Whittaker Chambers (1901-1961); Gehate getuige van de waarheid

Sam Tanenhaus: Whittaker Chambers. A biography. Random House, 638 blz. ƒ 76,65

Voor progressieve Amerikanen was hij een aartsleugenaar, een psychopaat, een 'morele melaatse'. Conservatieven prezen juist zijn buitengewone intelligentie, zijn zedelijke moed en vooruitziende blik. Volgens links voerde hij een kruistocht tegen de erfenis van Franklin Roosevelt, wilde hij de New Deal ontmantelen. Volgens rechts was hij een martelaar, die zijn Ieven op het spel zette om Amerika de ogen te openen voor het gevaar van het internationale communisme. Oud-president Reagan die hem in 1984 posthuum de Presidential Medal of Freedom uitreikte, noemde hem een groot schrijver en 'getuige in dienst van de waarheid'.

Getuige. Nadat Chambers zich, eerst in zijn jeugd uit verzet tegen zijn ouders, later als spion voor de Sovjet-Unie, van het ene na het andere alias had bediend werd dit zijn laatste, definitieve identiteit. Een geuzennaam, waarmee vrienden en bewonderaars hem aanspraken. De titel ook van zijn memoires uit 1952, een minor classic van de naoorlogse Amerikaanse literatuur en bron van inspiratie voor conservatieven. Chambers was kroongetuige in een aantal roemruchte hoorzittingen en rechtszaken vlak na de Tweede Wereldoorlog. Hij was de tegenstander en wreker van Alger Hiss in een 'zaak' die door zijn surrealistische en thrillerachtige karakter Amerika in zijn ban hield. Hoorzittingen en rechtzaken vormden de voorbode van de latere heksenjacht op communisten en 'subversieve elementen'.

Whittaker Chambers is nu onderwerp van een prachtige en belangrijke biografie van Sam Tanenhaus. Belangrijk in de eerste plaats omdat Tanenhaus bewijst wat de goede verstaander al wist: Hiss was daadwerkelijk de communist en Sovjet-spion waarvan Chambers hem beschuldigde. Sterker: Chambers, die 'dwangmatige leugenaar' voor twee generaties Amerikaanse liberals, sprak volgens Tanenhaus in bijna alle opzichten de waarheid.

Dat Hiss guilty as hell was, is niet nieuw, maar kan niet genoeg worden benadrukt. Progressief Amerika investeerde zoveel energie en prestige in zijn onschuld dat het erkennen van het eigen ongelijk een kleine halve eeuw nadien nog steeds moeilijk valt. Toen Hiss vorig jaar november op 92-jarige leeftijd overleedn, noemde The New York Times in een necrologie de zaak-Hiss nog 'een van de grootste raadsels van de Koude Oorlog'. Zowel de Times als de Washington Post liet in het midden of Hiss commununist was en of hij voor Moskou had gespioneerd. Volgens de conservatieve columnist George Will getuigde dat van een 'onuitstaanbaar agnosticisme'.

Tanenhaus zegt het subtieler. Volgens hem waren de liberals na de Tweede Wereldoorlog 'gespleten'. In de buitenlandse politiek erkenden ze de totalitaire dreiging die uitging van de Sovjet-Unie, maar in eigen land sloten ze de ogen voor Hiss' schuld. Zich beroepend op de literaire criticus Leslie Fiedler noemt hij dit het dogma van het Amerikaanse liberalism: in ieder politiek drama is de liberal automatisch de held.

Misschien was het ook te veel gevraagd voor het New Deal-establishment om Hiss te laten vallen. Een gracieuze man met 'a fine economy of movement', knap, goed gekleed, een Amerikaanse aristocraat dank zij een Ivy League-opleiding: gestudeerd aan Johns Hopkins University en Harvard, assistent van hogerechter Oliver Wendell Holmes en daarna een prachtige carrière in de regering van Franklin Roosevelt, die hij begeleidde naar de conferentie van Jalta. Ministers, parlementariërs, juristen en journalisten als de onaantastbare Walter Lippmann en James Reston getuigden van zijn onbesproken gedrag. En daar tegenover Chambers. Zijn puddingachtige lichaam werd bijeengehouden door slechtzittende pakken. Hij had een geblakerd gebit, hield de microfoon krampachtig vast wanneer hij in de rechtszaal het woord voerde en keek voortdurend strak naar het plafond. Van een carrière was in zijn geval geen sprake: als koerier in dienst van de geheime dienst van de Sovjet-Unie leidde hij jarenlang een schaduwbestaan. Daarna, als journalist bij Time, werd hij door de meeste collega's vanwege zijn uiterlijk, verleden en felle anti-communisme als paria behandeld.

Geen wonder dat de advocaten van Hiss de aanval kozen. Niet Hiss zat in de beklaagdenbank, leek het, maar Chambers. Meedogenloos werd zijn schimmige leven ontrafeld, met als dieptepunt het luidkeels voorlezen van homo-erotische gedichten die hij als student had geschreven. Hiss daarentegen kwam uiterst correct en zelfverzekerd over, misschien zelfs iets te zelfverzekerd. Zo meende hij de aanklager voortdurend te moeten corrigeren op diens incorrecte taalgebruik. De jury liet zich er niet door imponeren. Nadat de eerste rechtszaak onbeslist was geëindigd, werd Hiss in tweede instantie schuldig bevonden. Hiss ging, nu als martelaar, ruim drie jaar de gevangenis in. Chambers, de spreekwoordelijke schlemiel, had gelijk gekregen.

Gebitsverzorging

Jay Vivian Chambers werd op 1 april 1901 geboren in Brooklyn, New York. Op aandrang van zijn moeder, Laha Whittaker, die vaag artistieke neigingen koppelde aan een vurig verlangen een 'bourgeois leven' te leiden, verhuisde het gezin naar een ruim, enigszins vervallen huis in Lynbrook/Long Island. Zijn vader, Jay Chambers, een man met een kantoorbaan die in zijn vrije tijd tekende en schilderde, was openlijk biseksueel: hij liet het gezin dikwijls in de steek - eens zelfs een jaar lang - voor vrienden in New York. Met hangende pootjes keerde hij na verloop van tijd altijd weer terug naar Lynbrook. Een onconventioneel gezin derhalve, en niet alleen door het buitenissige gedrag van Vivians vader. Zijn broer was manisch-depressief en pleegde op jonge leeftijd zelfmoord. Een inwonende krankzinnige grootmoeder bedreigde de gezinsleden periodiek met een mes. Vivian zelf werd door zijn moeder weliswaar in overdreven nette kleren naar school gestuurd, maar aan gebitsverzorging en hygiëne deed ze niet. Vandaar zijn bijnamen op de lagere en middelbare school: Girly, Stinky, Mr. Chamber Pot.

Uit zijn ongelukkige jeugd destilleerde Chambers niet alleen een 'crisis van de middenklasse', tevens kwam hij tot de conclusie dat de oplossing van die crisis was gelegen in het omhelzen van het communisme. Na een korte periode als romantisch zwerver en student aan Columbia in New York - waar hij gedichten en verhalen schreef en zijn naam verandere in Whittaker Chambers - werd hij in 1925 lid van de CPUSA, de communistische partij van Amerika. In 1931 trouwde hij met Esther Shemitz, een kunstschilder. Het jaar daarop dook hij onder. Het echtpaar Chambers vestigde zich beurtelings in Washington en Baltimore. Van communisten in de regering kreeg hij documenten die hij liet fotograferen en vervolgens naar Sovjet-agenten in New York bracht. Whittaker werkte onder schuilnamen als Carl Carlsen, Lloyd Cantwell en David Breen. Alger Hiss, een jonge medewerker op het ministerie van buitenlandse zaken met wie hij vanaf midden jaren dertig in contact stond, zei hem te kennen als George Crosley.

Nadat een vriend hem in 1937 vertelde over Stalins showprocessen begon Chambers te twijfelen. Een jaar later verdween hij opnieuw spoorloos, maar nu als afvallig communist. In ruim een jaar tijd verhuisde hij 21 keer. Hij vreesde voor langdurige gevangenisstraf als hij zich zou aangeven, en wist zeker dat de geheime dienst van de Sovjet-Unie achter hem aan zat. Hij sliep overdag. 's Avonds werkte hij aan vertalingen, altijd met een revolver naast de typemachine.

Toen de confrontatie met Stalins agenten uitbleef, begon hij uit te zien naar een vaste baan. Via vrienden werd hij door persbaron Henri Luce bij Time binnengehaald. Luce was gecharmeerd van Chambers, en nog meer van diens rabiate anti-communisme. Als gevolg daarvan wist hij zich in korte tijd op te werken tot chef van de buitenlandredactie. Populair bij zijn collega's was Chambers niet. Hij vond vrijwel alle correspondenten te progressief en weigerde hun stukken te plaatsen. Hij haalde zijn informatie uit obscure bladen als het nieuwsorgaan van Poolse emigranten in Londen, en schreef eigenhandig de buitenlandsectie vol. Het was een onhoudbare situatie. Een eerste oproer van de gezamenlijke correspondenten wist Luce nog de kop in te drukken. Bij een tweede opstand moest Chambers het veld ruimen. Voortaan werkte hij aan 'bijzondere projecten'.

In 1948 werd Chambers gesommeerd te verschijnen voor het roemruchte House Committee on Un-American Activiteis (HUAC), nadat een voormalige communiste had gezegd dat 'een redacteur bij Time' haar verhaal over communistische spionagenetwerken in de jaren dertig zou kunnen bevestigen. De hoorzittingen en de rechtszaken die erop volgden waren, in de woorden van literair critica Diana Trilling, 'een kleine Dreyfus-affaire'. Ze worden door Tanenhaus meesterlijk beschreven. Hoogtepunt was ongetwijfeld de nachtelijke zoektocht van Chambers en twee medewerkers van HUAC naar een holle pompoen in een pompoenveld achter zijn boerderij, waarin hij filmrolletjes en documenten had verstopt - de legendarische pumpkin papers - die door Hiss het ministerie van buitenlandse zaken waren uitgesmokkeld.

Nauwelijks was het oordeel in de zaak-Hiss uitgesproken, of senator Joe McCharthy uit Wisconsin ging er mee aan de haal. Hij zei 'bewijs in handen' te hebben dat er 205 communisten op het ministerie van buitenlandse zaken werkten. Chambers steunde McCarthy aanvankelijk, maar veranderde toen de senator tijdens een bezoek aan zijn boederij Pipe Creek Farm de kandidaat-ambassadeur voor Moskou onder president Eisenhower, Charles Bohlen, van homoseksualiteit en linkse sympathieën beschuldigde. Voelde Chambers zich persoonlijk aangesproken? In elk geval was het in één klap met zijn respect voor McCarthy gedaan.

Intellectuele elite

Chambers' invloed op het naoorlogse Amerikaanse conservatisme was aanzienlijk. Hij was geen charismatisch politicus als Reagan, noch een ideoloog als Buckley, en evenmin was hij een organisator. Maar zijn leven inspireerde. Zijn optreden in de rechtszaak tegen Hiss, zijn verzet tegen liberals in een cruciale periode na de Tweede Wereldoorlog, zijn overtuiging dat alleen het geloof in Christus dat andere 'grote geloof' - het communisme - tegenwicht kon bieden, waren van groot belang. Hoe onsamenhangend ook, droeg hij in zijn memoires Witness bovendien de munitie aan waarmee politici als Nixon en Reagan later liberals zouden bestoken: 'Het waren, niet zonder uitzondering maar wel over het algemeen, de 'beste mensen' die voor Alger Hiss waren, en die hem koste wat kost verdedigden. Het was het verlichte deel van de samenleving, de machtigen, degenen die luidkeels kond deden van hun open geest en luidkeels hun liefde voor de gewone man bezongen.'

De beste mensen: hier gaf Chambers de voorzet tot de theorie van de 'intellectuele elite' die het contact met de gemiddelde Amerikaan heeft verloren en vanuit een ivoren toren in Washington het land naar de verdoemenis helpt. Degenen die, zoals hij nog bijtender zei: 'intellectuele inteelt aanzagen voor organisch contact met het Amerikaanse leven' en hun landgenoten vooral liefhadden wanneer het ze niet voor de wind ging, zodat ze er allerlei sociale theorieën op konden loslaten en zich konden profileren als weldoeners. Vanaf Nixon en sinds de jaren zestig zijn liberals ermee om de oren geslagen, tot er uiteindelijk weinig van ze is overgebleven.

Whittaker Chambers stierf in 1961 aan een hartaanval. Zijn boerderij Pipe Creek Farm, met het fameuze pompoenveld, werd in 1988 door president Reagan tot nationaal erfgoed verklaard. De biografie van Sam Tanenhaus moet een bittere pil zijn voor de laatste verdedigers van Alger Hiss. Ruim veertig jaar hebben ze zich kunnen vastklampen aan de pipedream van zijn onschuld.