Breedtesport krijgt genoeg subsidie

Een jaar geleden waren de Olympische Spelen in Atlanta. Met negentien medailles presteerde Nederland uitstekend. Sportbestuurlijk Nederland heeft toen kennelijk gedacht: met onze topsport zit het wel goed, laten we ons nu op de breedtesport richten. En dus inventariseerde de sportkoepel NOC*NSF onlangs in een nota de knelpunten. Die liegen er niet om: sportverenigingen kampen met ledenverlies, een tekort aan vrijwillig kader en een slechte financiële situatie.

In NRC Handelsblad van 7 juni onderstreepte NOC*NSF-voorzitter Huibregtsen de mineurstemming. De mogelijkheden voor sportbeoefening op lokaal gebied brokkelen volgens hem af. De politiek zou méér aan de breedtesport moeten doen. Is dat nu zo?

In de eerste plaats moet het ledenverlies in historisch perspectief worden gezien. De afgelopen vijfendertig jaar is de groei van de georganiseerde sport sterker geweest dan die van de bevolking. Aan dat proces komt natuurlijk een keer een eind. Met 4,5 miljoen sporters lijkt dat eind in zicht. Dat is vervelend voor de sport en dat moet de sport zeker bestrijden. Maar voor het overige zijn die grenzen aan de groei toch vooral een natuurlijk proces, waarbij ook de politiek het nakijken heeft.

In de tweede plaats is het maar de vraag in hoeverre de mogelijkheden voor sportbeoefening op lokaal gebied afbrokkelen, zoals Huibregtsen beweert. De sportinfrastructuur in Nederland bestaat niet alleen uit verenigingen. Er zijn ook nog sportaccommodaties. Volgens het Statistisch Jaarboek 1997 van het CBS is het aantal sportzalen, sporthallen, overdekte zwembaden en openlucht-sportvoorzieningen tussen 1988 en 1994 met enkele honderden toegenomen. Van die voorzieningen hebben we er nu ruim zesduizend. Alleen het aantal openlucht- en combi-baden daalde. Voorwaar beschikken we in dit kleine landje nog steeds over een bestand, waar menigeen in de wereld jaloers op zal zijn. Een constatering die evenmin méér politieke steun rechtvaardigt.

In de derde plaats zijn veel van de problemen waarmee de sport kampt het gevolg van autonome ontwikkelingen. Zo is het gigantische ledenverlies van een sport als handbal (bijna 30 procent in nog geen tien jaar tijd) vooral terug te voeren op demografische en sociaal-culturele veranderingen. Ouderen geven nu eenmaal de voorkeur aan sporten zoals zwemmen en fietsen. En teamsporten hebben het grosso modo moeilijker dan individuele sporten. Het zij zo, sporten komen en sporten gaan. Ook hier kan de politiek weinig aan doen.

Is er dan geen enkele reden voor méér politieke steun voor de breedtesport? Toch wel. De afgelopen jaren is de sport geconfronteerd met een aanzienlijke lastenverzwaring. Zowel financieel als administratief. Uit onderzoek blijkt dat die financiële lasten vooral het gevolg zijn van bezuinigingen van gemeenten. Die hebben geleid tot de afschaffing van subsidies, tot hogere tarieven en tot een stijging van lokale lasten en heffingen. De administratieve rompslomp wordt veroorzaakt door nieuwe wetgeving op het gebied van milieu, belastingen, horeca, arbeidsomstandigheden en werkgelegenheid. Je moet tegenwoordig al bijna een hogere managementopleiding hebben gevolgd om een sportvereniging te kunnen besturen.

Er is veel voor te zeggen de financiële en administratieve lastenverzwaring voor de sport een halt toe te roepen. De verlaging van de collectieve lastendruk in de afgelopen jaren is aan veel sportclubs voorbijgegeaan. Hogere contributies zijn het gevolg. En hoewel er nog geen signalen zijn dat mensen massaal vanuit financiële motieven afhaken, is uit onderzoek bekend dat bezuinigingen op sport het meest voorkomen bij mensen met een smalle beurs.

Administratieve lastenverlichting in de sport is gerechtvaardigd, omdat de sector goeddeels op vrijwilligers draait. Die zijn sowieso al steeds moeilijker te vinden. Maar als de wettelijke verplichtingen voor de sport zich blijven opstapelen, dan is er straks helemaal niemand meer te vinden die iets zonder vergoeding in een bestuur wil doen.

Terug naar de kernvraag: moet de politiek méér doen aan de breedtesport? Het antwoord luidt: ja en neen. Ja, de politiek moet zich méér inspannen om het de sport vooral niet moeilijker te maken dan zij het al heeft. Waarom zou een zware interdepartementale commissie, aangevuld met vertegenwoordigers van de sport, niet eens beginnen met het inventariseren van de mogelijkheden voor administratieve lastenverlichting? En waarom zouden gemeenten zich ook niet eens bezinnen op de financiële kant van dit verhaal?

Néén, de politiek hoeft de beoefening van de breedtesport niet te stimuleren met méér subsidies. Er mogen allerlei redenen zijn om wèl extra in de sport te investeren, maar niet in de bevordering van de breedtesport. We hebben voldoende accommodaties. Iedereen die dat wil, kan in dit land sporten. Daar komt bij: autonome ontwikkelingen laten zich moeilijk met geld bestrijden. Voor zover die ruimte er wel is (door fusie van verenigingen, door de vorming van omni-vereningen of door professionalering), ligt hier een taak van de sport zelf. Niet van de politiek.