Bij een roman telt alleen het resultaat

J.J. Voskuil misbruikt zijn schrijftalent, oordeelde Hans Werdmölder eerder deze maand op deze pagina naar aanleiding van Voskuils romancyclus 'Het Bureau'. Arnon Grunberg is het geheel met Werdmölder oneens. Een roman zonder boosaardigheid is als eten zonder zout, zonder peper, en zonder knoflook. Waarom aan 'Het Bureau' geen ethische aspecten zitten.

Kent een roman naast esthetische ook ethische aspecten? Dr. H. Werdmölder meent van wel, in NRC Handelsblad van 10 juni wil hij vragen stellen over de ethische aspecten van de romancyclus Het Bureau van J.J.Voskuil.

Die vragen kwamen erop neer dat Werdmölder Voskuil verweet zijn romans te hebben geschreven uit rancune en zelfverheldering. Hij verweet Voskuil een klimaat van vertrouwen te hebben geschonden. Hij verweet Voskuil dat die zichzelf en zijn medewerkers als een stelletje ongeïnspireerde, wezensvreemde en ambitieloze kantoorklerken heeft neergezet. Hij verweet Voskuil medeverantwoordelijk te zijn voor opheffing van een wetenschappelijk instituut. Hij verweet Voskuil dertig jaar aan het hoofd van een afdeling te hebben gestaan en vervolgens de medewerkers van die afdeling en zijn echtgenote belachelijk te hebben gemaakt. En ten slotte verweet hij Voskuil over iemand te hebben geschreven dat diegene een slap gezicht heeft.

Een voor een wil ik de ethische aspecten van deze roman in het bijzonder en alle romans in het algemeen met u doornemen. Over de motieven van een schrijver kunnen wij weinig tot niets weten. Werdmölder voert dan ook, heel verstandig, geen argumenten aan waaruit blijkt dat Voskuil zijn romans uit rancune en zelfverheldering heeft geschreven. Maar zelfs als Werdmölder gelijk heeft, is het een volstrekt niet ter zake doend argument. Een roman is geen moord of een diefstal, waarbij voor de rechtbank de motieven van de verdachte worden besproken om strafvermeerdering of strafvermindering te bepleiten.

Bij een roman telt alleen het resultaat. Of ik mijn boeken uit verveling, rancune, geldzucht of pure gekte heb geschreven, zegt niets over die boeken, en leidt ook niet tot beter begrip van die boeken. De vraag naar de motieven van een schrijver is net zo waardevol als de vraag waarom uw goudvissen in de nacht van zondag op maandag gepaard hebben.

Nu het klimaat van vertrouwen, dat Voskuil geschonden zou hebben. Ik ben van mening dat op deze wereld geen klimaat van vertrouwen heerst en kan dit met argumenten staven. Een klimaat dat niet heerst kan ook niet worden geschonden. Wellicht dat dat klimaat in de hemel heerst, maar hier op aarde niet, en al helemaal niet, zoals Werdmölder stelt, op de werkplek.

Maar mag een schrijver iets dat hem in vertrouwen wordt verteld zomaar opschrijven? Ja, mits hij dat maar in een roman doet. Een roman is nog altijd een roman, geen ooggetuigenverslag of een proces-verbaal, maar een verzinsel waarin andere mensen (kunnen) gaan geloven. Om verwarring te voorkomen doet een schrijver er misschien goed aan namen, adressen, geboortedata e.d. te veranderen.

Een paar jaar geleden schreef ik over het Vossius Gymnasium in Amsterdam. Op een feestje stevende mijn voormalige geschiedenisleraar op mijn uitgever af en zei: “Die jongen heeft alles verzonnen.”

Had ik ooit iets anders beweerd? Is het wel eens bij iemand opgekomen dat een schrijver niet de vorm van een bekentenis kiest, omdat hij iets te bekennen heeft, maar omdat het de meest natuurlijke vorm is die hem ter beschikking staat. In een café begin je zelden een gesprek met: “Toen Evert-Jan die zondagochtend om half elf wakker werd had hij een barstende koppijn en een zure smaak in zijn mond.”

Of ze op het Vossius Gymnasium blij zijn geweest met mijn boek is mij onbekend. Anders dan ik stiekem gehoopt had, hebben ze mijn portret niet in de lerarenkamer opgehangen. En een lerares heeft mij laten weten dat mijn roman van weinig dankbaarheid getuigde. Maar romans zijn niet bedoeld om van dankbaarheid te getuigen. Als ik dankbaar was geweest had ik ze wel een bos bloemen gestuurd of een mooie taart.

Een roman zonder boosaardigheid is als eten zonder zout, zonder peper, en zonder knoflook.

Mag je jezelf en je medewerkers als een stelletje ongeïnspireerde, wezensvreemde, ambitieloze kantoorklerken afschilderen? Ongetwijfeld was Werdmölder zeer tevreden geweest als Voskuil zijn medewerkers iedere ochtend eerst een uur ochtendgymnastiek had laten doen en tijdens de lunchpauze van pure vreugde kleiduiven had laten schieten.

Straks krijgen we te horen dat Kafka via Samsa zichzelf als reusachtig insect heeft afgeschilderd, en aangezien Kafka een jood was, kunnen straks mensen - en onschuldige schoolkinderen - gaan denken dat joden reusachtige insecten zijn. Dat is waar je op uitkomt met Werdmölder, en dat moet voorkomen worden. Heeft een schrijver dan de totale vrijheid? Nee, natuurlijk niet, een wielrenner heeft stukken meer vrijheid dan een schrijver. Een wielrenner hoeft alleen als eerste over de finish, een schrijver moet aan allemaal esthetische eisen voldoen. Maar niet aan ethische eisen.

Tucholsky klaagde vlak voor zijn zelfmoord dat hij met zijn miljoenenoplagen nog niet eens de kleinste politieagent van zijn post had kunnen krijgen. Maar nu zou Voskuil verantwoordelijk zijn voor de sluiting van een wetenschappelijk instituut. Straks wordt het Vossius opgeheven en dan stelt Werdmölder mij verantwoordelijk.

Als morgen iemand met mijn boeken in zijn hand een moord begaat en later verklaart dat hij geïnspireerd geraakt is door mijn boeken, ben ik dan medeverantwoordelijk voor die moord? Ik geloof van niet. Een schrijver is niet verantwoordelijk voor mensen die slecht lezen en de wetten van een roman negeren.

Ik geef toe dat Voskuil voor verwarring heeft gezorgd door in een interview te verklaren dat hij “garant staat voor de informatie in zijn boeken”. Een romanschrijver kan nergens garant voor staan, de boeken spreken voor zich, en als ze dat niet doen, is dat jammer.

Werdmölder verwijt Voskuil dertig jaar aan het hoofd van een afdeling te hebben gestaan. Hadden de ethische aspecten er anders uitgezien wanneer Voskuil een werkster was geweest? Kan een werkster minder vertrouwen schenden dan het hoofd van een afdeling? In welke wereld leeft Werdmölder?

En als Wermölder gelijk heeft en de voormalig medewerkers van Voskuil Voskuil kunnen schieten, Voskuil heeft ze niet monddood gemaakt. Ze kunnen zelf schrijven, en als ze dat niet kunnen, laat ze een ghost writer inhuren. Als Voskuils versie van de werkelijkheid volgens hen niet klopt, staat het ze vrij hun eigen versie van de werkelijkheid te geven, misschien is die zelfs wel boeiender dan die van Voskuil.

Want er zijn natuurlijk wel vragen te stellen over Het Bureau, alleen niet de vragen die Werdmölder stelt. Zo vraag ik me af of de monotonie van Voskuil beoogd is of onmacht? En of zeven delen over Maarten Koning niet te veel van het goede zijn? Zelfs zeven delen over Bovary had ik niet aangekund. En of het opzet is dat de dialogen van Voskuil net zo natuurgetrouw, maar ook net zo spannend zijn als een pak Bio-Tex? Maar dat zijn allemaal vragen die niets met ethische aspecten te maken hebben.

Als mijn vriendin ooit een boek publiceert over de jaren die wij samen hebben doorgebracht hoop ik dood te zijn. Mocht dat niet het geval zijn, dan zal ik noch zelfmoord noch een moord plegen. Ik zal mij dan net zo ridderlijk gedragen als mijn leraren op het Vossius. Net als bij een bokswedstrijd zijn de regels duidelijk en voor iedereen gelijk.

Moet een schrijver zijn prooien waarschuwen? Dat misschien ooit onder andere naam over ze geschreven zal worden dat ze een 'slap hoofd hebben'.

Ik ben sinds kort begonnen de mensen in mijn omgeving in te lichten. Ik vertel ze het volgende: “Je moet weten dat ik een schoft ben. Volgens sommigen zelfs een grote schoft. Ik speel met de gevoelens van mijzelf en niet die van anderen. Men kan mij niet erger beledigen dan door over mij te vertellen dat ik een lieve gevoelige jongen ben, want meer dan wat dan ook ambieer ik een schoft te zijn. Als je elk contact met mij wilt verbreken, vind ik dat alleen maar begrijpelijk.”

Wie nu, zoals ik, dacht dat deze biecht tot eenzaamheid zou leiden heeft het mis. Men verkeert op deze wereld kennelijk graag in het gezelschap van schoften. Schoften zijn meer in trek dan heiligen. Helemaal als het gaat om schoften met geld. Alleen al deze op de werkelijkheid gestoelde ervaring maakt de vraag naar 'de ethische aspecten van een literaire onderneming' belachelijk.

In Ik heb altijd gelijk uit 1951 schreef W.F. Hermans het volgende: “Er zijn helemaal geen geestelijke waarden! Geestelijke waarden, dat is alleen iets voor mensen die geen materiële waarden te pakken kunnen krijgen. Of voor mensen die te veel materiële waarden bezitten en te lui zijn er verder moeite voor te doen! Dat zijn geestelijke waarden”.