Strijd om het behoud van een Jeruzalemse bibliotheek; Decennia van muizenkeutels en boekenwurmen

De joodse zakenman en bibliofiel Salman Schocken begreep onmiddellijk wat Hitlers machtsovername zou betekenen. Hij pakte zijn ruim dertigduizend boeken in en verscheepte ze naar Palestina, waar hij er in Jeruzalem een bibliotheek voor liet bouwen. De bibliotheek staat op de monumentenlijst, de boekencollectie is uniek - en beide worden in hun voortbestaan bedreigd.

Verscholen onder het blonde natuursteen van het terras ligt een klein ovaal zwembad - ooit het eerste particuliere zwembad van Jeruzalem. Destijds, in de jaren dertig, lag het huis aan de rand van de stad en konden Salman Schocken, zijn vrouw Lilli en hun vijf kinderen uitkijken over het lege, droge landschap. In de onmetelijke tuin kweekte Lilli haar prijswinnende bloemen. Schocken - zakenman, collectionneur en uitgever - en zijn gezin waren weliswaar gevlucht voor de nazi's, maar hun leven in welstand zetten zij in Palestina voort in de modernistische villa die hun land- en geloofsgenoot Erich Mendelsohn voor hen bouwde.

Om de hoek liet Schocken hem nog een tweede gebouw maken: een bibliotheek, waar hij zijn kostbare verzameling van tienduizenden boeken op het gebied van de Duitse en de hebreeuwsecultuur onderbracht. Mendelsohn, die voor de oorlog het grootste architectenbureau in Europa had, leefde zich uit op dit Gesamtkunstwerk. Alles heeft hij eraan ontworpen: de pontificale trap met de stalen leuning die in een frivole krul eindigt, de met citroenhout beklede wanden van de leeszaal op de eerste verdieping, de halfronde erker, de tafels en stoelen en lampen als halve bollen, de deurkrukken, het paraplu-rek en cv-radiator die in de muur verzonken zijn. De opzet van de bibliotheek is simpel: beneden kleine kamers voor wetenschappelijk onderzoekers, boven de leeszaal en een klein vertrek voor gasten en in een derde verdieping aan de achterkant het boekendepot.

Anders dan het huis, dat een met graffiti volgekladde muziekschool voor scholieren is geworden, is de bibliotheek nog nagenoeg in originele staat. Naast de Einsteinturm in het Duitse Potsdam is dit het enige gebouw van Mendelsohn - die zowel in Duitsland werkte als in Engeland, Palestina en Amerika - dat zowel van binnen als van buiten gaaf is. Bovendien ligt hier nog altijd een aanzienlijk deel van Schockens collectie opgeslagen, waaronder unieke middeleeuwse geïllustreerde hebreeuwse manuscripten, autografen van rabbijnen uit deze en de vorige eeuw, joodse gebedsboeken, kabbalistische en chassidische literatuur eken correspondentie met vooraanstaande figuren uit de Zionistische beweging als Weizmann, Wolfskehl en Buber, de best gelezen auteur van Schockens eigen uitgeverij. Ook de familie-archieven zijn hier, die tezamen de geschiedenis vertellen van het winkelbedrijf, de uitgeverij, de boeken- en kunstcollectie, de filantropische activiteiten en de eigen familie.

Modernisme

Vorige week is in samenwerking met 'Docomomo', het internationale netwerk dat zich inspant voor het behoud van monumenten van het Modernisme, een gecombineerde actie uit Duitsland en Israel begonnen voor behoud van dit architectonische en bibliofiele monument. De huidige eigenaar, de Jewish Theological Seminary uit New York, heeft de bibliotheek voor het publiek gesloten en wil het gebouw óf uitbreiden óf verkopen. Architectuur- en boekliefhebbers in en buiten Israel vrezen in beide gevallen de gevolgen. “Het gebouw staat weliswaar op de Israelische monumentenlijst”, zegt de architect Arie Sivan, president van Docomomo Israel, “maar daarmee is alleen de buitenkant beschermd. De wettelijke bescherming strekt zich niet uit tot het interieur. Terwijl dat juist het bijzondere is van de bibliotheek: de synthese tussen de architectuur en de functie waarvoor ze gemaakt is.”

Intussen heeft de Duitse ambassade in Israel een bedrag toegezegd voor voorlopige voorzieningen, zoals klimaatbeheersing en uv-filters. De architecten, architectuur- en boekhistorici die zich als beschermers van de Schocken-bibliotheek opwerpen, hebben zich ook tot de Getty Foundation gewend. “In Israel begint net het besef te ontstaan dat het verleden iets waardevols is dat je moet behouden”, zegt de Duitse mede-initiatiefneemster Silke Schaeper, die van 1989 tot 1996 verantwoordelijk was voor beheer en ontsluiting van de Schocken-collectie en die nu in Leipzig aan haar promotie-onderzoek werkt. “Over twintig jaar zullen ze treuren om wat ze nu vernietigen.” Eind vorig jaar deed Docomomo een beroep op Jeruzalems burgemeester Olmert om zich over de bibliotheek te ontfermen: “Ook al is het particulier eigendom, dit gebouw is publiek cultuurbezit.”

Al in een eerder stadium heeft Hillel Schocken, kleinzoon van Salman en zelf architect in Jeruzalem, zich tegen de plannen van de huidige eigenaar verzet. Na lang praten heeft hij de Jewish Theological Seminary zo ver gekregen dat ze de geplande uitbreiding kleiner hebben gemaakt, maar tevreden is hij nog lang niet - en verkoop aan de hoogste biedende is wat de familie betreft helemaal uit den boze. Hillel kijkt omhoog door het trappenhuis, met zijn achterwand van glazen bouwstenen die het van buiten zo gesloten gebouw van binnen heel licht maakt. “Als jongetje vond ik het heerlijk om hier te komen”, zegt hij. “Je kon zo lekker van die metalen leuning afglijden en precies in die krul eindigen.” Onderaan de trap hangt een portret uit de jaren dertig van zijn opa en profil: een wilskrachtig, rechthoekig hoofd met een opvallend intense blik, boven een wuft kraagloos jasje. “In de familie wordt over hem gesproken als een interessante, maar moeilijke man,” herinnert Hillel zich. “Een ontzagwekkende persoonlijkheid. Ik kan me niet herinneren dat ik als kind ooit een woord met hem heb gewisseld.”

Yekke

Salman Schocken (1877-1959) heeft amper vijf jaar van zijn mooie huis en bibliotheek kunnen genieten. De erudiete aristocratische heer op leeftijd kon in het stoffige, rommelige Palestina niet aarden. “Hij was een man van regels, niet van improvisatie”, zegt zijn kleinzoon. “Palestina werd toen gerund door dromerige Oosteuropeanen die hem een 'yekke' vonden, een stijve Duitser.” Bovendien was menigeen toen bang dat de nazi's via Noord-Afrika Israel zouden binnenvallen. In 1940 vertrok Schocken naar Amerika, Mendelsohn een jaar later; drie van Schockens vijf kinderen bleven in Israel achter, onder wie Hillels vader Gershom.

Schocken had in Duitsland een keten van dertig winkels en warenhuizen opgebouwd, waar begin jaren dertig zo'n zesduizend mensen werkten. Hij werd de grootste particuliere opdrachtgever van de tien jaar jongere architect Erich Mendelsohn, die in de jaren twintig grote warenhuizen voor hem bouwde in Nuremberg, Stuttgart en Chemnitz. Behalve in handel was Schocken, hoewel hij weinig formele opleiding had, al vroeg in boeken geïnteresseerd. Hij legde een van Europa's grootste particuliere verzamelingen aan van eerste drukken en manuscripten van auteurs als Goethe, Heinrich Heine, Adalbert Stifter en Schopenhauer.

Rond zijn dertigste kreeg Schocken belangstelling voor zijn joodse afkomst. Hij nam Hebreeuwse les en breidde zijn verzameling uit met judaïca en hebraïca tot de belangrijkste particuliere collectie in zijn soort in Europa. In 1930 richtte hij een instituut op voor onderzoek naar hebreeuwse poëzie en in Palestina zou hij in 1939 een instituut oprichten voor onderzoek naar joodse mystiek. Behalve boeken kocht hij kunstwerken van onder anderen Rembrandt, Van Gogh, Toulouse-Lautrec, Picasso en Käthe Kollwitz. In 1931 was hij zijn eigen uitgeverij begonnen. In Das jüdische Buch im Dritten Reich (1993), dat voor meer dan de helft aan is gewijd aan de Schocken Verlag, de grootste joodse uitgeverij onder de nazi's, beschrijft historicus Volker Dahm hoe Schocken het Duitse jodendom met zijn uitgaven intellectueel wilde voeden. Hij gaf niet alleen het werk uit van joodse denkers, maar publiceerde ook als eerste het verzamelde werk van Kafka.

Schocken begreep onmiddellijk wat Hitlers machtsovername zou betekenen en slaagde er daardoor in om zijn gezin, kapitaal en bezit het land uit te krijgen. Later zijn joodse bibliotheken systematisch geplunderd, maar hij heeft zijn ruim dertigduizend boeken nog kunnen inpakken en verschepen.

Tijdloos

Erich Mendelsohn was ook een geassimileerde jood, en ook hij besefte snel dat hij een goed heenkomen moest zoeken. Met zijn gezin emigreerde hij eerst naar Nederland en daarna naar Londen, waar hij met een compagnon een bureau begon. Vanaf 1934 kreeg hij dankzij Schocken prestigieuze opdrachten in Palestina, waaronder de bouw van het academische Hadassah-ziekenhuis voor Hebrew University op Mount Scopus, vlak buiten Jeruzalem. Net als de Schocken-villa en -bibliotheek is het langgerekte ziekenhuis met het blonde Jeruzalem-zandsteen bekleed, maar dan in vertikale banen. “Hij gebruikte traditionele materialen zonder dat het resultaat er traditioneel uitzag”, had Hillel Schocken nog gezegd. De bouw van het Hadassah had veel voeten in de aarde, maar het uitzicht vond Mendelsohn in ieder geval 'tijdloos': “Wie hier sterft, hoeft niet ver te reizen”.

In Rehovoth, zo'n dertig kilometer ten zuiden van Tel Aviv, ontwierp hij het woonhuis van Israels eerste premier, de chemicus Chaim Weizmann. Net als Schockens huis is het sensueel in zijn strengheid, met aan de voorkant Mendelsohns karakteristieke ovale erker en aan de achterkant een breed terras, een klein zwembad en daarachter het glazen ovalen trappenhuis. Binnen is alles echter uitgesproken ouderwets. Mevrouw Weizmann zou op besliste toon tegen de architect hebben gezegd: “U heeft een modern huis gebouwd, een huis om in te wonen en om van te houden... Maar met Uw inrichting kan ik niet leven!” Weizmanns huis is nu een museum, inclusief zijn auto, een Ford-T, die op steunen een eigen plek onder een afdakje in de tuin heeft gekregen.

Dit huis staat op wat nu de campus is van de gelijknamige technische universiteit, waar ook een van Mendelsohns minst bekende gebouwen staat: een klein laboratorium in de vorm van een parabool, met op het dak een lichtstraat van rechtop staande ramen. De manier waarop hij hier de vertrouwde strakke vormen van het modernisme combineert met de expressieve curve, herinnert aan de losse sierlijkheid van zijn vroege bouwsels zoals de Einsteinturm.

Van 1934 tot 1939 pendelde Mendelsohn tussen Europa en het Midden-Oosten. Het was een hectisch maar boeiend bestaan, schrijft hij op 7 December 1934 aan zijn compagnon Serge Chermayeff in Londen: “Ik ben volledig in beslag genomen. Ik haal nauwelijks adem, eet weinig, slaap tussen visioenen van gebouwen die hoog boven mij uit torenen...” Het was ook die dag dat hij Schockens leeszaal en onderzoeksinstituut tekende: “De plek is absurd maar het plan heeft spirit en iets van Palladio.” Zijn werk voor Schocken gaf Menselsohn grote bevrediging. Drie weken later: “We werken nog steeds aan de Schocken-bibliotheek, waarover hij nog steeds onzeker is. Het huis was makkelijk, want Frau Schocken weet precies wat ze wil.” De bibliotheek vond hij 'zeer onpretentieus, simpel in de beste zin van het woord'; het huis 'trots en organisch'.

In 1934 had Mendelsohn nog geschreven dat hij in Palestina wilde blijven - “Aan wie het land de grootste behoefte heeft, zijn creatieve mensen” - maar toch is hij in 1941 naar Amerika gegaan. Misschien zag hij zonder zijn weldoener weinig toekomst voor zichzelf in Palestina.

Haile Selassie

In 1947 confisqueerden de Britten de villa om er hoge heren in ballingschap onder te brengen, onder wie Haile Selassie. Pas in 1950, toen Israel al onafhankelijk was, kreeg de familie het huis terug en verkocht het door aan de muziekschool. De bibliotheek is Schockens eigendom gebleven, maar - ongetwijfeld tot zijn verdriet - niemand van zijn kinderen was erin geïnteresseerd. Hillel geeft toe dat de familie verdeeld was over de toekomst van dit kostbare bezit. “Na zijn dood in 1959 werd besloten het Duitse deel te verkopen, plus een deel van de judaïca. Met de Jewish Theological Seminary werd afgesproken, dat zij eerst als gebruiker en later als eigenaar voor zowel het gebouw zouden zorgen als voor het overgebleven deel van de collectie.”

Toen Silke Schaeper in 1989 in de bibliotheek kwam werken, schrok ze van wat ze aantrof. “Decennia van muizenkeutels en boekenwurmen. De eerste maanden dat ik daar werkte heb ik vooral lopen schoonmaken. Elke ochtend schudde ik weer wat boekenwurmen uit op het bureau van directeur Glick en riep: laat de boeken tenminste beroken! Ik drong ook aan op onderhoud van het gebouw. Zo vond ik ergens in een oude kartonnen doos de originele zilveren mezuzot, de gebedskastjes die aan de deurpost hangen. Ach, jij met je Mendelsohn, zei de directeur dan. Maar ik moet hem nageven, voor de boeken heeft hij nog veel gedaan.”

Met hun campagne willen Sivan en Schaeper de bestaande situatie veiligstellen, waarin het gebouw één geheel vormt met de boekencollectie, het archief en het onderzoekscentrum. Het gebouw moet voor het eerst in zijn ruim zestigjarige bestaan worden gerestaureerd, evenals de meubels; al eerder had Schaeper ervoor gezorgd dat twee van Mendelsohns stoelen in de design-collectie van het Israel Museum in Jeruzalem werden ondergebracht. Om de collectie veilig te stellen kan er nog veel meer gebeuren, zegt Schaeper: zuurvrije dozen voor de broze werken, autografen en kwetsbare werken op microfilm vastleggen, het opnieuw binden en restaureren van een groot aantal boeken.

Pas als de kwestie van het eigendom is opgelost kan er een definitief plan worden gemaakt. Eerst moet duidelijk worden of het Jewish Theological Seminary het gebouw wel of niet gaat verkopen. Helaas is S. Glick, de directeur van het JTS niet bereikbaar voor commentaar. “Volgens het contract met mijn familie zijn zowel verkoop van het gebouw als het overbrengen van de collectie naar elders uitgesloten”, zegt Hillel Schocken. Als dat toch gebeurt zou de familie zeker overwegen om een rechtszaak aan te spannen - maar dan zouden de ruim dertig neven en nichten uit verschillende werelddelen het met elkaar eens moeten zien te worden. “Hoe langer het duurt hoe moeilijker het is om de familie te organiseren.”