Winters logboek zonder kompas

Guus Luijters: Schotsen springen. L.J. Veen, 48 blz. ƒ 25,-

Afgelopen winter was ik een week op Terschelling, in en om Oosterend, aan de rand van de Boschplaat. Besneeuwde duinen, wit strand, bevroren Waddenzee, kraakheldere lucht, een lage zon, een snijdende oostenwind en verder stil. Op een verlaten veldje ergens in de duinen stond een forse schuur, een soort blokhut zonder ramen, met een bierton als schoorsteen: de replica van Het Behouden Huis. Ideale omstandigheden voor het lezen van Gerrit de Veers verslag van de overwintering op Nova Zembla. Het bleek nog steeds een ijzingwekkend verhaal, vol spanning en tragiek, met onwaarschijnlijke belevenissen en hartverscheurende passages, genoteerd in een sobere logboekstijl en vermoedelijk alleen al daarom veel aangrijpender dan de latere biedermeierbewerkingen van dichters als Helmers en Tollens.

Zou een hedendaagse dichter zich nog aan zo'n onderwerp durven te wagen? Her en der in de duinen rondom het nagetimmerde behouden huis stonden glazen platen met versregels erop in de zon te schitteren. Het bleken onderdelen te zijn van een Willem Barentsz-poëzieroute die voerde langs 25 glazen platen met daarop 25 korte gedichten van Guus Luijters. Ze zullen er nog tot het voorjaar van 1998 blijven staan. De gedachte om ze al wandelend door de duinen te lezen is zo gek nog niet, want het gaat om min of meer op zichzelf staande gedichten: geen doorlopend verhaal, geen epos, maar een reeks van scènes en momenten, ontleend aan de barre en bizarre pooltocht van Barentsz en de zijnen.

Voor het lezen van deze reeks is een heldere winterdag met strenge vorst aan te bevelen, liefst in combinatie met een krachtige oostenwind. Maar wie niet zolang wil wachten of de oversteek er niet voor over heeft, kan hem nu ook al lezen in Luijters' nieuwe, tweede bundel Schotsen springen. Het is een mooie reeks, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze overwinteringsverzen er op de vaste wal, binnen, bij kamertemperatuur niet sterker op worden. Een kilometerslange wandelroute nodigt niet zo snel tot herlezen uit, een handzaam bundeltje met twee gedichten op één pagina wel - en dan treft toch een zekere willekeur in deze reeks, en dan gaan vooral de snelle register- en perspectiefwisselingen storen.

Luijters vermomt zich nu weer eens als een twintigste-eeuwse verteller die weet hoe het afloopt, dan weer als Gerrit de Veer zelf, in de ik-vorm. Soms spreekt hij over 'wij', dan weer over 'zij'. Soms is hij dichterlijk, met een voorkeur voor hevige tegenstellingen: 'De zee is ijs geworden/ en heeft ons uitgespuugd/ als een vulkaan'. Of aforistisch: 'Zo brengt dood baat', gezegd naar aanleiding van een gevangen ijsbeer wiens vet voor de lampen gebruikt kan worden. Of hij wijst op bijbelse parallellen: het behouden huis als de ark van Noach. Maar soms vertelt hij ook alleen maar een anekdote uit het reisverslag na.

'Het behouden huis' is daardoor een nogal disparate reeks geworden. Luijters noemt de overwintering ergens 'het jongensboek dat werkelijk is gebeurd', en zo lijkt hij de hele onwaarschijnlijke geschiedenis toch vooral te zien: als een spannend jongensboek, als een nieuw deel uit de Kameleon-serie waarin Hylke en Sietse per ongeluk iets uit koers zijn geraakt. Zie bijvoorbeeld het gedicht waar de bundel zijn titel aan ontleent:

Ze zeilen nu van wak naar wak zoals wij schotsen sprongen op de sloot die in de schemer groot werd als de zee. Vlakbij al is de Pool - maar door de avond klinkt een kreet: Appeltjes! met kool. Het gaat hier om het schip dat bij Nova Zembla vast zit in het ijs en wanhopig zoekt naar 'wakken' om nog weg te komen. Het beeld van het schotsen springen is verrassend, want een mooie omkering, maar overigens is de vergelijking tussen het schip en het jongetjesvertier nogal potsierlijk. In werkelijkheid vreesden Barentsz en zijn mannen voor hun schip en dus voor hun leven, terwijl ze ook nog eens belaagd werden door hongerige ijsberen. Luijters begint gewoon over schotsjespringen in de sloot en mama die roept dat het eten klaar is.

Heel anders van toon en onderwerp is de eerste afdeling van de bundel. Die bestaat ook uit 25 gedichten, maar daarmee houdt iedere overeenkomst ook meteen op. We zien Luijters daarin als de dichter die, of liever: als het dichtertje dat hij in zijn debuutbundel Canigou (1993) al probeerde te zijn. (Het motto-gedicht uit die bundel is hierin opnieuw opgenomen.) Het is een curieuze afdeling, vooral interessant omdat hij daarin langs een grens scheert waar de meeste dichters niet graag langs scheren: die van de volstrekte simpelheid. Stamelversjes, kinderliedjes, niemendallen van de meest doorzichtige soort: zo kunnen ze nog het best gekarakteriseerd worden. Allemaal kort, zonder interpunctie, met een beperkt vocabulaire (droom, vlinder, zee, nacht, sterren en veel maan), met erg veel herhaling en een ongekend hoog percentage rijk rijm. 'En blauw/ is blauw als blauw/ zo blauw de zee de zee/ de zee' is een voorbeeld. Of: 'Mijn liefste mijn liefste/ mijn liefste dat ben jij' en, uit hetzelfde gedicht: 'mijn lieve liefste/ lieve mijn liefde/ dat ben jij'.

Als strenge vorst aan te bevelen is voor het lezen van de tweede afdeling van Schotsen springen, dan is deze eerste afdeling meer geschikt voor een tropisch dagje zonder een zuchtje wind. Zelden zoveel zomaar uit de lucht gevallen poëzie bij elkaar gezien, maar het heeft wel wat - onbedoelde humor bijvoorbeeld. 'De merel aan de ruit/ haalt rare kunsten uit' en 'de merel is een goochelaar/ daarom doet hij zo raar'.

Soms breekt er in deze onbekommerde zingzang een dieper inzicht door, steevast van de meer vicieuze soort. 'En rozen zullen/ rozen zijn zolang er/ rozen zijn'. Of: 'wie dood is kan niet sterven'. Daar valt voorzover ik kan zien niets tegen in te brengen.