Het Bureau (3)

Van 1948 tot 1960 ben ik verbonden geweest aan 'Het Bureau'. Ik heb Voskuil er meegemaakt, aanvankelijk als stagiair, later als wetenschappelijk ambtenaar.

Over die periode kan ik uit ervaring oordelen. In aanmerking genomen dat het hier een sleutelroman betreft, waarin personen en omstandigheden aan de werkelijkheid zijn ontleend, zonder deze nochtans te evenaren, heb ik in het eerste deel 'Meneer Beerta', waarin ik als Koert Wiegel figureer, Voskuil niet op pertinente onwaarheden betrapt.

Van een wetenschappelijk kader was er tot in het midden van de jaren '60 nauwelijks sprake. De werkzaamheden werden grotendeels uitgevoerd door dichters als Achterberg en Jan H. de Groot, werkstudenten, moeilijk plaatsbare jongelieden en werkloze hoofdarbeiders. Tot de dagelijkse taken behoorde het 'excerperen' van stapels kranten uit alle provinciale uithoeken, het uitknippen, opplakken en in ladenkasten opbergen van 'interessante' stukjes, het bewerken van grote hoeveelheden ingevulde vragenlijsten en het corresponderen met de respondenten. Wat kritiekloos was neergeschreven, werd in het algemeen ook kritiekloos verzameld als materiaal voor nieuwe publicaties.

Dit structuurloos gefröbel werd van hogerhand nauwelijks begeleid of gestimuleerd.

Ook wie aanvankelijk met een gevoel van affiniteit of zelfs idealisme zijn taak had aangevangen, begon vroeg of laat te lijden aan de frustatie die in het boek van Voskuil ook de kop opsteekt: het gevoel dat zijn werkzaamheden op Het Bureau geen enkel 'nuttig product' opleverden, en derhalve nergens toe dienden. Men geneerde zich aan anderen te vertellen dat men, met de studie van sleetse tongvallen of het geloof in kabouters en bietebauwen, nauwelijks de kost verdiende.

“Waar het mij tenslotte om gaat”, lees ik in een brief van Voskuil, “is de verhouding tussen mensen, hun onderlinge relatie. Ik heb het boek zonder wrok geschreven, met de behoefte botsingen en wrijvingen tussen zoveel verschillende temperamenten zo nauwkeurig mogelijk te tekenen en op die manier greep op mijn verleden te krijgen”, een tamelijk egocentrische doelstelling, die ongewild toch ook leidt tot vertekening van situaties en van het verleden van anderen. Dit wetende, getuigt de zelfvernietigingsdrang van het huidige instituut en zijn medewerkers weliswaar van een groot gevoel voor pathetiek, maar tevens van weinig ontwikkeld wetenschappelijk inzicht!