De openbare ruimte in de stad wordt steeds minder openbaar; De kruimelstad

Zo vol is Amsterdam, dat het stadsbestuur een polderwijk aanlegt om nieuwe bewoners te huis- vesten. Zo vol, dat serieus overwogen is, de ringweg met huizen te over- kappen. En toch bungelt het bevol- kingscijfer al jaren om en nabij de 720.000. Waar is Amsterdam eigenlijk zo vol van? Hoeveel honden- gedoogzones en meubelstroken kan een stad hebben?

In andere steden zal het vast niet anders zijn, hoewel je het in Den Haag nooit ziet, maar in Amsterdam is het wel erg opvallend. Voetgangers wachten het moment dat ze kunnen oversteken niet langer op de stoep af. Ze stellen zich alvast in de marge van het wegdek op, het lichaam wat overhellend, als stonden ze in een imaginair startblok.

Waarom betreden de wandelaars weerloos het domein van het snelverkeer? Voor die fractie van een seconde dat ze eerder aan de overkant zijn? Hebben ze dan meer haast dan hun ouders? Hoezo? De stedelijke werkloosheid is tussen 1960 en nu pakweg verdrievoudigd. En sinds de wet op de winkeltijden is verruimd, hoeft niemand de klok van zes uur nog te halen.

We moeten dus aannemen dat voetgangers van het trottoir worden gedrongen. De vraag is alleen: door wie of wat? Er is geen reden om te veronderstellen dat mensen elkáár de rijweg op zijn gaan duwen. Amsterdam is de afgelopen veertig jaar flink ontvolkt. In 1960 woonden hier ruim 866.000 mensen, nu nog geen 720.000 - al zijn dat er intussen wel weer 40.000 meer dan tien jaar geleden. Vergelijk Amsterdam met Parijs: het gebied binnen de ringweg is even groot als het gebied binnen de péripherique, alleen wonen daar zes keer zoveel mensen als hier.

En toch schrijft de gemeente deze week in een huis-aan-huisfoldertje voor de Noord-Zuidlijn: 'De stad krijgt het benauwd'. Dat klopt, want de gebouwen kruipen naar elkaar toe. Toen een paar jaar geleden het erkend lelijkste gebouw van de stad, het massieve Maupoleum, werd gesloopt, dacht iedereen dat de Jodenbreestraat opgelucht kon ademhalen. Wat er voor in de plaats kwam oogt misschien minder massief - maar het neemt wel meer ruimte in.

Daarom vallen de mensen van de stoep. En omdat de stoep nodig is voor terrassen, (levende) standbeelden, groentekratten en straatfeesten. En omdat een winkel nu eenmaal klanten nodig heeft die alleen binnenkomen als er een kartonnen snor buitenstaat of een reuzenkoe. En omdat er altijd wel een hondenuitlaatstrook is waar je niet langs kunt, een jongerenontmoetingsplek of een tippelzone.

Leg een plattegrond van 1960 naast die van nu, en je ziet een kindertekening. Met de oudste kaart is het kind naar de juf gestapt en toen zei die, hij is nog niet af hè, daar zie ik nog een stukje wit. De nieuwe kaart is tot in alle hoeken gevuld.

Ruimte, leegte maakt de stad nerveus en hebzuchtig. Daar wantrouwen bewoners elkaar. Daar krijgen winkeliers concurrentiekriebels van en bedrijven groeistuipen. Van het stadsdeelbestuur van De Pijp mogen winkeliers hun achtertuinen volbouwen met magazijnen. “De bedrijven groeien uit hun jasje”, heet het. Ze moeten wel op hun dak een terras inrichten voor de bewoners van de eerste verdieping. Hebben die ook weer meer ruimte.

Zo slibt de stad dicht. Het bebouwde oppervlak is in enkele decennia verdubbeld. En wat er aan openbare ruimte overschiet, wordt verkaveld door het stadsbestuur in een samenzwering met bedrijven en 'actieve bewoners' of 'mondige burgers'.

Drie rubber tegels. Ze liggen in een verdikking van de Van Ostadestraat, onder een speeltuig dat stadsinrichters 'wipkip' noemen: een enorme veer met een jolig zitje. De kleuter die uit de wipkip kiept moet een volleerde turner zijn, wil hij op deze drie tegels landen.

Vijf tegels in de breedte en dertig in de lengte. Aan de randen steken twee ijzeren knoppen in de voegen. Dit is de buitengrens van een terras aan de Vijzelstraat. De plantenbakken, die de grenzen overschrijden, horen er niet bij, vindt de eigenaar. Die fleuren de boel toch alleen maar op.

Vier keer anderhalve stoeptegel, opgewipt, pootaarde erin, verse bloemen en een klimop. In het geveltuintje in de Jekerstraat staat zelfs een decimeter hoog hekje. Tegen indringers.

De hele stad is in zulke tegelmotieven opgehakt, voor ieder die aanspraak maakt op de openbare ruimte. Dat is in de eerste plaats de overheid, met haar nutsvoorzieningen. Zoals speeltuinen en zitbankjes, maar de laatste jaren is zij vooral producent geweest van anti-automaterieel. Pleinen en stoepen zijn verbunkerd door betonnen poefen, varkensruggetjes en paaltjes (die soms met een chipkaart de grond in kunnen worden gestuurd).

Dan de ondernemers. Die hebben massaal, en nogal eens zonder vergunning, hun gevels uitgebroken om half en half op de stoep te kunnen verkopen of het publiek naar binnen te schreeuwen. Of ze dwingen bij hun deelraad exclusieve parkeerruimte af voor hun klanten.

Ten slotte de buurtbewoner. Die is door de jaren niet alleen veel ruimer gaan wonen, hij heeft ook de straat ontdekt als verlengstuk van zijn privé-onderkomen. Hij eist er speelruimte voor zijn kinderen, plaats voor zijn auto, of juist geen plaats voor de auto van zijn buurman, en een uitlaatstrook voor de hond van die buurman.

Zo dreigt de openbare ruimte te worden 'geprivatiseerd en vercommercialiseerd', vreest wethouder G. ter Horst (Openbare Ruimte). En dat wil ze niet. “De openbare ruimte is echt van iedereen. Als je overal terrassen maakt, moet iedereen altijd betalen om ergens te zitten. Dat is niet de bedoeling.”

Nu durven bestuurders tegen ondernemers nog wel eens streng op te treden, maar de wensen van buurtbewoners lijken wel heilig geworden. De instelling van deelraden (die moesten immers het bestuur 'dichter bij de burger' brengen) heeft dat proces in de jaren negentig snel versterkt. “Bij de inrichting moet je de bewoners betrekken”, zegt een stadsdeelbestuurder. “En hoe dichter je bij de details komt - een speeltuigje hier, een paaltje daar - hoe meer ruimte je ze moet bieden.”

Stadsdeel Oost gaat er het verst in. De eerstvolgende herinrichting, die van de Vrolikstraat, geschiedt op basis van een prijsvraag onder bewoners. Ieder adres kreeg enkele maanden geleden een plattegrond van de straat, een los vel met inrichtingselementen - wipkippen, stoeptegels, geveltuintjes, verkeersdrempels, amsterdammertjes, bomen - en plakken maar.

Sommige bewoners vonden het knipvel nog te karig en tekenden er zelf bij. Zoals degene die een metalen venster op de stoep wil hebben, voor een frisse blik op de straat en voor poppenkastvoorstellingen voor de kinderen. Of degene die van een nostalgische straatlantaarn droomt. Een andere inwoner vond de ruimte op het papier nog te klein en stelde voor de daken te collectiviseren, een dakwacht aan te stellen en alle bewoners een dakpas te geven, dan kan de Vrolikstraat daar verder uitbreiden.

Uiteindelijk stemden 177 bewoners mee over de herinrichting, nog geen derde van het aantal inwoners. “De actieve tiepjes hebben een streepje voor”, had een stadsdeelbestuurder al eens gezegd tijdens een inspraakavond met vier personen.

'Actieve bewoners' of 'mondige burgers' hebben een groot aandeel gekregen in het aanzien van de stad. Elke straat draagt wel een stempeltje van ze. Een behouden boom, een nieuwe klok, een compromis-kunstwerk. Een lid van de bewonersgroep van de Vrolikstraat verklaart de aanspraken van de buurt op de openbare ruimte: “Ambtenaren zijn mensen die om vier uur 's middags richting station sloffen om de trein naar Almere te nemen - wij wonen hier.” Kan de gemeente niks doen aan de veiligheid in onze steeg? Dan lassen we d'r een hek voor en mag je alleen nog in de steeg als je een sleutel hebt. En als ambtenaren niet willen helpen, dan maken wij zelf onze eigen 'boomtuin' wel.

Het draagt allemaal bij aan wat Geert Mak in zijn Kleine geschiedenis van Amsterdam het 'buurtisme' heeft genoemd. De combinatie van deelraden en 'mondige burgers' heeft geleid tot een explosie van op de naaste omgeving gerichte creativiteit. En geen hoekje van de tekening blijft nog wit. Een op de ambtenaren veroverde bromfietsdrempel strekt de 'mondige burger' immers tot eer, maar wie zal trots zeggen dat-ie de straat heeft lééggemaakt?

Het gevolg is een verkruimeling van het aanzicht van de stad. Vroeger had je twee soorten lantaarnpalen: de oude 'gaslampen' op de gracht en de nieuwe, grijze pilaren met een soort helm op. Tegenwoordig bestelt elke wijk zijn eigen 'lichtarmaturen'. De beheerder van de openbare ruimte van Oost, Ton Kok, ziet de conflicten al aankomen: “Er zijn heel wat bewoners die hebben gezegd dat ze zo'n mooie grachtenlamp in de straat willen. In de Vrolikstraat!”

De overheid stimuleert dat particuliere beslag op de openbare ruimte zelfs. In de Bijlmermeer zet ze openbare ruimte bewust om in privéruimte. De overdaad aan openbare en collectieve ruimtes die de buurt typeren, wordt nu gezien als een van de belangrijkste oorzaken voor de verloedering ervan. De collectieve 'binnenstraten' in de flats maken plaats voor privébergingen en woningen. Het openbare groen rond enkele flats wordt verkaveld in tuinen voor de begane grond. (Ach, heb ik een gemeente-ontwerper eens horen zeggen, groen is alleen maar een kleur. “Dat woord al.”)“Zelfbeheer is een belangrijk onderdeel van het beheer van de openbare ruimte”, staat in de stedelijke conceptnota Ruimte voor kwaliteit. “Dat heeft een positief effect op de leefbaarheid.” Wie durft nog tegen bewoners te zeggen dat ze hun zin op straat niet krijgen?

Of tegen winkeliers? “Zoals het hier staat, denk ik dat het niet mag.” Bestuurder Amy Koopmanschap van stadsdeel De Pijp drukt het zachtjes uit. In het voetgangersgebied van de Tweede Van der Helststraat heeft slager Cor Noz zijn reuzenstier weer voor de deur gezet, de rommelwinkel zijn rommel en de cafés hun terrassen. Daartussen staan betonnen bloembakken, resultaat van de bij bewoners gesignaleerde behoefte aan 'meer groen'.

Koopmanschap herkent “de neiging tot uitdijen. Zeker bij veel stoep.” In veel stoeptegels zijn ijzeren knoppen geslagen die aangeven hoeveel trottoir een terras mag beslaan. De stoelen staan altijd net een paar centimeter verder. Het Damrak is vijf jaar geleden heringericht als 'rode loper' van de binnenstad. Daar moesten al te schreeuwerige reclameborden worden geweerd. Straat- en loketverkoop zouden aan banden worden gelegd. Loop maar eens van het Centraal Station naar de Bijenkorf. Het is een hordeloop.

“Ik vind Amsterdam te vol”, zegt wethouder Ter Horst. Dan heeft ze het niet over de mensen - die moeten juist alle ruimte krijgen - het gaat haar om de obstakels die de ruimte beperken. Een apart paaltje voor elk nieuw parkeerbord. Steeds verder uitgesplitste afvalbakken (op sommige plaatsen staan zes verschillende containers als pantserkruisers op een plein). De overheid heeft daaraan meegewerkt, maar nu loopt Ter Horst voorop als het gaat om de “sobere, ruimtelijke herinrichting” van de stad.

Volgens haar zijn de geesten in de stad rijp voor een radicale aanpak. Dus blijft het straatmeubilair liefst beperkt tot een 'meubelstrook'. Dus moeten niet alleen glasbakken en trafohuisjes zoveel mogelijk onder de grond, maar de auto's ook. Zij koestert een “grootschalig idee”: de verwijdering van alle geparkeerde auto's uit de binnenstad, of ten minste van de grachten. Een bestemming heeft ze al: een gigantische garage voor twintigduizend auto's onder de Singelgracht.

Ze kan voorlopig het meest trots zijn op het heringerichte Spui. Daar ligt een prachtige stenen vloer, waarin stoep, fietspad en wegdek haast ongemerkt in elkaar overgaan. Er staan weinig obstakels. Een paar banken, telefoonpalen en één terras. Meer niet. En toch is het vrolijk druk en zitten er mensen gratis van de straat te genieten. Dat is ongekend in de pleinencultuur van Amsterdam.

De vlakte lijkt van gloeiende kolen te zijn, voetgangers weten niet hoe snel ze naar de overkant moeten komen. Alleen skaters of voetballers houden het uit op het asfalt van het Heinekenplein. “Ja, waar dient het voor”, vraagt stadsdeelbestuurder Amy Koopmanschap hardop. “Het is gewoon ruimte.” Het is ook nooit goed, zegt ze. “Bij de bouw was het motto van de buurt: open ruimte. Nu vragen de ondernemers om een fontein, voor de levendigheid. Nu zeggen de bewoners: het heeft iets unheimlichs.”

Het Heinekenplein is het jongste grote plein van de stad. In De Pijp, een wijk die wel het Quartier Latin van Amsterdam wordt genoemd. Er is over nagedacht, er is een werkgroepje met bewoners naar Barcelona gereisd om mooie pleinen te bekijken. Nu ligt het te wachten op de wind en de regen, soms de zon. Dan klitten de bewoners van het Quartier Latin op de terrassen langs de randen. “In Nederland durven we een plein niet leeg te laten”, zegt Koopmanschap.

Het typisch Amsterdamse plein, resultaat van inspraakrondes, voorlichtingsbijeenkomsten en informatie-avonden, is het Boerhaaveplein in Oost. Een rij banken en prullenbakken omzoomt de ruimte als een morseboodschap: lang kort, lang kort, lang kort. Uit het midden van het plein steken twee stalen beugels bij wijze van doeltjes. Er is een asfalten glooiing voor skaters, een diamantvormig, geelblauw klimrek, dat de kwaliteiten van kunstwerk en speeltuig verenigt. Er staan fietsenrekken, papierbakken, glasbakken, anti-autopoefen en -varkensruggetjes en in beton verzonken bomen.

Beter mee verlegen dan om verlegen, moet het motto van de inrichters zijn geweest. De grootste triomf in het boekje Dat regelen we zelf wel. Informatie en tips voor bewonersorganisaties is de vernieuwing van een plein naar de wensen van buurtbewoners: “Het plein biedt nu voor iedereen wat: speelobjecten, een zitbank, een ontmoetingshoek voor de jeugd, een grasveld en een rolschaatsbaantje.” Niks vergeten?

Horror vacui, de stadsbewoners vrezen de leegte en de verbeeldingskracht die nodig is om daarin op je gemak te zijn. Het is de vraag wat ze liever willen: de monumentale ruimte van Ter Horst of een stoep vol tegels waar ze hun vuilniszakken neerzetten. En het is de vraag of de overheid zichzelf kan beheersen. De aller-Nederlandste opvatting van inrichting lees je in de waterleidingduinen. In die baaierd van zandpannetjes, velden en bospaden staat ergens een bordje 'Speelweide'. Alsof het woord er een speelweide maakt in plaats van de kinderen die er wìllen spelen. Het erge is, het is nog waar ook.

De overheid wil wel “meer ruimte creëren die vanzelfsprekend gebruik oplevert”, zegt Ton Mascini, beleidsambtenaar van wethouder Ter Horst. “Alleen, het lijkt wel of kinderen pas dúrven te spelen als wij een wipkip neerzetten.” Dus moet degene die zijn hond wil uitlaten in het park naar de hondengedoogzone of het hondenlosloopveld.

Sla maar een willekeurige herinrichtingsnota op: “Mensen gaan pas zitten wanneer er genoeg zitplaatsen worden geboden (keuzevrijheid).” Of: “Door de in een rij op te stellen banken om en om te plaatsen, dat wil zeggen de kijkrichting te laten wisselen, ontstaat veel meer keuzevrijheid wat betreft de kijkrichting, de te kiezen plek en de gewenste afstand ten opzichte van andere gebruikers ('privacy').”

De mensen die liever op de straat dan op de stoep lopen, dat zijn de geheime revolutionairen van Amsterdam, die als ze fietsen op de stoep of tegen het verkeer in rijden, een stil protest laten horen tegen de dwangmatige inrichting van de stad.