Stemmen uit het vagevuur

Juan Rulfo: Verzameld werk. Uit het Spaans vertaald door J. Lechner en Mariolein Sabarte Belacortu. Meulenhoff, 525 blz. ƒ 100,-

Twee jaar geleden vierde Meulenhoff zijn honderdjarig jubileum met een gebonden uitgave van de verhalen van de Argentijn Julio Cortázar, na een jaar gevolgd door het verzameld werk van de Pool Bruno Schulz. De luxe-reeks is nu opnieuw uitgebreid met het Verzameld Werk van de Mexicaan Juan Rulfo, bij ons de onbekendste van de drie, al zoekt menigeen al jaren naar vooral zijn Pedro Páramo, ooit eveneens voorbeeldig bij Meulenhoff als Biblio-boek verschenen. Ook de bundel De vlakte in vlammen, zestien sublieme verhalen, was een poos pijnlijk onvindbaar. In de nieuwe uitgave is Rulfo's voltooide werk, bestaande uit de twee genoemde titels, aangevuld met nagelaten verhaalfragmenten en schetsen uit de roman La cordillera (De bergketen).

Zijn literaire vuistregel is 'zuinig zijn met woorden want daar zijn er al te veel van', maar er laait buitengewoon veel emotie onder die soberheid. Als je Rulfo met één Nederlandse schrijver kunt vergelijken, is het Toon Tellegen. De onopgesmuktheid ten spijt ritselen hun bladzijden van de personages die gloeien van weemoed, verlangen en eenzaamheid. Het zijn schrijvers die zich kenmerken door poëtische zuiverheid. Hun wereld is universeel maar altijd vanuit de individu of het detail benaderd. Het verschil is dat alles bij Rulfo in het teken staat van fysiek geweld. Bij Rulfo is het zogezegd ernst en is het effect niet een lach met een traan, maar ontzetting.

In het nawoord heet hij 'schuw', maar Rulfo (1918-1986) deinsde niet terug voor een gesprek en op openbare plekken als de Frankfurter Buchmesse kon je hem rustig aantreffen, zij het nooit als middelpunt. Hij was niet schuw maar afzijdig, een term die meer zegt. Hij voelde zich alleen, altijd, zei hij graag, maar zijn werk als ambtenaar maakte hem al te eenzaam. Het zou de reden zijn geweest waarom hij zich 'aan zichzelf' begon uit te leggen, want dat is wat hij als schrijver deed, eerder dan communiceren.

Het sprookje van de schuwe Rulfo moet zijn ontstaan doordat hij vergeleken met drukkere collega's van zijn continent schitterde door inactiviteit. Hij was geen veelschrijver van liefst omvangrijke werken; hij had niet de mond vol van zijn verantwoordelijkheid als schrijver. Toch was hij de geëngageerdste van allemaal. In zijn werk doet hij onvermoeibaar verslag van de uitzichtloosheid op het Mexicaanse platteland.

Twee maal verbrak hij zijn afzijdigheid, de eerste keer om het amerikanisme te verdedigen tegen de kosmopolieten. Het ging om de aloude vraag of Latijns-Amerika zo Westers mogelijk moet zijn of een eigen identiteit moet zoeken. Ons komen die woorden hol voor maar in kwetsbaarder samenlevingen zijn ze van levensbelang. De tweede keer was toen de Cubaan Carpentier de term 'wonderbaarlijk realisme' bedacht voor voelbaar streekgebonden schrijvers als Márquez en Rulfo. Daar kon de laatste zich wel in vinden, al benadrukte hij met Márquez dat dat 'wonderbaarlijke' op niets dan feiten berustte. Maar toen Carpentier vervolgens de Latijns-Amerikaanse literatuur grosso modo 'barok' noemde, steigerde hij, en terecht. Wie er in Latijns-Amerika ook barok mag zijn, híj niet. Conclusie: dé Latijns-Amerikaanse schrijver bestaat niet.

Rulfo publiceerde zijn belangrijkste werken 1953 (De vlakte in vlammen) en 1955 (Pedro Páramo), dus voor de hausse met Vargas Llosa, Cortázar, Fuentes en Márquez. Deze laatste heeft Rulfo zijn leermeester genoemd; Honderd jaar eenzaamheid was er nooit gekomen als hij Rulfo niet had gelezen. De parallellen zijn inderdaad treffend en er zijn bij wijze van hommage legio Rulfo-citaten bij Márquez te vinden. Rulfo verwerkte het Westerse literaire, bijbelse en mythische erfgoed zonder te vergeten een Mexicaan te zijn. Samen met Borges was hij de grondlegger van het nieuwe Latijns-Amerikaanse proza wegens het zelfbewustzijn dat zij op de generatie na hen overleverden. Achteraf kun je vaststellen dat zij in hun beknoptheid behalve leermeesters van een groep expansieve leerlingen ook gewoon meesters zijn gebleven, misschien wel de grootste.

Pedro Páramo is onbetwistbaar Rulfo's meesterwerk. De titelfiguur is een tiran met weekhartige trekken. Hij belichaamt de wrok, maar van wrok alleen kan niemand leven. Zijn vader werd per abuis gedood, reden waarom hij tientallen potentiële moordenaars uit de weg ruimt en de macht in het dan nog levendige Comala aan zich trekt. Hij geniet de steun van een corrupte pastoor die het pas te kwaad krijgt als hij zich misrekend blijkt te hebben. Maar beiden hebben hun illusies, hun liefdes.

Pedro Páramo's grote liefde is Susana San Juan met-de-zoete-ogen, zijn vriendinnetje van weleer maar onbereikbaar sinds ze in een waanwereld leeft. Ook zij verlangt hevig naar het vroegere Comala, dat geurde naar oranjebloesem en honing en vers brood. Nu is het vanwege alle roofbouw en ontbossing woest (páramo) en letterlijk ledig door het vertrek of de dood van de inwoners. Het valt als in een parabel op de zondeval uiteen tot stof. Toen met Susana's dood zijn illusies stierven liet Pedro Páramo het land verkommeren, mede als wraak op de feestgangers die afkwamen op het klokgebeier.

Alles vergaat daarna in Comala, de 'bek van de hel' genoemd, een soort vagevuur waarin de zondigen het laatste oordeel afwachten. Dood en weemoed zijn er bepalend, geheel volgens het beeld dat Paz onder andere in Heimwee naar de dood van Mexico heeft geschetst. We zien de geschiedenis van Comala opdoemen in verhaalflarden die van onder of boven de grond klinken. Ze komen van de doden of bijna-doden die zich roeren. De aanzet tot de stroom gemurmel geeft Juan Preciado, een van de vele zonen van Pedro Páramo, die op zoek is naar zijn vader. Hij stikt voor het eind van het boek van de hitte en het stof, en is vanaf dan ook alleen nog maar een stem.

Rulfo zegt dat het boek zich aan hem opdrong toen hij zelf naar dat gebied terugkeerde. Zoekend naar een verklaring hoe de verwording had kunnen ontstaan, hoorde hij de klagende stemmen van de doden. Pedro Páramo, een verweesde, is de naam die het meest terugkomt, een machtswellusteling die neerschiet wat hem hindert maar iets vinden doet hij niet. De enige niet-doden in Comala zijn een broer en zus die in zonde en onvruchtbaarheid leven. De apocalyps is aanstaande.

Het knappe van Pedro Páramo en van veel verhalen van Rulfo is de subtiele suggestie van angst en doem. De toon is nooit stellig zodat dit werk, hoe zwaar van onderwerp ook, de lezer laat tasten, zonder hem overigens het gevoel te geven dat het er in alle raadselachtigheid anders had kunnen staan.

De postume oogst die in het Verzameld werk is opgenomen is, vergeleken met het al bekende werk van Rulfo, aardig maar niet groots, domweg omdat het onaf is. Ooit verscheurde de schrijver een roman omdat hij hem niet geslaagd vond. Ik vraag ik me af of hij wel verguld zou zijn geweest met zoveel Rulfo, hoe interessant het voor ons ook is. Hij zal hoe dan ook onverminderd voortleven als de auteur van één verhalenbundel en één roman, samen nog geen tweehonderdvijftig bladzijden.

Een beetje discutabel is het slotstuk Autobiografische uitspraken, een compilatie van passages uit interviews. Naar het schijnt had het document Rulfo's zegen maar het blijft vervalsend omdat de Mexicaan nu eenmaal nooit zo'n sluitend, bijna koket verhaal over zichzelf heeft verteld. Het resultaat is bovendien voorzeggerig: zo moet je me lezen en wel daarom. Tegenover die reserves staat een handvol uitspraken die ik niet graag had gemist.

Pedro Páramo en De vlakte in vlammen zijn ondanks veel kritiek destijds nagenoeg ongewijzigd in de vertaling van J. Lechner herdrukt. Er is wat geschaafd maar schaven aan iets dat in de kern niet in orde is helpt niet. Ik doel niet op fouten - vertaalfouten storen zelden - maar op het Nederlands dat syntactisch en idiomatisch onvast is. Rulfo heeft de taal van Zuid-West Jalisco willen weergeven maar zouden ze daar zo onhandig spreken? Mariolein Sabarte Belacortu, die tekent voor het nieuwe gedeelte, bezigt op haar beurt een Nederlands dat de neiging heeft plat te slaan wat moet bloeien. Rulfo wordt er bijna simplistisch van en dat is hij niet. Hij is als gezegd economisch, wars van woordgeweld, en dat is iets anders. Geen schrijver zo gelaagd, multi-perspectivisch en elegisch als Rulfo. Gelukkig breekt de kracht van het origineel onverzettelijk door de vertaling heen.