Britse historicus Timothy Garton Ash over de DDR en zijn eigen dossier: 'Ik stond aan de goede kant - maar dat was toeval'

In 1980 ging Oxford-student Timothy Garton Ash in Oost-Berlijn studeren. Na de Val van de Muur ging hij terug om het dossier te lezen dat de Stasi van hem had aangelegd. Hij zocht ook de informanten op die over hem hadden geschreven. 'Ik wilde via mijn eigen dossier proberen te begrijpen hoe het systeem werkte.'

Timothy Garton Ash: Het Stasi-dossier. Een persoonlijk verslag. Vert. Frans Bruning. Uitgeverij Kosmos, 208 blz, ƒ 34,90.

Banaal is het kwaad en banaler nog zijn de motieven van de mensen. Het is een waarheid als een koe en er is geen eeuw waarin hierover meer geschreven is dan deze. Er is geen land waarin dat grondiger gebeurt dan Duitsland. Drieduizend mensen werken in de zogenoemde Gauck-Behörde in Oost-Berlijn, de instelling waar alle resterende Stasi-dossiers al dan niet toegankelijk worden gemaakt voor het publiek. 'Ben jij al gegauckt?' is de angstige vraag die menig voormalig DDR-burger op het gezicht geschreven staat. De dossiers richten huwelijken te gronde, vernietigen vriendschappen, maar doen ook mensen opgelucht ademhalen, als vermoedens niet bewaarheid worden.

In 1980 studeerde Timothy Garton Ash in Oost-Berlijn, Hauptstad der DDR. Hij reisde veelvuldig van oost naar west en naar Polen. Dus nam de Stasi aan dat hij “met opzet zijn officiële functie als onderzoeksstudent en/of journalist heeft misbruikt om inlichtingenactiviteiten te ondernemen” en legde een dossier over hem aan. Garton Ash, nu 42 en auteur van zowel The Polish Revolution: Solidarity, als We The People: The Revolution of '89 Witnessed in Warsaw, Budapest, Berlin and Prague en In naam van Europa (over de Duitse Ost-Politik), ging terug, las het 325 pagina's tellende dossier en schreef er een boek over, Het Stasi-dossier. Daarnaast zocht hij alle IM's (Inoffizielle Mitarbeiter - de Stasi-term voor informanten) en alle Stasi-officieren op die zich sinds 1980 met hem hadden beziggehouden.

Tot in de kleinste details beschrijft hij hoe zijn pijnlijke gesprekken met zijn informanten verlopen. Met Michaela bijvoorbeeld, die over hem klikte omdat het belangrijk was voor haar carrière. Ze schreef vlijtig rapporten over Garton Ash's contacten in Weimar. Het gesprek met haar verloopt emotioneel en verward. “Als we elkaar aan de voordeur een hand geven, zegt ze niet 'Het spijt me'. Ze zegt: 'Hoe bent u hierheen gekomen, per auto?' Nee, met de ondergrondse. 'O, het is een hele goede verbinding, nietwaar?' Ze doet moeite haar zelfrespect en normale manier van doen te bewaren, alsof er niets is gebeurd. Niets eigenlijk.”

Ook de meeste Stasi-officieren staan Garton Ash te woord. Zoals luitenant-generaal Kratsch, hoofd van de contraspionage, die hem in zijn villa ontvangt in een glanzend joggingpak van synthetische stof en vertelt hoe graag hij vanachter de muur naar de verhoren van vijandelijke agenten luisterde. Op Garton Ash's vraag of hij zich kon voorstellen dat de mensen bang waren voor de Stasi roept hij uit: 'Angst?' en steekt zijn beide handen in de lucht, terwijl zijn enorme buik trilt van verontwaardiging. “Natuurlijk niet! Helemaal niet. De mensen waren niet bang, ze waren dankbaar voor de beveiliging. Alle rangen en standen bedankten ons.”

Het Stasi-dossier is een mild verslag van een buitenstaander, met bespiegelingen over goed en kwaad en een licht ironisch, een tikje ijdel zelfportret van een idealist, die volgens eigen zeggen toevallig aan de goede kant stond.

Het moet wel een kick zijn om je eigen Stasi-dossier ter inzage te krijgen.

“Grappig dat u dat zegt. Zo reageren veel mensen. In mijn boek noem ik het dossiernijd, naar analogie van penisnijd. Het is natuurlijk een cadeau, maar het is niet eenvoudig om ermee om te gaan. Ik ben door het dossier niet tot in mijn grondvesten geschokt, omdat ik niet de verschrikkelijke ervaring heb gehad van zovelen, die ontdekten dat hun man of vrouw direct na het aanknopen van hun relatie informatie begon te geven aan de Stasi. Mijn IM's waren geen goede vrienden.

“Er zijn in Duitsland wel honderd boeken verschenen over dit onderwerp, die allemaal in het teken staan van dat onvertaalbare Duitse woord Betroffenheit (ontsteltenis, onthutsing, maar ook met de connotatie gedupeerdheid - LS). De Duitsers zijn allemaal Betroffniks, zoals iemand ze eens snedig heeft genoemd. Ik probeer er in dit boek op een iets andere manier over te schrijven. Ik wilde via mijn eigen dossier proberen te begrijpen hoe het systeem werkte en wel in het bijzonder hoe alle anderen in mijn dossier waren beland: hoe zijn de informanten geworven, hoe de Stasi-officieren. Bovendien kan je als buitenlander een aparte dimensie aan het verhaal geven, namelijk de dimensie van de Koude Oorlog. Ik was iemand uit de andere helft van Europa.

“Het schokkendst is gek genoeg niet de ontmoeting met je informanten, maar de confrontatie met jezelf. Je dossier lezen betekent eigenlijk de jonge man tegenkomen die je 25 jaar geleden was. Zoiets kun je alleen maar heel persoonlijk beschrijven, want de geheime politie werkt door je privé-leven binnen te dringen.”

Wat heeft u ervan geleerd?

“Het boek is geschreven als een exploratie, een reis. Ik heb gewoon mijn dossier opengeslagen en mijn route laten bepalen door wat ik daar aantrof. Elke toevallige dwarsstraat ben ik ingeslagen. Ik wil dat de lezer zelf zijn conclusies trekt. Zelf heb ik er heel veel van geleerd, bijvoorbeeld over geheugen en geschiedenis. Jarenlang heeft men Kurt Waldheim veracht omdat hij zei dat hij niet meer wist wat hij in 1943 deed. Die verdringing tref je aan in heel Centraal- en Oost-Europa. Maar dan ontdek je dat je zelf ook niet meer weet hoe je was, wat je deed. Dan ga je je afvragen: hoe kan ik de geschiedenis van andere mensen opschrijven als ik niet eens mijn eigen geschiedenis kan reconstrueren?

“Les twee was hoezeer ons gedrag afhangt van onze omstandigheden. De vraag die de lezer zich hopelijk stelt is: hoe zou ik me gedragen onder een dictatuur? Er zijn twee Westduitse misverstanden over de DDR. Het ene luidt: kijk eens, alle Ossis waren Stasi-spionnen. Wie zo denkt, veroordeelt de hele Oostduitse maatschappij, zonder zelf ooit voor vergelijkbare dilemma's te hebben gestaan. De andere categorie roept: o ik weet zeker dat ik ook een stasi en een collaborateur zou zijn geweest, dus we moeten ze allemaal vergeven. Zand erover. Maar dat is ook fout. Alleen de slachtoffers hebben het recht om te vergeven.”

Uw boek roept veel morele vragen op, maar is tegelijkertijd buitengewoon mild. Er is geen Groot Kwaad.

“Nee, er is zwakheid en een al te menselijk mengsel van motieven, en sommige daarvan zijn niet verwerpelijk. Er was ook enig idealisme. De een deed het om geld, een ander werd gechanteerd, iemand deed het uit ambitie. Het zijn dezelfde motieven die ook in onze maatschappij spelen.”

Je moet wel aardig zelfverzekerd zijn om zo'n boek te schrijven.

“Het is riskant. Het is moeilijk een toon te vinden om over jezelf te schrijven die niet behaagziek of pochend is. Mijn dossier was heel bescheiden, het is gewoon een venster op verschillende ervaringswerelden.”

U vraagt zichzelf in het boek hardop af of u wel het recht hebt in de levens van uw informanten te treden. Waarom hebt u het dan uiteindelijk toch gedaan?

Lange stilte. “Ik denk dat het antwoord is: On s'engage et puis on voit. Halverwege de reis ontdekte ik dat de morele dilemma's de moeite van het beschrijven waard waren. Maar als ik de kans grijp die de geheime politie me geeft om andere mensen te bespioneren, dan is het alleen eerlijk als ik ook mijn eigen leven bespioneer. Zo beschrijf ik hoe ik als student ooit met de gedachte heb gespeeld zelf bij de geheime dienst te gaan. Wat ik wil zeggen is dit: Michaela uit Weimar (een van de IM's uit Garton Ash's dossier - LS) vindt het heel moeilijk om iemand uit het Westen uit te leggen hoe de wereld er uit zag door de ogen van iemand die alleen dat systeem kende, hoe ze uiteindelijk ging collaboreren. Net zo moeilijk is het voor mij om uit te leggen aan een Poolse vriend hoe de wereld er uit zag voor een 25-jarige Oxford undergraduate. De vraag die je je moet stellen is hoe je buiten de normen kunt treden waarmee je bent opgevoed.”

Wat trof u het meest bij de informanten?

“Ze waren heel verschillend, hadden allen hun eigen verhaal. Wat ze gemeen hadden was dat ze geen van allen kwaadaardig waren. Ook de motieven van de Stasi-officieren waren totaal begrijpelijk. Ik was zeer geïnteresseerd in mijn Britse informant, Smith. Want je vraagt je toch altijd af hoe wij ons zouden gedragen als Engeland een politiestaat was. Zijn zelfmisleiding was fascinerend. Hij werd gechanteerd met zijn Oostduitse vrouw en kind, hij was bang dat ze hem alleen het land zouden uitzetten. Dat is zeer begrijpelijk. Maar in de loop van de jaren bouwde hij voor zichzelf een rationalisering op voor zijn gedrag: aangezien Oost-Duitsland geen civil society had, zou hij die door zijn gedrag mede vorm proberen te geven. Dus schreef hij algemene verhandelingen aan de Stasi. Het was zo belachelijk, maar tegelijkertijd ook zo menselijk.”

Als u tegenover uw informanten zat, waren ze feitelijk in uw macht. U besloot of u hun misstappen aan de openbaarheid prijs zou geven.

“Jazeker, je erft de macht van de Stasi.”

Waren er momenten dat u ze haatte? U bent zo typisch Engels, zo koel, zo vol begrip, als een goede vader. Echt schade hebben ze u natuurlijk ook niet berokkend.

“Ja, dat is heel belangrijk. Als je tegenover je 'slachtoffers' zit in 1995, dan zie je hun verloren, geruïneerde levens. Sommigen zijn wanhopig verarmd. Als ik hun slachtoffer was geweest zoals sommige van mijn Duitse vrienden, zou ik minder begripvol zijn geweest. Michaela's stiefdochter was veel harder over haar dan ik. Maar juist het feit dat ik geen slachtoffer ben geeft me de kans om me van een oordeel te onthouden. De enige die ik echt had willen zien hangen was generaal Kratsch, die me met zijn geknepen varkensoogjes aankeek als hij beschreef hoe ze iemand arresteerden, ondervroegen en vervolgens doodschoten.”

U bent heel kritisch over de generatie van '68. U noemt ze ergens 'hysterisch, egocentrisch en narcistisch'. Ze schreven 'geïdealiseerde artikelen over Oost-Duitsland die neerkwamen op zeer uitgebreide misvattingen van hun eigen land', schrijft u. U stond aan de 'goede kant' - maar u zegt zelf dat dat toeval was.

“Vergeet niet dat die karakterisering dateert van 1979, 1980, toen ik de Westberlijnse intellectuelen als student ontmoette. Ik denk er nu niet meer precies hetzelfde over. Het is een zegen dat de 68'ers in 1968 niet aan de macht zijn gekomen, want ze zaten vol illusies. Maar ik denk dat het nu, dertig jaar later, een hele rijke generatie is. Het is als een wijn die niet te snel gedronken moet worden. Ze maakten zich tenminste ergens druk om. Ze hebben een aantal heel gepassioneerde ervaringen gehad. Als je je afvraagt waarom je vaak zoveel interessantere mensen treft in Oost-Europa dan in het Westen, dan is dat om dezelfde reden: ze hebben meer extreme, intense ervaringen gehad.”

Toch beschouwt u zichzelf ook als een geëngageerde historicus.

“Absoluut, ik ben altijd een spectateur engagé geweest.”

Dat klinkt niet erg Oxfords.

“Nee, ik ben misschien wat geëuropeaniseerd, gecontinentaliseerd. Maar ik vind wel dat je daar expliciet over moet zijn. Iedereen heeft zijn eigen vooringenomenheid. Niemand die mijn geschiedenis van Solidariteit leest kan eraan twijfelen dat ik Solidariteit steunde. En mijn romantisch enthousiasme van een twintigjarige viel daar gemakkelijk op zijn plaats. Maar ik heb gewoon geluk gehad. Als ik vijf jaar ouder was geweest was ik waarschijnlijk naar Vietnam gegaan, zoals mijn vriend de dichter James Fenton, en zou waarschijnlijk uit woede jegens de Amerikanen de Vietcong en de Khmer Rouge hebben gesteund. Om dan later wakker te worden en te ontdekken dat je Pol Pot hebt omarmd.

“Er zit een kern van waarheid in die grap dat je iemand die voor zijn dertigste niet links was, niet serieus kunt nemen, evenmin als iemand die het na zijn dertigste nog is. Ik denk dat het belangrijk is om 'je Berlijn' te vinden, je ergens druk over te maken. Geef mij maar iemand die uit idealisme een fout heeft gemaakt. Dat zie ik liever dan de anemische carrièristen die ik nu vaak onder mijn studenten op St. Anthony's College in Oxford tref.”

Maar moet een journalist of een historicus niet objectief zijn?

“Nee, je moet zo accuraat mogelijk zijn, zo eerlijk mogelijk, en zo expliciet mogelijk over je eigen vooringenomenheid. Objectiviteit is een onbereikbaar ideaal. Het gaat veeleer om accuratesse, eerlijkheid en fantasievolle invoelendheid. Er wordt te veel ophef gemaakt over die zogenaamde Chinese muren tussen de academische wereld en de journalistiek. Die twee beroepen doen ongemakkelijk over elkaar. Er is veel afgunst. Mijn werk ligt op de grens tussen geschiedenis en journalistiek. George Kennan noemde het in een bespreking de geschiedenis van het heden.”

Is het mogelijk om in de buurt van de waarheid te komen?

“Je laveert tussen Scylla en Charibdis. De Scylla is het oude negentiende-eeuwse positivistische geloof dat er maar één enkele Waarheid is, met een hoofdletter. En de Charibdis is het postmoderne relativerende idee: anything goes. Iedereen heeft zijn eigen persoonlijke waarheid, waarheid is subjectief, iedere herinnering is evenveel waard. Tussen deze twee kliffen in liggen de historische feiten. Iemand was een informant of niet, iets gebeurde op een bepaalde dag of niet.

“Dat zijn feiten die de goede journalist of historicus moet vaststellen. Maar de betekenis daarvan is een zaak van dispuut en interpretatie. En juist omdat de interpretatie continu verandert, is het een illusie te denken dat je als een conventioneel academisch historicus dertig jaar moet wachten totdat de archieven opengaan om op een of andere manier de waarheid boven tafel te krijgen. Veel geschiedenis gaat verloren in de loop van die dertig jaar. Tijdens de Fluwelen Revolutie in Praag was ik de enige westerling in de directe omgeving van Havel en zijn collega's. Ik dacht: als ik dit niet opschrijf gaat het verloren.”

Uw hart ligt in Polen, niet in Duitsland! Het hoofdstuk waarin u uw ervaringen met de Poolse oppositie beschrijft is veel emotioneler. U zegt ergens: Polen was mijn Spaanse burgeroorlog.

“Ik was verliefd op Polen, zoals veel mensen met een licht romantische inslag. De humor, de moed en natuurlijk tweehonderd jaar de positie van de underdog. Maar vergeet niet dat ik mezelf beschrijf in 1980. Als je het me nu vraagt: er zijn veel dingen die me tegenstaan in de Engelsen. Ze zijn snobbish, pretentieus, zelfgenoegzaam, klassegebonden. Maar ik hou van Engeland. Hetzelfde geldt voor Polen en Duitsland.”

Wat bevalt u aan Duitsland?

“Ik ben dol op de taal, de literatuur, de wetenschappelijkheid, de reflexie, de moeilijkdoenerij van de Duitse intellectuele traditie. Dat is een constante bewondering. De aantrekkingskracht van Duitsland is de combinatie van grote schoonheid en groot kwaad. Goethe en Buchenwald. Het is makkelijker om van Polen te houden, het is geestiger, warmer. Ik heb dat hoofdstuk over Polen bewust zo opgeschreven: ik kwam vanuit die geconstipeerde, gespannen, grauwe DDR, waar iedereen met gebogen hoofd liep, naar het bevrijde Polen, net na het bezoek van de paus, waar mensen in de kerk George Orwell lazen en allerlei vreselijk grappige protesten organiseerden. Het contrast was enorm groot.”

Wat is de rol van de dissidenten geweest in de geschiedenis van Oost-Europa?

“Ze waren heel verschillend. Als hier morgen een politiestaat zou zijn zou je niet kunnen voorspellen wie de dissident, wie de informant en wie de partijman zou zijn. Maar het staat buiten kijf dat zij de weg hebben geplaveid voor de fluwelen revoluties van 1989. Er is een logische sequens van de organisatie van de burgerbewegingen, via de filosofie van sociale zelforganisatie naar de onderhandelingsrevoluties van 1989. De dissidenten waren de partners met wie de regering kon onderhandelen. Het model van refolution, een combinatie van hervorming en revolutie, dat zij hebben ontwikkeld, heeft een betekenis gehad die Europa oversteeg. Ik kom net uit Zuid-Afrika. Daar heeft ook een refolutie plaatsgevonden. Aung San Suu Kyi van Birma leest Havel. Het model van politieke verandering van 1989 heeft 1789 vervangen en wordt over de hele wereld toegepast.”

Het waren overigens niet allemaal prettige jongens, die dissidenten.

“Dat is waar. Waar vind je de moed om op te staan tegen een systeem? Dat zijn meestal erg gepassionneerde, sterke persoonlijkheden, vaak patriottistisch of noem het nationalistisch. Voordat Stauffenberg voor de aanslag op Hitler werd doodgeschoten riep hij: Es lebe das heilige Deutschland! Dat is toch onvoorstelbaar? En Walesa ontpopte zich na 1990 als een felle Poolse nationalist. Het is een logische paradox. Maar Havel is totaal anders. Je kunt niet generaliseren.

“Trouwens: over herinnering gesproken. Vergeet niet dat tot in 1985 toe, als je naar een conferentie van beleidsmakers in het Westen ging, de meerderheid ervan overtuigd was dat de deling van Duitsland nog minstens twee generaties duren zou en dat de dissidenten gek waren. Daar heb ik me altijd tegen verzet. Ik vond ze niet alleen moreel bewonderenswaardig, maar ook politiek belangrijk. Er zijn ook gewoon dissidenten geweest die als martelaren anoniem ten onder zijn gegaan, maar in Centraal-Europa hebben ze een belangrijke rol gespeeld.”

Heeft de Top van Amsterdam de toetreding van de Oost-Europese landen tot de Europese Unie dichterbij gebracht?

“We zijn in 1991, in Maastricht, in de verkeerde bus gestapt. Dit was niet het antwoord op het einde van de Koude Oorlog. We gaan uit van een gemeenschappelijk Europees huis, dat veertig jaar in tweeën gedeeld is door een muur. De muur gaat neer en wat doen wij: in plaats van te proberen Oost-Europa weer een dak te geven, beginnen we met de computerisering van de airconditioning in het westerse gedeelte van het huis die al heel goed functioneert. Er is geen dreiging van oorlog tussen Frankrijk en Duitsland. Er is een imminente dreiging van oorlog tussen Servië en Kroatië. Als je het belangrijk vindt om een Europese gemeenschap te hebben die ervoor moet zorgen dat mensen elkaar niet bevechten, en dat vind ik, dan had het je prioriteit moeten zijn om naar het oosten te kijken. De Eurotop is weggelopen voor het enige echt grote onderwerp: hoe bereiden we ons voor op een eenheid van 20, 25 lidstaten?”

Het argument is altijd dat de Oost-Europese landen er niet klaar voor zijn.

“Het hangt er maar van af hoe je dat definieert. Als je vraagt of ze alle 2954 Europese richtlijnen hebben geïmplementeerd, nee godlof niet, wij zouden ook wel met wat minder toekunnen. Maar als je vraagt of ze stabiele democratieën zijn met een min of meer werkend rechtstelsel en een groeiende markteconomie dan is het antwoord ja. We hebben een hoop tijd verloren. Ik ben een optimist van hart en een pessimist van geest. Volgens mij staan ons nog zware tijden te wachten. En over tien jaar zullen historici, terugblikkend, zeggen: waar dachten die in godsnaam mee bezig te zijn?”