Dissidente vakbondsman Han Dongfang: De grens komt naar mij toe

Met de overdracht aan China, in de nacht van maandag op dinsdag, zal het leven in Hongkong veranderen. Een serie portretten uit het dagelijks leven op het eiland. Deel 1: de dissidente vakbondsleider Han Dongfang. 'Hongkong is een zakelijk succes, maar voor de meerderheid is het geen rechtvaardige stad.'

Han Dongfang vraagt of het woord 'protestant' even gespeld mag worden. Tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten heeft hij zich bekeerd tot het christendom, maar het woord protestant heeft hij niet onthouden. “Hé”, zegt hij oprecht verbaasd, nadat hij de letters op een papieren servetje heeft gekalkt, “daar komt het woord 'protest' in voor.” Han schatert om zijn pas gedane ontdekking.

Protesteren staat centraal in het leven van Han Dongfang. De 34-jarige vakbondsman uit China stond in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking om de regering ervan te overtuigen dat zijn onafhankelijke vakbond een plaats zou moeten hebben in de Chinese samenleving. Maar na de bloedige onderdrukking van de pro-democratische beweging, werd hij 22 maanden opgesloten. Tuberculose maakte daar in 1991 een einde aan, waarna Han voor behandeling in de Verenigde Staten belandde. Twee jaar later vertrok hij naar Hongkong.

“Toen ik China verliet deed ik mijn vrienden en de politie de belofte dat ik terug zou komen.” Niemand wist van zijn reis naar Hongkong. Met opzet, want Han wilde in het geheim de grens met China oversteken. “Ik heb enkele dagen in Hongkong doorgebracht eer ik wist welke grensovergang niet geautomatiseerd was. Op die plek ben ik China binnengereisd.” De eerste nacht bracht hij door in een hotel. Daar werd hij alsnog opgepakt. “De agenten die mij het land weer uitgooiden zeiden: 'mensen zoals jij zullen China nooit meer inkomen'. Ik heb hun gezegd dat ze zich daar in vergisten. Toen heb ik het besluit genomen in Hongkong te blijven - mij is een fundamenteel recht ontnomen en dat eis ik terug.”

Han hoeft nog maar drie dagen geduld uit te oefenen - dan krijgt hij het gelijk aan zijn kant. “Na dertig juni komt de grens naar mij toe.” Wat daarna gebeurt weet Han niet, maar hij bereidt zich voor op het ergste. “Desnoods ga ik de gevangenis weer in.” Voorlopig evenwel vertrouwt hij op het rechtssysteem van Hongkong. “China is niet in staat om van de een op de andere dag de rechtsorde te vernietigen. De mensen in Hongkong zijn er mee opgegroeid. In hen heb ik het meeste vertrouwen. Natuurlijk kun je niet verwachten dat iedereen zich met hand en tand zal verzetten tegen de aantasting van de rechtsorde, maar de Chinese regering kan niet al te roekeloos optreden. Dat zal de bevolking van Hongkong niet accepteren.”

Een groot aantal dissidenten uit China die met behulp van het clandestiene netwerk 'Yellow Bird' sinds 1989 in Hongkong een toevlucht hebben gevonden, is al vertrokken. Han heeft ze daartoe aangemoedigd. Immers, anders dan hij zelf, hebben de meeste politieke vluchtelingen in Hongkong geen paspoort of andere rechtsgeldige documenten. Ze verblijven in de kroonkolonie bij de gratie van het bureau van immigratie dat de politieke vluchtelingen de afgelopen jaren met rust heeft gelaten. Met de overname in het vooruitzicht, zijn slepende procedures voor het verkrijgen van een vluchtelingenstatus in andere landen versneld. Van de ruim honderd dissidenten die begin dit jaar nog in Hongkong verbleven, zijn inmiddels bijna veertig vertrokken naar de Verenigde Staten en Europa. De rest heeft de voorkeur gegeven in Hongkong achter te blijven. Ze vrezen de overname wel degelijk, velen hebben evenals Han vastgezeten, maar ze hebben een baan, een familie en zijn politiek niet meer actief.

Han Dongfang is voortdurend in het nieuws. Hij is het vriendelijke gezicht van de Chinese dissidentenbeweging die in China zelf, door toedoen van het harde optreden van een regime in overgang, vrijwel monddood is gemaakt. “Ik heb gehoord dat de Chinese regering een grote hekel heeft aan twee mensen: de dissident Liu Qing, die inmiddels in de Verenigde Staten verblijft, en mijzelf. Ik weet niet of het waar is. Ik kan de communistische partij slechts geruststellen. Het is met hen alsof ik tegen mijn zoontje praat. Ik vertel dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. Ik ben niet van plan te demonstreren. Ik wil alleen met hen van gedachten wisselen.”

Han gelooft dat de angst van Peking voortkomt uit hetgeen in Polen is gebeurd in de jaren tachtig. De onafhankelijke vakbond Solidariteit dwong het communistische bewind in Polen op de knieën. “In China bestaat één vakbond die wordt gecontroleerd door de partij en de regering. De bond vertegenwoordigt de belangen van de werkgevers, niet van de werknemers. Alleen een onafhankelijke vakbond kan daar verandering in brengen.” Als medewerker van het Christelijke Industriële Comité van Hongkong doet Han onderzoek naar de positie van arbeiders in China.

“Met handel en investeringen alleen wordt democratie niet bereikt. Kijk maar naar de economische zone Shenzhen, vlak over de grens in China. Als iemand daar een fabriek kan vinden waar arbeiders korter dan twaalf uur werken dan zou ik dat graag willen weten.” In Hongkong is het volgens Han niet veel beter. “Hongkong is een zakelijk succes, maar voor de meerderheid is het geen rechtvaardige stad. Als arbeiders hier hun baan verliezen, schamen ze zich. De gemeenschap houdt zich niet bezig met de werklozen.”

Han gelooft niet dat de Chinese communistische partij ooit grip zal krijgen op Hongkong. “De bevolking van Hongkong haat de communisten. Is er iemand die gelooft dat Tung Chee-hua, wiens familie voor de communisten is gevlucht, sympathie heeft voor hen?” Tung is de door Peking aangewezen zakenman die vanaf 1 juli aan het hoofd komt te staan van de Speciale Administratieve Regio die Hongkong dan wordt. “Ik heb wel vertrouwen in Tung, hoewel ik hem nooit heb ontmoet. Hij is evident anders dan de leiders van de communistische partij in China. Tung is aangesteld vanuit de gedachte dat hij Hongkong verder kan helpen. Hij zal het ook nooit in zijn hoofd halen de loop van het geweer op de bevolking van Hongkong, zijn eigen mensen, te richten.”

Dat het Chinese leiderschap in 1989 wel die beslissing nam, heeft bij Han, die ooit in de communistische partij geloofde, de deur dicht gedaan. “Begin jaren tachtig heb ik geprobeerd lid te worden van de partij. Dat is toen niet gelukt, want ik werd te kritisch bevonden. Ik was toen teleurgesteld. Het heeft tot de nacht van drie op vier juni geduurd, toen de kogels door de lucht floten, voordat ik definitief begreep dat met het Chinese leiderschap geen land te bezeilen viel. De communistische partij is dood. Nu moet ze nog worden begraven.”