Versoepeling regels starters

DEN HAAG, 27 JUNI. PvdA-minister Melkert (Sociale Zaken) wil de periode verlengen waarin bijstandsgerechtigden die een bedrijf starten moeten bewijzen dat hun onderneming levensvatbaar is. Volgens de minister is de huidige periode van 1,5 jaar “door de bank genomen” te kort om aan te tonen op eigen benen te kunnen staan.

Melkert zei dit bij de presentatie van het rapport 'Starten vanuit de bijstand', geschreven door een commissie van de PvdA onder voorzitterschap van Tweede-Kamerlid S. Noorman-Den Uyl.

“Anderhalf jaar is al heel kort als je aan een nieuwe baan in loondienst begint”, zei Melkert, “laat staan als je voor jezelf begint.” De minister onderstreepte dat de levensvatbaarheid van de onderneming wel een doorslaggevend criterium moet blijven bij het ondersteunen van 'starters'. “We kunnen geen bijstandsgeld inzetten als dat niet op overzienbare termijn leidt tot zelfstandig ondernemerschap.”

Melkert ziet weinig in het voorstel van de PvdA-commissie om het maximale krediet voor startende ondernemers met een bijstandsuitkering te verhogen. Het maximale krediet bedraagt nu 41.000 gulden. Volgens de minister is de omvang van de lening niet de grootste hindernis voor potentiële ondernemers met een uitkering. Melkert zei persoonlijk het huidige maximum “niet zo'n klein bedrag” te vinden. Volgens de minister moet “met enige prudentie” worden omgegaan met het risico dat bijstandsgerechtigden met een hoge schuldenlast komen te zitten.

In het rapport van de PvdA-commissie wordt onder meer gesteld dat sociale diensten te eenzijdig zijn georiënteerd op het vinden van werk in loondienst voor hun cliënten. De ondersteuning van beginnende ondernemers zou te kort schieten omdat er sprake is van een 'cultuurverschil'. “Bij de sociale dienst is vaak nog sprake van een zorginstelling, terwijl beginnnende ondernemers zichzelf niet als zorgbehoevend zien.” Ook zouden grote verschillen bestaan tussen gemeenten ten aanzien van de ondersteuning van startende ondernemers vanuit de bijstand.

De opstellers van het rapport stellen dat het mogelijk moet zijn om “werkenderwijs” met een bedrijf te beginnen, zonder een precies ondernemingsplan. Nu is zo'n ondernemingsplan een voorwaarde om met een bedrijf te mogen starten. Ook zouden de mogelijkheden om in deeltijd een bedrijf te beginnen moeten worden verruimd.