Het Bureau (2)

In de krant van 14 juni verdedigt Bart Lankester J.J. Voskuil tegen Hans Werdmölders kritiek dat hij het doordeweekse wetenschappelijk bedrijf belachelijk en daarmee onacceptabel heeft gemaakt in zijn romancyclus 'Het bureau'.

Uit eigen waarneming wil ik Lankesters verdediging van Voskuil bijvallen. In 1966 was ik door mijn belangstelling voor de jeugdcultuur - welk begrip ik voor het eerst in mijn boek 'De onvoorziene generatie' in dat jaar had geïntroduceerd - gestuit op het belang van de kermis. Omdat ik daar wat meer van wilde weten, kwam ik in Voskuils instituut terecht. Ik werd uiterst welwillend geholpen door de medewerkers aldaar. Ik moest mij behelpen met de bakken kaarten van de correspondenten over de kermis in Nederland. Het was een ouderwets systeem, dat evenwel voldoende was om mijn hypothese over de kermis te ontkrachten. Onbruikbaar was het dus niet.

Het onderzoek naar de dorsvlegels dat toen liep, betekende een modern alternatief van het correspondentensysteem en dat werd door Voskuil van harte ondersteund. Wanneer men bedenkt dat het volkskundig onderzoek in Nederland het nog grotendeels moest doen met de volksalmanakken, dan kan het correspondentensysteem niet als hopeloos verouderd afgedaan worden en mag het dorsvlegelonderzoek zelfs als een doorbraak aangeduid worden.

Een complicerend probleem met Voskuil was echter dat zijn medewerkers hem niet alleen aanduidden als directeur, maar ook en soms in de eerste plaats als de auteur van 'Bij nader inzien'. Dat boek mag dan destijds wel in de ramsj terechtgekomen zijn, maar zijn collega's waren er zich heel wel van bewust dat ze niet alleen met een wetenschapper, maar ook met een schrijver te maken hadden. Dat heeft ongetwijfeld de onderlinge verhoudingen beïnvloed en dat heeft ongetwijfeld ook weer zijn weerslag gehad op Voskuils chroniqueurschap.