BEZETEN KRABBERTJE WIL DIKKE DIJEN

De Australische Nederlander Patrick Jonker (28) fietst dit jaar met een licentie van de KNWU. Morgen maakt hij zijn rentree bij het NK in Meerssen. Afgelopen week toonde hij een stijgende vorm met de eindzege in de Route du Sud. In theorie is hij vanaf volgende week de beste Nederlander in de Tour de France. De Iceman hoeft in elk geval nooit meer aardbeien te plukken.

Wielrenners uit Canada, Australië en de Verenigde Staten zijn doorgaans ruwe bolsters die niet snel in de remmen knijpen. Uitdagende types als Steve Bauer, Phil Anderson en Greg Lemond kwamen als tiener met een rugzakje naar Europa, waar ze de traditionele wielerwetten naar eigen inzichten interpreteerden. Ze waren de cowboys van het peloton, de lievelingen van het publiek. Ze hebben de ouderwetse wielersport een nieuwe dimensie gegeven. Minder kneuterig, meer commercie.

Patrick Jonker had als kind een poster van Ajax en een poster van Anderson boven zijn bed hangen. Als wielrenner is hij minder brutaal en minder charismatisch dan zijn fietsende landgenoot. Hij heeft het karakter van zijn Nederlandse vader Evert Jonker, zelf een verdienstelijke amateur in de jaren vijftig en zestig. Vanuit Australië houdt senior de ontwikkelingen van junior nauwlettend in de gaten.

“Ik heb vroeger gedroomd van de prestaties die Pat nu levert”, klinkt het door een krakende telefoonlijn. “Als kleine jongen was hij een krabbertje, maar wel eentje met heel veel doorzettingsvermogen. Na een koers ging hij rustig in de brandende zon een paar uur aardbeien plukken. Dat zie ik een Nederlandse wielrenner niet zo gauw doen. De trainers hier noemden hem de Iceman, ze konden geen hoogte van hem krijgen. Pat is gewoon een individualist die lekker zijn eigen gang gaat.”

Patrick Jonker is geboren in Amsterdam en verhuisde na anderhalf jaar naar Adelaide, waar zijn moeder was opgegroeid. Hij leerde wielrennen in Australië, hij kreeg koersinzicht in Europa. Net als zijn vader spreekt hij Nederlands met een Engels accent. Hij praat met vertedering over zijn oude vak van elektricien. Tijdens het gesprek hoeft de interviewer slechts een paar vragen te stellen. Jonker praat alsof hij een lange tijdrit rijdt: in een moordend tempo, met de blik op oneindig.

“Ik werkte in de bouw in Australië toen ik besloot naar Europa terug te gaan. Acht uur werken in de bouw is namelijk net zo zwaar als een hele dag op de fiets zitten. Ik kwam als achttienjarige terecht bij de amateurclub Aubervilliers, net buiten Parijs. We zaten met vier man in een klein flatje en moesten het huishouden zelf doen. We werden betaald naar de uitslagen. Als je niks won, kreeg je ook geen geld. Dan moest je lenen van je vrienden die wel gewonnen hadden. In dat half jaar heb ik geleerd dat het geld niet aan de bomen groeit.”

Stéphane Javalet, zijn jeugdtrainer bij Aubervilliers, werd deze week in de Franse sportkrant l'Equipe herinnerd aan zijn oud-leerling. “Patrick was helemaal bezeten van de fiets. Zeer geconcentreerd en altijd dingen willen verbeteren. Ik heb hem nog wel eens zien huilen in dat kleine appartement, nadat hij weer eens een koers had verloren.” Javalet roemt het trouwe karakter van zijn leerling. “Ik krijg nog altijd ansichtkaarten van Patrick. Een gouden jongen.”

Jonker woont afwisselend in Maastricht, Etten-Leur en het Australische Morphett Vale, waar zijn ouders bivakkeren. Hij heeft geen moderne villa in een belastingvriendelijk land, zoals de meeste professionele wielrenners. Een luxe omgeving zegt hij niet te missen, wel een basis waar hij zijn materiaal kan opslaan. “Ik ben zo vaak op reis, ik voel me nergens echt thuis. In de toekomst zou ik wel in Limburg willen wonen. Daar kun je ideaal trainen en heb je een vliegveld in de buurt. En de Alpen zijn ook niet ver weg.”

Hij noemt zichzelf een renner van het type Erik Breukink, zijn ploeggenoot bij Rabobank. Hij kan goed klimmen en redelijk tijdrijden. Hij staat vooral bekend om zijn tactisch inzicht. Een belangrijke ontsnapping zal hem niet gauw ontgaan. Hij mist de explosiviteit van de beste klimmers, hij mist de kracht van de beste tijdrijders. Jonker is een gedegen subtopper die zich eerder op het klassement dan op de dagprijs richt. “Ik ben geen winnaarstype. Een etappe winnen spreekt de mensen in de straat veel meer aan, maar als je een goed klassement rijdt, wordt dat in wielerkringen hoger aangeslagen. Dan komt er minder geluk en meer kwaliteit bij kijken. Het respect in het peloton is groter als je een keer bij de eerste twintig bent geëindigd.”

Hij werd beroepsrenner in 1993, nadat Peter Post hem een stageplaats had aangeboden bij Histor-Novemail. Toen de Franse sponsor en de Nederlandse ploegleider zich twee jaar later terugtrokken, tekende Jonker een lucratief contract bij de Spaanse Once-formatie. Hij werd de meesterknecht van Alex Zülle en Laurent Jalabert. Toen het favoriete tweetal vorig jaar op een kansloze achterstand was gereden in de Tour, mocht de waterdrager voor zijn eigen kansen rijden. Hij werd twaalfde in het eindklassement en was daarmee de beste 'Nederlander'. Hij reed nog met een Australische licentie.

In de Tour kwam Jonker tot de conclusie dat hij kracht ontbeerde in het hooggebergte. In die wetenschap heeft hij afgelopen winter als een bezetene aan de gewichten getrokken. Als de krachttraining maar niet ten koste van zijn souplesse gaat. “Ik heb me meer op de grote versnellingen geconcentreerd. In de Tour komt het daar op aan. Op de eerste dag in de Pyreneeën kun je er met hangen en wurgen bij zitten, maar vanaf de tweede dag zetten de beste klimmers een tandje groter. Dan spelen ze met je.

“Als je van nature minder sterk bent, moet je het in de training compenseren. Ik heb deze winter negenduizend kilometer getraind in Australië. Lekker zonnetje, mooie blauwe lucht, dan gaat het bijna vanzelf. Sommige jongens worden te zwaar als ze aan krachttraining doen. Ik weeg nog steeds 69 kilo. Mijn vetpercentage is ook hetzelfde gebleven. Mijn longinhoud en mijn hart zijn groot genoeg, maar ik zou best een paar dikke dijen kunnen gebruiken.

“Een renner als Zülle vliegt op de fiets, zelfs als hij net van de sportschool komt. Ik moet eerst een paar wedstrijden in de benen hebben. In het begin van het seizoen voelde ik me heel stroef door de krachttraining. Toen reed ik 'vierkant'. Natuurlijk ga je dan twijfelen of je wel verstandig hebt getraind. Door de vorm van de laatste weken heb ik weer vertrouwen gekregen. Het lichaam voelt weer lekker aan.”

Hij is zich bewust van het gevaar van alle inspanningen. Het lichaam van een wielrenner is niet altijd bestand tegen de zware versnelling. “We werken op de rand, we moeten uitkijken dat het niet te gek wordt. We moeten oppassen dat de knieën en de achillespezen niet kapot gaan. Ik zorg ervoor dat ik nooit te veel 'in het rood' fiets. De meeste Nederlanders zijn geslepen renners, die rijden niet door het lint heen zoals de Australiërs.”

Wielrenners die kunnen klimmen en tijdrijden concentreren zich van oudsher op de maand juli. Alle andere wedstrijden zijn afgestemd op de Tour de France. De voorjaarsklassiekers gelden als warming-up, de kleine rittenkoersen als eerste testcase. Een griepje of een lichte verwonding kan de voorbereiding op de Tour danig verstoren. Jonker kwam vorige maand ten val in de Midi Libre, maar de knieblessure is inmiddels genezen. Zijn overwinning in de Route du Sud, afgelopen week in Zuid-Frankrijk, was een morele opsteker. “Zo vaak kom je als wielrenner niet in aanmerking voor een overwinning. Elk jaar krijg je een paar kansjes. En die moet je pakken.”

In de Tour zal hij in de eerste week “moeten overleven”. In de vlakke etappes hebben de klimmers doorgaans moeite hun ritme te vinden. Na negen dagen volgt de eerste serieuze bergetappe. “In de Pyreneeën moet ik goede benen hebben. Als je de eerste vijf kilometer van de eerste beklimming in de Tour een goed gevoel hebt, krijg je moraal. Maar als het niet draait, gaan er dingen door het hoofd spoken. Dat is een verschrikkelijk gevoel.”

Jonker gokt op een plaats bij de eerste tien in het eindklassement. Niet dat hij tot de tien beste ronderenners ter wereld behoort, maar er zijn altijd wel “een paar mannen die door het ijs zakken”. De Oostenrijker Peter Luttenberger is de beoogde kopman van de Raboploeg. Hij werd vorig jaar vijfde in de Tour, waar hij opzien baarde door zijn soepele tred in het hooggebergte. Luitenant Jonker is meer een aanklamper dan een rasklimmer. Hij heeft geen moeite met een plaats op het tweede plan. Rijdend in Spaanse dienst heeft hij de knechtenrol aardig leren doorgronden.

“Om kopman te zijn moet je een dikkere erelijst hebben. Een ploeg kan zich niet opofferen voor iemand die twaalfde wordt in de Tour. Maar ik heb dit jaar veel meer vrijheid dan bij Once. Nu moet ik bewijzen dat ik de beschermde rol waard ben. De puzzel moet in elkaar passen. Luttenberger heeft de capaciteiten om op het podium te komen. Dat heeft hij de laatste jaren bewezen. Hij is jonger en hij heeft bergetappes gereden die ik nog nooit heb gereden.

“Jonge renners die meteen naar de top schieten zijn op hun 28ste vaak opgeblazen, terwijl ik mijn hoogtepunt nog niet bereikt heb. Ik moet mij spiegelen aan Bjarne Riis en Tony Rominger, die zijn ook pas op latere leeftijd doorgebroken. Eigenlijk kom ik pas net kijken. Ik moet me erbij neerleggen dat ik langzaam verbeter. Aan de andere kant kan ik niet tot mijn 35ste wachten met een hoge klassering. Het woord toekomst geldt niet meer voor mij.”

Volgens vader Evert zit de wielrenner Patrick Jonker nog niet aan zijn plafond. “Hij heeft veel meer talent dan ik vroeger had. Persoonlijk denk ik dat hij nog een jaartje moet wachten op een groot succes. Hij is nog niet volgroeid.” Vanuit het winterse Australië zal Evert Jonker de verrichtingen van zijn zoon via samenvattingen kunnen gadeslaan. “Wij kunnen hier SBS ontvangen. Elke dag een half uur Tour de France. Schitterend mooi.”