Het einde der beschaving

Gewassen, geschoren, de broek in de vouw en de das gestrikt, het hemd onbevlekt en gestreken, de schoenen in hoogglans, verliet Z. als op iedere werkdag om drie minuten over acht zijn onderhandelingshuishouding.

Zachtjes trok hij de deur in het slot, wuifde nog even naar zijn partner achter de energiebesparende raampartij, wendde het hoofd naar links, stak de straat over, keek halverwege naar rechts en liep toch nog enigszins gepresseerd naar zijn auto. Die stond schuins tegen het trottoir, tussen de witte strepen, de parkeervergunning van buiten zichtbaar aangebracht. Hij startte en keek zorgvuldig in de achterspiegel, wachtte tot een paar kwetterende schoolkinderen voorbijgefietst waren en manoeuvreerde achterwaarts de rijweg op. Bij de eerste hoek liet hij een overstekende bejaarde voorgaan, bij de tweede wachtte hij tot het rode stoplicht versprong en sloeg de verlaten Breelaan in. Daar liet hij heel even zijn injectie-turbo gaan en met zestig per uur raasde hij in een lichte roes door de bebouwde kom. 'Ze moesten hier eigenlijk radarcontrole hebben', bedacht hij schuldbewust, 'voordat het verkeer volledig uit de hand loopt.' Oudergewoonte scharrelde zijn hand al in de zak van zijn colbert, maar sinds twee jaar was daar alleen nog een pakje kauwgum te vinden en haastig schrokte hij twee pastilles op.

Z. parkeerde zijn auto bij het station op de abonnementsplaats met milieureductie en liep het perron op waar juist de trein binnenreed. 'Perfect timing' constateerde hij vergenoegd en koos een raamplaats. Tegenover hem kwam een meisje zitten, het haar met rode en groene spoeling hing in pieken over haar voorhoofd, ze had een leren jekker aan waarop in goud de woorden 'hot crotch bitch' waren gespoten, en over haar gescheurde hemd droeg ze een zalmroze bustehouder. Oren, neusvleugels, lippen en zelfs haar navel waren doorboord met ringen. Het meisje knikte hem toe en boog zich over een boek waarin ze ijverig en zuchtend begon te strepen. Uit haar koptelefoon klonk muziek, 'kill the pig', kon Z. nog juist opvangen, 'suck it, fuck it, whore' deinde het zachtjes door de coupé. Het meisje keek op. 'Heeft u soms last van de muziek, meneer?' sprak ze iets te luid. 'Nee hoor', beduidde Z. 'Anders zet ik hem toch gewoon wat zachter', zei ze.

Even dwaalde zijn blik over haar dijen. Het rokje reikte nauwelijks tot haar liezen, zag hij nog vóór hij zich kon corrigeren: 'Wat flauw om zo te zitten loeren, een kind nog', dacht hij, 'en je kunt er nog zwaar last mee krijgen ook'. Hij sloot zijn ogen, leunde achterover en legde nadenkend zijn vinger in zijn neus.

Toen Z. even later opkeek zag hij op de bank schuin tegenover zich een jonge vrouw in mantelpak ijverig aantekeningen maken op een schootcomputer, terwijl zij hem van tijd tot tijd indringend opnam. Geschrokken trok hij zijn vinger terug en voelde hoe hij tot in zijn nek diep purper kleurde. Op het deksel van de laptop was het logo NRC te lezen, niet een computermerk dat hij kende. Paniek sloeg toe: 'Ik kom toch niet in de krant als neuspeuteraar in het openbaar!' In zijn wanhoop begon hij krachtig met zijn vinger over zijn neus te wrijven, zodat het lijken kon dat die vinger er nooit in geweest was. Maar uit de onderzoekende blik begreep hij dat hij het alleen maar erger maakte: zij vatte het op als een ostentatieve neusmassage.

Op dat moment werd de wagondeur met elan opzijgeschoven en kwam een rijzige gestalte de coupé binnen. Hoewel hij gekleed ging in een onberispelijk gesneden kostuum haalde toch iedereen onwillekeurig al zijn kaartje te voorschijn. 'Goedemorgen medeburgers', sprak de man met natuurlijk overwicht, 'de naam is De Vuist, Herman de Vuist. Doe die kaartjes maar weer weg, die hadden allang geknipt moeten zijn door het bevoegd gezag. Maar dat zit weer te lanterfanten in koffiekamers of is met ouderschapsverlof, of wegbezuinigd door de Spoorwegen.' Hij zette een grote tas op een vrijgebleven bank en vervolgde: 'Wij bevinden ons hier tezamen in een openbare ruimte. Daar slaat in toenemende mate de verloedering toe.' Het leek Z. of De Vuist juist hem aankeek. 'Het gaat mij niet om kleinigheden als neuspeuteren of koekeloeren, niet eens om te hard rijden in de bebouwde kom.' Een kille rilling liep Z. van zijn oksels tot zijn navel. Het meisje tegenover hem had haar jekker dichtgeknoopt en haalde nu een handdoek uit haar schooltas die ze over haar dijen legde. Ze had de koptelefoon afgezet en staarde De Vuist aan met ogen vol blij ontzag. Hij keurde haar geen blik waardig. De vrouw die zo even nog had zitten observeren en noteren had haar computer dichtgeklapt en keek leeg voor zich uit alsof zij het betoog van De Vuist al ontelbare malen had aangehoord.

'De samenleving gaat naar de knoppen', sprak hij, terwijl hij zijn tas opende en er een stapel boeken uitnam. 'Dat komt door lapswansen die maar niet willen inzien dat de tijd van slap geleuter voorbij is. Toezicht, inspectie en controle, die houden de mensen in het gareel.' Met een handige zwaai pakte hij een dozijn boeken en ging de passagiers langs. Onder zijn colbert was nog juist een discrete ploertendoder zichtbaar. Gretig kochten de reizigers een exemplaar van Terecht!, het zelfgeschreven werk van De Vuist. Z. nam er zelfs twee. 'Braaf zo', sprak De Vuist, en gaf hem een schouderklop.

Zo geschokt en zo geschrokken was onze deerniswekkende Z. na zijn wederwaardigheden in de trein, dat hij op zijn wandeling van station naar kantoor zichzelf niet langer in bedwang had. Hij voelde een onweerstaanbare drang opkomen. Hij wist niet wat hem overkwam, hij was zichzelf niet meer, er was geen houden aan. Hij vond een boom, keek schielijk om zich heen, knoopte open, haalde eruit en loosde. Hij was een wildplasser geworden: een onmiskenbaar teken van decivilisatie. Nog diezelfde avond stond hij in de courant. Anoniem weliswaar, maar als de onontkenbare voorbode van de onontkoombare ondergang van het avondland.

De volgende ochtend stelde het ministerie van Sociale Zaken tweeduizend waterwachten aan.