'Vue sur les docs', documentaire-filmestival in Marseille; Allemaal de schuld van de CIA

De jaren zeventig zijn voorbij en dat is maar goed ook. En Amsterdam heeft een geweldig festival voor documentaire films. Dat valt in Marseille te leren, op het grootste festival voor documentaires dat er in Europa bestaat.

De jaren zeventig verouderen sneller dan andere decennia. De jaren zestig - al dat ludieke gedoe - hebben nog wel iets aardigs. De jaren vijftig zijn al een andere wereld, maar daardoor ook intrigerend. Over de dramatische jaren dertig zal niemand meesmuilend of gekscherend doen. En wie had niet een klein beetje in de Roaring Twenties willen leven?

Maar de jaren zeventig zijn alleen maar irritant. Dat viel me twee jaar geleden al op bij de herdenking van 25 jaar Woodstock: die enorme pretentie een nieuwe wereld te presenteren, terwijl men in werkelijkheid toch alleen maar - al of niet met een LSD-trip achter de kiezen - nakend in de dichtstbijzijnde vijver poedelde, inmiddels anderen voor square klootjesvolk verslijtend.

Politiek was het nog veel erger: al dat arrogante optreden van groepjes marxisten, maoïsten en wat niet al. De vaderlandse rode opa Joop den Uyl - volgens mij lach je je slap als je die man nu nog een redevoering zou horen houden - ik pleit voor een oneerbiedige documentaire over dit onderwerp. Nee, de jaren zeventig kunnen we maar beter vergeten.

Zulk vergeten is zeker niet naar de zin van de Chileense filmmaker Patricio Guzmán, wiens Chile, memoria obstinada (Chili, hardnekkige herinnering) een van de inzendingen was op het festival voor documentaire films Vue sur les docs, dat vorige week werd gehouden in de Franse stad Marseille. Gewapend met een film die hij in 1974 had voltooid (La bataille du Chili, de slag om Chili) over de linkse regering van Salvador Allende en de staatsgreep die er een einde aan maakte, trekt Guzmán door het Chili van nu, waar na decennia van dictatuur de herinnering aan de Allende-tijd is vervaagd.

Chilenen leggen een wonderlijk gevoel voor pathos aan de dag. Sommige jonge toeschouwers barsten na de film in tranen uit en vervallen in heftige, onduidelijke tirades. Maar wat toch vooral duidelijk wordt, is dat met name een jonger Chileens publiek nauwelijks iets weet van wat er begin jaren '70 allemaal in Chili gebeurd is. Niemand die goede woorden over heeft voor de militaire dictatuur en de repressie onder Pinochet, maar de socialistische slogans uit de Allende-tijd lijken van een andere planeet. Ik weet niet om welke thema's het politieke debat in Chili tegenwoordig draait, maar het is duidelijk niet meer om de strijd voor het socialisme en tegen het Amerikaanse imperialisme. Een kwestie van terecht vergeten dus.

Nu gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat filmer Guzmán zelf deze mening in het geheel niet is toegedaan. Hij heeft - naar eigen zeggen - zijn nieuwe film juist gemaakt om de 'revolutionaire' episode voor de Chilenen van nu weer tot leven te wekken, en de film eindigt dan ook met een oudere man, die de jeugd oproept tot bewondering voor de 'helden van het volk van weleer'.

Dat het hier echter een betrekkelijk hopeloos streven betreft, bleek wel toen het festival in Marseille daags na de première van Guzmáns nieuwe film, ook La bataille du Chili uit 1974 vertoonde. Een stilistisch en ideologisch streng werkstuk, waarin obligate plaatjes van het heldhaftige volk worden afgewisseld met een sombere commentaarstem, die bij elke nieuwe ontwikkeling op de schuld van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA wijst.

Het mag niet meer baten: Salvador Allende komt in dit historische materiaal toch vooral naar voren als een van elk charisma gespeende figuur, en een politieke onbenul die elke gelegenheid om met de rechtse partijen en het Chileense leger tot een vergelijk te komen voorbij heeft laten gaan. Als je de film uit 1974 ziet, begin je iets te voelen voor het commentaar van een studente uit de film uit 1997, die oppert dat het Chili van Allende wel eens een dictatuur naar Cubaans model had kunnen worden.

Chauvinisme

De herinnering was een terugkerend thema op het festival Vue sur les docs - de meeste van de vijftien films die aan de competitie deelnamen waren onder deze noemer te vangen. Eén dag rondlopen in Marseille was echter voldoende om bij mij een heftig heimwee naar het Amsterdamse IDFA (International Documentary Filmfestival Amsterdam) wakker te roepen. Want zonder overdreven chauvinisme kan worden gesteld dat de manifestatie in Marseille - een van de grootste documentaire festivals in Europa - de vergelijking met het jaarlijks in december bij ons plaatsvindende IDFA niet kan doorstaan.

Dat geldt voor de selectie van de films - Vue sur les docs lijkt een merkwaardige voorkeur voor het ouderwetse, politiek-correcte engagement aan de dag te leggen. Maar meer nog voor de algehele atmosfeer: bij IDFA zijn tegenwoordig in zeven goed geoutilleerde zalen tien dagen lang van vroeg tot laat films te zien - goed en slecht, oud of nieuw. Bij Vue sur les docs zijn er zo'n vier voorstellingen per dag in een gigantische zaal, waar de projectie onder de maat is en waarin de schaarse toeschouwers volkomen verdrinken. En dan zijn er nog wat bijvoorstellingen in een verlopen bioscoopje in het stadscentrum, waar ik tot twee keer merkte dat een videobandje werd geprojecteerd van een op film gedraaide documentaire. Anders dan op het IDFA is er in Marseille nauwelijks een gelegenheid om de regisseurs te ontmoeten of te zien, omdat daar geen kader voor is en ze er ook meestal niet zijn.

Vue sur les docs moet het niet zozeer van de vertoningen en de competitie hebben, maar van de commerciële markt voor documentaire films, Sunny side of the docs, die tegelijkertijd plaatsvindt. Hier ligt voor Marseille een bedreiging op de loer: de televisie-programmabeurs Mipcom, die in de lente in het naburige Cannes plaatsvindt, zal volgend jaar voor het eerst worden vooraf gegaan door de Mipdoc, een beurs voor documentaires.

De drukte in Marseille, en de plannen in Cannes, zijn tekenend voor de vrij plotseling opkomende, hevige belangstelling voor documentaires van de kant van televisiestations. Documentaires wekken de begeerte van zowel commerciële als publieke omroepen - al gaat het daarbij natuurlijk vaak eerder om mooie films over dieren of ontdekkingsreizen, dan om politiek- of maatschappijkritisch werk.

“Je kunt natuurlijk de meeste kijkers trekken met killer applications voor televisie zoals speelfilms en sport”, legt een Amerikaanse bezoekster uit. “Maar je hebt, om alle themakanalen die de toekomst van de televisie uitmaken te kunnen vullen, ook minder dure programmasoorten nodig. Documentaires vormen aantrekkelijk materiaal: ze zijn in verhouding tot speelfilms vrij goedkoop, en ze worden door kijkers zeer geapprecieerd”.

Goedkoper

Dus blijken steeds meer documentaire films op de door de televisie gewenste lengtes van 26 of 52 minuten te zijn gedraaid. Elk zich respecterend Europees televisiestation gaat er prat op, ook belangstelling te hebben voor het co-produceren, of voor vervaardiging aankopen van documentaires - zelfs themakanalen met alleen maar documentaires zoals Discovery-Europe of Franse Planète-Câble, die zich tot op heden overwegend met de aankoop van oudere, en dus goedkopere films bezig houden.

Het is nog niet zover, dat iedereen die een documentaire wil maken zijn financiers voor het uitkiezen heeft, maar er zit wel beweging in de situatie. Zelfs in Nederland, waar tot op heden geen documentaire kan worden gemaakt zonder deelname van de publieke omroep en de commerciële zenders op dit gebied alleen goedkope rommel uitzenden, tonen plotseling commerciële abonneezenders belangstelling voor documentaires: het nieuwe Canal+-Benelux, dat in augustus in de plaats komt van Filmnet, gaat documentaires aankopen. En Planète komt, na de stichting van Duitse en Italiaanse filialen, in 1998 ook met een versie voor de Benelux.

In deze Marseillaanse sfeer van zakendoen, slechte projecties en lauwe publieksbelangstelling heeft merkwaardig genoeg toch een heel goede film de Grote Prijs van Vue sur les docs gewonnen. Free fall (vrije val) van de Hongaar Peter Forgács beschrijft het lot van de Hongaarse joden in de jaren van de Tweede Wereldoorlog, aan de hand van de 8-millimeterfilmpjes van een familie uit Szeged. Familiefilmpjes worden de laatste jaren vaak gebruikt in documentaires, maar Forgács weet er een heel bijzondere artistieke vorm voor te vinden.

De verhaallijn van Free fall is uitermate beklemmend: voordat de Duitsers in 1944 Hongarije bezetten en de joden massaal deporteerden, werd de discriminatie-politiek tegenover joden van het fascistische Hongaarse Horthy-regime eigenlijk nauwelijks serieus genomen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een amateurfilmpje van een werkkamp voor joodse mannen, waar een Hongaarse sergeant net doet alsof hij een jood met een stok slaat - beiden moeten vreselijk lachen om dit opzetje voor de film.

Jammer dat de Hongaarse regisseur niet in Marseille was, om zich te laten toejuichen.