlekjes. Pas heel onlangs ontdekte ik dat dit niet een universeel probleem is; ik verkeerde in de waan dat hosta's met gave bladeren een indicatie was van laakbaar en milieu-onvriendelijk slakkenkorrelgebruik, en ik keek er de eigenaars op aan. Maar het is naar het schijnt meer een kwestie van grondsamenstelling, indachtig aan de eerste hoofdwet van het tuinieren: tuiniers worden niet als gelijken geboren. Sommigen hebben slakken en anderen niet, zo eenvoudig is het. Zelfs in mijn tuin is de slakkendichtheid niet overal gelijk: hoe donkerder en vochtiger de plek hoe meer slakken.

In dat licht is het ongelukkig dat ik voor mijn eerste hosta juist de donkerste en vochtigste plek koos, uitgerekend de eerste plant die ik ooit voor de tuin heb gekocht (je kunt wel niets van hosta's weten als je nog geen tuin hebt, maar dat gaat gauw over). Het was een Hosta sieboldiana var. elegans, die in die dagen gold als de meest spectaculaire van al. Er zijn nu zoveel andere dat haar troon een beetje wankelt, maar toch, zoals Graham Stuart Thomas zegt: “Het is moeilijk een opvallender vaste plant te noemen.” Haar bladeren zijn gigantisch en bedekt met een blauw waas, ze zijn gekreukeld in een patroon van vierkantjes, heel aantrekkelijk, en het beste van alles is: ze houden van schaduw. De bloemen zijn niet erg opwindend. Er zijn blijkbaar variaties in het blauw, of anders zijn er kwekerijen die H. Sieboldiana verkopen als H.s. var elegans, want ik heb ook andere van dezelfde soort waarvan de bladeren duidelijk groener zijn.

Iedereen trekt ergens de lijn, en voor mij is dat bij de geelbladige hosta: die behaagt mij nu eenmaal niet. Ze zijn ook ongeschikt voor mijn tuin, als ze niet genoeg zon krijgen wordt het geel groenachtig. De geelgerande H. fortunei var. aureomarginata daarentegen is prachtig en de gele randen blijven geel in tamelijk diepe schaduw. Een interessante hosta, die ik vorig jaar heb gekregen, is H. clausa, met heel dunne bladeren. Zij heeft niet dezelfde présence als de grotere, of nog niet, maar blijkbaar verspreidt zij zich. Het meest verbazende is eigenlijk dat 't een echte hosta is.

Dat kan niet gezegd worden over drie andere nieuwe hosta's in de tuin. Het zijn alledrie cultivars: 'France', 'Halcyon', en 'Krossa Regal', en ze bestaan allemaal al een poosje. Maar er is, zoals een stijl van tuinieren, een hosta voor iedereen, van de opzichtige soorten die op het ogenblik in tuincentra als 'Plant van het Jaar' verhandeld worden, tot de soorten die zo discreet en welopgevoed zijn dat ze haast onzichtbaar zijn.

In de Hortus in Leiden kwam ik toevallig bij het stalletje van de Hosta Society terecht, daags na het zien van een aan hosta's gewijd item op Gardeners' World: liefdevol toefde de camera op die grote bladeren, zo mooi en gaaf; ik zou er niet over gedacht hebben er nog meer te kopen - er is geen ruimte meer om ze te planten - maar bij die plotselinge verschijning had ik geen keus. 'France' is een cultivar van H. Fortunei; haar bladeren hebben een deftige witte rand en kunnen ongeveer 'driekwart zon' aan (de tuinier moet maar uitmaken hoeveel dat is). 'Halcyon' heeft blauwachtige bladeren, kleiner en puntiger dan H. sieboldiana, en prefereert schaduw. En 'Krossa Regal' klinkt het opwindendst: zij kan anderhalve meter hoog worden. Voor het ogenblik is het nog maar een nietig plantje met zes blaadjes, maar ik zie haar al als een grote struik in de border. Zoals Graham Stuart Thomas zei: “Deze plant gaat zonder twijfel een grote toekomst tegemoet.”

In afwachting daarvan heb ik ze alledrie in potten staan; daarmee is in één klap zowel het slakkenprobleem als het ruimtevraagstuk opgelost, en ze zien er nu al goed uit. Ook niet-tuiniers zullen ze zien en sprakeloos staan van bewondering.