Geen lagere eis weigeryups

DEN HAAG, 28 JUNI. Het openbaar ministerie is niet bereid de eis van zeven maanden gevangenisstraf voor zogenoemde weigeryuppen te verlagen. Dat blijkt uit een brief die minister Sorgdrager (Justitie) gisteren aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. De minister schrijft wel bereid te zijn zes maanden van de celstraf om te zetten in dienstverlening.

Uit de brief blijkt dat Sorgdrager het niet eens geworden is met de top van het openbaar ministerie over een beleid voor weigeryuppen. Het gaat hierbij om enkele honderden mannen die tussen 1992 en 1996 om economische redenen hebben geweigerd in militaire dienst te gaan. Tegen enkele tientallen loopt nog een rechtszaak bij de militaire kamer van de rechtbank in Arnhem. Het openbaar ministerie eist onveranderlijk zeven maanden gevangenisstraf, de standaardstraf voor totaalweigeraars.

Sorgdrager schrijft de Tweede Kamer dat zij “anders dan het college van procureurs-generaal” van mening is dat “het onder het huidige tijdsgewricht maatschappelijk moeilijk aanvaardbaar is” weigeryuppen “gedurende geruime tijd” gevangen te zetten. De dienstplicht is in februari 1996 afgeschaft. Eerder riep Sorgdrager het openbaar ministerie al op de eis te verlagen tot zes maanden, een straf die geheel kan worden omgezet in een werkstraf. Op die manier zou er geen “kostbare cel” aan een weigeryup hoeven te worden verspild, aldus Sorgdrager.

In de praktijk kunnen enkele tientallen weigeryuppen nu rekenen op een maand cel en een werkstraf. De eerste weigeryup belandde op 2 juni in de gevangenis en zal 2 juli worden vrijgelaten. Zijn advocaat B. Martens, die ongeveer driehonderd weigeryuppen verdedigt of heeft verdedigd, vindt de nu gekozen oplossing “gekunsteld”. “Je gaat nog steeds die dure cellen bezetten.” Hij verwacht niet dat de weigeryuppen daadwerkelijk een maand in de cel zullen belanden. “Voor die ene maand kan de koningin nog wel gratie verlenen.”