De economie van het proftennis; Makkelijke miljoenen

Het winnen van Wimbledon laat zich sportief nog het best vergelijken met wereldkampioen worden in de Formule I in een Ferrari. Je bent als atleet op slag onsterfelijk, de financiën stromen binnen. Niettemin gaat het in het kampioenschap van de All England Lawn Tennis & Croquet Club aan de Church Road in Wimbledon meer om de eer dan om de poen. Ook om die reden vormt het toernooi van Wimbledon een verademing in het proftennis, dat steeds verder wordt aangevreten door de zogeheten appearances fees, het betalen van startgelden aan de spelers.

Eind vorig jaar maakte de vakbond van proftennissers ATP bekend dat inmiddels meer dan 200 spelers de grens van een miljoen dollar aan gewonnen prijzengeld heeft overschreden. Daaronder bevinden zich zes Nederlanders. Krajicek, Haarhuis, Eltingh, Siemerink, Nijssen, maar ook Tom Okker, die in zijn carrière als enkel- en dubbelspeler in een tijd dat het proftennis nog in de kinderschoenen stond maar de dollar een stuk hoger noteerde, aan officieel prijzengeld 1.257.200 dollar binnenhaalde. Maar het aantal werkelijke miljonairs in de tennissport bedraagt een veelvoud van de 200 van de ATP-lijst. Reclame- en sponsorinkomsten, het spelen van demonstratiewedstijden en special events, maar vooral het incasseren van startgelden bij toernooien heeft zelfs Jan Modaal in het proftennis veelvuldig miljonair gemaakt.

Financiële aberraties hebben zich sinds de invoering van het proftennis begin jaren zeventig met de regelmaat van een klok voorgedaan. Het begon eind jaren zeventig met het tenniscircus van de Texaanse oliemiljonair Lamar Hunt die naast de ATP zijn eigen toernooiencircuit organiseerde. Zijn twee broers haalden de publiciteit doordat zij een miljard dollar verspeelden op de tinmarkt. Maar die ongelukkige speculatie werd afgedaan met de woorden “dat een miljard tegenwoordig ook niet meer was wat het geweest is.”

Daarna werden in het tennis de zogeheten exhibitions populair. Demonstratiewedstrijden waaraan vooral Björn Borg en John McEnroe een klein fortuin overhielden na de legendarische finales die zij hadden uitgevochten op Wimbledon en de US Open. Maar het kon allemaal nog gekker. Ivan Lendl won in Milaan op één avond een half miljoen dollar met een toernooitje waarin alleen tie-breaks werden gespeeld. In Duitsland ten slotte wordt jaarlijks het toernooi gehouden om de Grand Slam Cup, waaraan de 16 best presterende spelers van de vier Grand Slamtoernooien van Parijs (Roland Garros), Londen (Wimbledon), New York (Flushing Meadow) en Melbourne (Flinders Park) mee mogen doen. De eerste winnaars van de Grand Slam Cup, Wheaton, Stich en Chang incasseerden twee miljoen dollar voor vier partijtjes tennis. Tegenwoordig is de hoofdprijs van het evenement 1,6 miljoen dollar, maar iedere speler die een Grand Slamtoernooi heeft gewonnen, zoals Krajicek Wimbledon, krijgt bij de Grand Slam Cup een bonus van 250.000 dollar.

Die bedragen zijn allemaal niet verdisconteerd in de officiële ATP-geldranglijst maar voor de spelersbond nog wel te overzien. Waar de ATP echter helemaal geen grip meer op heeft is het grijze circuit van de startgelden, een fenomeen dat steeds bedenkelijker vormen begint aan te nemen. Toernooidirecteuren beweren dat spelers als Sampras, Becker en Agassi buiten de Grand Slamtoernooien om niet te contracteren zijn voordat hun een startgeld tussen de 300- en 350.000 dollar in het vooruitzicht is gesteld. Naar verluidt krijgt Boris Becker alleen al zeven miljoen mark, simpelweg door zijn naam voor drie jaar te verbinden aan het grastoernooi in Halle.

“Die Duitsers verzieken de tennismarkt behoorlijk”, zegt Piet van Eijsden, toernooidirecteur van het ATP-graveltoernooi in Amsterdam. “Ze zwemmen in het geld. Maar ook, zoals ik ze noem, de sjeikrijkjes in het Midden- en Verre Oosten betalen grof. Wat in Qatar aan startgeld wordt betaald of wat Michael Chang aan startgeld in Hongkong toucheert is domweg onwezenlijk.”

Oud Nederlands tenniskampioen en Davis Cupspeler Van Eijsden is organisator van het Grolsch Open in Amsterdam, een van de kleinere graveltoernooien in het ATP-circuit. Hij betaalt zijn spelers ook startgeld, hoewel het een fractie betreft van wat de absolute toppers in de grote toernooien krijgen. “Een Ivanisevic, Bruguera, Krajicek of Muster kan ik niet betalen. Dan is mijn toernooi failliet”, zegt Van Eijsden. “Maar mijn toernooi heeft een heel andere sociale functie dan het ABN Amrotoernooi in Rotterdam of het grastoernooi in Rosmalen. Het publiek apprecieert de gezelligheid en het tennis wat ik te bieden heb. Mijn beloning is dat al twintig jaar een mijnheer uit Franeker belt met de vraag: En mijnheer Van Eijsden heeft u nog kaartjes?”

Anders is dat bij ABN Amro, dat van organisator Wim Buitendijk voor het toernooi in Ahoy ieder jaar twee of drie spelers uit de top tien eist. Evenals bierbrouwer Heineken dat het grastoernooi in Rosmalen heeft geadopteerd en zelfs bereid bleek een topper op gravel als Muster 175.000 dollar startgeld te betalen voor zijn deelneming aan het grastoernooi. “Absurd”, zegt een manager van een van de grote managementbureaus in het proftennis. “Mijnheer Muster incasseert zijn startgeld, laat zich snel uit het toernooi rammen en meldt zich dan vervolgens met een smoesje af voor Wimbledon omdat hij als gravelspecialist op gras niets te zoeken heeft. 'Gras is voor koeien' luidt zijn devies. Maar Heineken heeft wat sponsoring betreft de boot al gemist in de Arena en bij het toernooi van Van Eijsden, waar Grolsch de hoofdsponsor is. Dus Heineken schuift wel in Rosmalen. Bij Heineken kijken ze niet op een miljoentje meer of minder. Men wil tegen elke prijs een groot Nederlands tennisevenement sponsoren.”

De topspelers stellen via hun managers echter steeds absurdere financiële eisen. Die ontwikkeling is begonnen bij de Zweed Björn Borg, vijf keer winnaar op Wimbledon en zes keer winnaar in Parijs op Roland Garros. Borg bouwde zijn fortuin voornamelijk op via neveninkomsten in het proftennis. “Aan de reclamecontracten van Borg kon je al zien welke toernooien en waar hij zou spelen”, zegt de Amsterdamse jurist Paul Foortse, die jarenlang met de voormalige Roemeense proftennisser Ion Tiriac de Duitser Boris Becker onder contract heeft gehad. Borg had grote reclamecontracten met bedrijven op vijf continenten en was daardoor één van de eerste echte grootverdieners in het tennis. Hoewel hij aan officieel prijzengeld (3.655,751 dollar) relatief weinig overhield. Borg incasseerde in de periode 1976-1980 voor vijf Wimbledontitels slechts 138.000 dollar prijzengeld, ruim vier keer zo weinig als de winnaar van Wimbledon dit jaar ontvangt. Jimmy Connors kreeg voor zijn eerste Wimbledontitel in 1974 nog maar 16.000 dollar.

Maar tegenwoordig gelden andere normen. “Agassi en Becker zijn in het huidige tennis de mensen van de grote reclamecontracten”, zegt Foortse. Normaal schat ik de verhouding prijzengeld-endorsements (neven-inkomsten uit merchandising etc) bij een toptennisser op 3,5. Maar bij Becker moet je wat zijn werkelijke vermogen betreft zijn officiële prijzengeld (meer dan 24 miljoen dollar) door zijn neveninkomsten zeker vermenigvuldigen met factor zes.” Doorgaans is de nummer een van zijn land uit reclameoogpunt meer waard dan de nummer vier van de Verenigde Staten zegt Foortse. Maar iedere spelersmakelaar zal beamen dat uitstraling en charisma belangrijke factoren zijn. Foortse: “Edberg en Becker sloten tegelijkertijd een reclamecontract af met een grote autofabrikant. Het verschil was alleen dat Becker vijf keer zoveel geld kreeg als Edberg.”

Richard Krajicek heeft momenteel bijna zes miljoen dollar officieel prijzengeld bijeen geslagen. Zijn grote reclamecontracten beperken zich tot Nike en Yonex, een Japanse fabrikant van rackets. Sportartikelenfabrikant Nike heeft honderden miljoenen geïnvesteerd in voetballers als Shearer en Ronaldo, basketballer Jordan, golfer Tiger Woods en tennisser Agassi. Maar als het aan de top geld regent, dan druppelt het beneden. Krajicek mag wat reclamemogelijkheden betreft geen Agassi zijn, alleen zijn contract met Nike, aangepast na zijn Wimbledontitel, heeft hem al miljonair gemaakt. Bovendien vroeg zijn manager Peter Lawler van managementbureau Advantage naar verluidt 350.000 dollar startgeld voor Krajicek nadat zijn sterspeler Wimledon had gewonnen. Maar ondanks deze bedragen beweert een aantal betrokkenen dat Krajicek te weinig uitstraling heeft om de grote reclamecontracten die er in het tennis te verdelen zijn binnen te slepen.

Sportief behoort Krajicek inmiddels tot het tenniswalhalla, waardoor de centen automatisch binnenstromen. Op Grand Slamtoernooien wordt zijn naam met eerbied uitgesproken. Bovendien weet hij zich door zijn plaats bij de top 10 op de ATP-ranking (de officiële tennisranglijst) bij voorbaat verzekerd van deelneming aan de zogeheten Super-9-toernooien. Evenementen waar qua punten en prijzengeld net iets minder op het spel staat dan op de Grand-Slamtoernooien, maar waar niettemin veel ATP-punten en een klein vermogen te verdienen zijn. Officieel worden er op de vier Grand Slamtoernooien en in de Super 9 Serie geen startgelden aan de spelers betaald. Maar het is een publiek geheim dat op grote Super 9-toernooien als Stuttgart, Monte Carlo en Parijs (indoor) wat startgelden betreft wel degelijk door de organisatie fors met de geldbuidel wordt gerammeld.

Het is hetzelfde verhaal als in het vrouwentennis waar het betalen van startgelden officieel zelfs is verboden. Maar Peter Graf, vader van Steffi, zucht momenteel in een Duitse gevangenis omdat Ion Tiriac in 1994 al klaagde dat hij de familie Graf alleen al 300.000 dollar moest betalen voor Steffi's deelname aan een demonstratietoernooi in Essen. Peter Graf placht het geld cash op te halen in een plastic zak. Enigszins vergelijkbaar met de manier waarop Ion Tiriac jaren daarvoor, toen het ook bij de mannen nog verboden was startgeld te betalen, het geld voor de Argentijn Guillermo Vilas tijdens het ABN Amro-toernooi in Rotterdam incasseerde. Vilas was op het laatste moment opgetrommeld om Jimmy Connors te vervangen, die had afgezegd. Daar moest ABN Amro flink voor betalen.

De geruchten en verhalen over de astronomische bedragen die Graf illegaal voor zijn dochter incasseerde zette de Duitse belastingdienst uiteindelijk op het spoor van de grootschalige belastingontduiking van Peter Graf. Hoewel dochter Steffi tot de laatste snik heeft volgehouden dat zij van niets wist. “In het vrouwentennis is het in bepaalde opzichten nog erger dan bij de mannen”, zegt Paul Foortse. “De vrouwelijke tennissers zijn relatief gezien de best betaalde sportatleten in de wereld. Dat komt door het geringe aantal toppers. Bij de mannen kan Sampras of Becker zo maar van de nummer 30 in de wereld verliezen. Zoals Ajax op een slechte dag van NEC kan verliezen. Dat kan bij de vrouwen niet. Je hebt daar Graf, Seles en Hingis. Ieder zichzelf respecterende organisatie wil die drie graag in zijn toernooi hebben. Pas dan kun je als toernooidirectie zaken doen wat betreft reclame- en televisiecontracten. Hoewel er een paar nieuwe talentvolle teenagers bij de vrouwen in aantocht zijn zie ik die gang van zaken niet snel veranderen. Vooral moeder Hingis pakt het slim aan met haar dochter. Hingis kan binnenkort ieder bedrag vragen wat ze wil. Zeker als Graf wegvalt.”

Om toegang te krijgen tot de grote geldstromen in het proftennis is een hoge klassering op de wereldranglijst van vitaal belang. De ATP-ranglijst bij de mannen is gebaseerd op de beste veertien toernooiresultaten van de laatste 52 weken. Een speler moet in een bepaalde week minimaal evenveel punten halen als een jaar eerder in diezelfde week, op voorwaarde dat de resultaten uit die week bij de veertien beste horen. Als dit niet lukt, verliest hij punten. Voor de top twintig spelers is dat niet zo'n probleem. Zij behoren op de Grand Slamtoernooien (waar de meeste punten te verdienen vallen) doorgaans tot de besten, terwijl zij ook in andere grote toernooien voldoende punten kunnen binnenhalen om hun hoge positie te verbeteren of te consolideren. De echte ratrace bij de mannen begint op de ranglijst tussen de tennissers die tussen de 20 en 100 staan. In dat veld kan in theorie iedereen van iedereen winnen of verliezen. Voor deze spelers is het prijzengeld een belangrijkere bron van inkomsten dan start- of reclamegelden.

Maar er is in het proftennis nog een derde manier om zich met een goed gevulde bankrekening in belastingparadijs Monte Carlo te vestigen. Dat is het dubbelspel. De Nederlanders Paul Haarhuis (bijna 5 miljoen dollar officieel prijzengeld) en Jacco Eltingh (ruim 4 miljoen dollar) zijn voornamelijk dankzij het dubbelspel veelvoudig miljonair. Tot consternatie van veel betrokkenen.

“Wat bepaalt de marktwaarde van een speler?”, stelt Paul Foortse zich een retorische vraag. “De Davis Cup en de Grand Slamtoernooien. Wat dat betreft zou Krajicek zich wel eens mogen realiseren dat hij zo'n beetje de enige Wimbledonwinnaar is van de afgelopen twintig jaar die met zijn land niet de Davis Cup gewonnen heeft. Maar het geld wordt in het tennis zo gemakkelijk verdiend dat sportieve waarden dreigen te worden ondergesneeuwd. Als ik in de vip-lounge een pilsje sta te drinken en de speaker kondigt aan dat Paul Haarhuis gaat spelen dan zal er niemand van zijn plaats opstaan om naar hem te gaan kijken. Maar als je in de top 50 van de wereld staat en je loopt een jaartje of acht mee zoals Haarhuis, dan is het zelfs voor een speler die tegenover het publiek weinig uitstraalt met niet eens zulke geweldige tenniskwaliteiten blijkbaar geen enkel probleem aan prijzengeld een miljoentje of vijf aan dollars op te strijken. Ook al is dan dan grotendeels gebeurd via het dubbelspel. Dat is allemaal mogelijk in het tennis.”

Toernooiorganisator Piet van Eijsden komt tot een soortgelijke conclusie. “In het dubbelspel ben ik verplicht soms tien twaalf tennissers te contracteren waar geen mens ooit van heeft gehoord. Die moet ik door hun hoge klassering op de dubbelranglijst echter wél betalen. Terwijl er geen inkomsten tegenover staan. Ik verkoop door die spelers geen kaartje of vip-box meer. Want in die zogenaamde coryfeëen in het dubbelspel is in wezen geen hond geïnteresseerd.”