Bed met balkon (2)

Op zaterdag 7 juni 1997 verschenen er in de bijlage 'Wetenschap en Onderwijs' twee artikelen over het academisch ziekenhuis in Groningen, het AZG.

Als vertegenwoordiger van de rechten van de enige niet genoemde architect in deze artikelen wil ik mij graag openlijk ergeren aan de onnodige, misleidende beeldvorming die hierdoor wordt opgeroepen. 'Een bed met een balkon' van Wim Köhler veronderstelt de afwezigheid van een 'grand design'. In zijn artikel 'Ratjetoe met ingang' stelt Bernard Hulsman stijlbreuken vast die de afspiegeling vormen van de lange bouwgeschiedenis. In beide artikelen worden betrokkenen geciteerd die verantwoordelijk zijn geweest voor de architectonische discontinuïteit en wordt met geen woord gerept over de ontwerper van het 'grand design'. Zonder het door ir. Jan Kruisheer ontworpen ontwikkelingsplan en het structuurplan AZG zou de bouw echter niet met succes zijn afgewikkeld.

Bernard Hulsman heeft ten onrechte geconcludeerd dat Team 4 in hoofdzaak verantwoordelijk is geweest voor het ontwerp van het ziekenhuis. Merkwaardig is ook dat kennelijk geen van de geciteerden heeft gewezen op de afgeronde, uitgebreide rapportage van de onderzoeker dr. Jan van den Noort. Toch hebben allen daaraan een belangrijke bijdrage geleverd. Het AZG was zelf al in 1994 tot de conclusie gekomen dat het zich leent voor 'architectuurarcheologie' (Köhler). Het onderzoek (1994-1997) werd nota bene geïnitieerd en gefinancierd door het AZG. Uit deze uitvoerig beschreven geschiedenis valt op te maken dat er al in 1976 sprake was van een ruimtelijk ontwikkelingsplan voor het 'grand design' en dat dit strategisch sterk genoeg is gebleken om ruim 20 jaar ziekenhuisontwikkeling te kunnen dragen.

Het heeft in de ziekenhuisbouw geen zin om cynisch te doen (J. Hamel in artikel Köhler) over logistiek en techniek als leidende principes. Tot die eenvoud is alleen het programma voor je eigen directiekamer of voor een centrale hal terug te voeren. Aan het jarenlang kunnen gedijen van allerlei ruimtelijke ontwikkelingseisen moet een plan ten grondslag liggen dat ingenieus is, dat niet vanuit één leidend principe, maar vanuit een goed begrip van de integrale samenhang tussen alle werkzame krachten is ontworpen; een strategisch plan dat zelfs niet door politieke wispelturigheid uit balans is te brengen. Voor zulke plannen zijn echte bouwmeesters nodig zoals Jan Kruisheer en geen bestuurlijke ambtenaren.

Het AZG is vooral een getrouwe afspiegeling van zijn eigen bouwgeschiedenis, waarin de opeenvolgende bouwheren een wispelturig beleid voerden ten aanzien van de architectonische supervisie, zonder ooit kenbaar te maken welke interne of externe krachten hen dreven om de Rotterdamse ontwerpers met hun 'te grote bek' aan de zijlijn te schuiven en van het grootste bouwkundige werk van Nederland een doe-het-zelfmarkt te maken.

De belangrijkste koerswijziging voor de logistieke uitkomst is de omzetting geweest van een diffuus ontsluitingssysteem naar een hiërarchisch systeem met één centrale ingang. Dit zou, zoals het AZG zelf verklaart, gebaseerd zijn op een technisch-logistieke afweging. De bewaking en beveiliging heeft men niet op elektronische wijze weten op te lossen, hoewel daarin toch volgens eigen zeggen zo makkelijk zou zijn te voorzien. Het lijkt er meer op dat men de in de jaren tachtig gewijzigde inzichten voor het ontsluitingssysteem heeft aangewend om met een voordeur het 'grand project' voor zichzelf te stichten. Desondanks is het AZG een goed functionerend complex geworden waar bezoekers, werkenden en passanten, de enorme schaal in aanmerking nemende, door heldere structuren comfortabel hun weg kunnen vinden.