Verkreukelen

De eekhoorn zat in de stoel voor zijn raam en probeerde na te denken.

“Als je niet nadenkt,” had de mier hem die ochtend verteld, “dan verkreukel je.”

“Verkreukelen?” had de eekhoorn gevraagd. “Ik?”

“Ja,” had de mier gezegd. “Dan word je onherkenbaar. Als er dan iemand op bezoek komt, zegt hij tegen je: 'De eekhoorn is zeker niet thuis', en is al weer weg voor je zelf iets kunt zeggen.”

De eekhoorn had gerild en had zich voorgenomen altijd na te denken. De mier was weer naar huis gegaan. “Ik heb nog wat geheimzinnigs te doen, eekhoorn,” had hij gezegd, “en daarna nog iets raadselachtigs.” “Dat 's goed,” had de eekhoorn gezegd.

Toen de mier weg was keek de eekhoorn vlug in zijn spiegel om te zien of hij al verkreukelde. Maar dat was niet zo. Ik denk dus na, dacht hij.

Er stonden rimpels op zijn voorhoofd. Nadenken was moeilijk, en er klonk plotseling een stem in hem die fluisterde:

“Denk toch niet na! Doe toch niets!”

“Maar dan verkreukel ik!” zei de eekhoorn.

“Dan verkreukel je maar,” zei de stem.

“Hou je mond!” riep de eekhoorn boos.

Maar de stem lachte en zei vrolijk: 'Pschtruhjikydf' of zoiets, wat de eekhoorn niet begreep. Daarna was het weer stil.

Wat is alles toch ingewikkeld, dacht de eekhoorn. Hij besloot daar de hele dag over na te denken, zodat hij die dag in elk geval niet zou verkreukelen.

Na een paar minuten viel hij in slaap.

Toen hij wakker schrok was het al laat in de middag. Hij sprong overeind. Urenlang niet nagedacht! dacht hij. Hij holde naar zijn spiegel. Zijn oren zaten scheef en zijn haar was in de war. Daar heb je het al, dacht hij. Verkreukeld.

“Heerlijk geslapen,” zei de stem in hem. “En nu wat eten. Wat is er nog?”

“Hou op!” riep de eekhoorn woedend. Hij wou dat hij die stem kon wegjagen, uitblazen, fijnknijpen, wat dan ook, als hij maar stil was. “Straks ben ik onherkenbaar, en wat dan?” riep hij.

“Toch heb ik honger,” zei de stem.

De eekhoorn zuchtte en keek in zijn kast. Hij vond een grote pot wilgehoning.

“Heerlijk,” zei de stem, toen de pot op was.

De eekhoorn ging weer voor zijn raam zitten en begon te dommelen. Laat in de avond werd hij pas wakker. Het was donker en hij sprong op en keek in zijn spiegel. Hij herkende zichzelf meteen. Hij was dus niet verkreukeld.

En toch heb ik niet nagedacht... dacht hij. Hij ging voor het raam staan en keek naar de sterren en naar de grote bleke maan die boven de bomen te voorschijn kwam. Mischien bedoelt de mier iets anders met verkreukelen... dacht hij. Ik weet het niet. Even later stapte hij in bed. De mier bedoelt altijd iets anders, dacht hij. Toen viel hij in slaap.