Overzichtstentoonstelling van Ellsworth Kelly in de Tate Gallery; Harteklop in rood

De abstracte, monochrome schilderijen van Ellsworth Kelly zijn gebaseerd op directe waarneming, al zou je dat niet meteen zeggen. In Londen wordt de bezoeker ondergedompeld in heldere, zinderende kleuren. “Meer 'real' dan dit kan kleur niet zijn.”

Ellsworth Kelly. In de Tate Gallery, Londen. Tot 7 september. Dagelijks geopend 10-17.30 uur. Catalogus, geïllustreerd in kleur, 344 blz., ¢845,- hardcover, ¢825,- paperback. Van 17 oktober t/m december 1997 is de tentoonstelling te zien in Haus der Kunst, Prinzregentstrasse 1, München.

Op een zomerdag in 1959 raakte Ellsworth Kelly, in zijn atelier in Lower Manhattan, diep ontroerd door het stralende rood van een net voltooid schilderij. Met ladders bouwde hij een cirkelvormige ruimte waarin hij een groep van rode schilderijen plaatste, de kleur naar binnen gericht. De cirkel stond onder het daklicht, in de zon die in haar zenith stond. Kelly was vanwege de hitte vrijwel ongekleed en ontdeed zich nu ook van de rest van zijn kleding. Daar, tussen zijn rode schilderijen, improviseerde hij een wilde dans. Het was een moment van pure joie de vivre.

Dit verhaal zegt veel over Kelly's schilderkunst. Zijn complete overzichtstentoonstelling in de Tate Gallery staat in feite in het teken van zulk joie de vivre. Dit oeuvre is één groot vieren van het leven en van de schilderkunst. Het vreugdevolle en sensuele van Kelly's schilderkunst wordt wel eens over het hoofd gezien. Op het eerste gezicht lijken zijn abstracte, grotendeels monochrome doeken koel en afstandelijk en rationeel geconstrueerd. En als alle monochrome schilderkunst - het werk van Barnett Newman en Mark Rothko is er ook een voorbeeld van - zijn deze doeken uiterst gevoelig voor de ruimte waarin ze zich bevinden. Een stopcontact of een richel kan de aandacht al afleiden, en ook de aanwezigheid van eventuele andere kunst is moeizaam. Sommigen zien dit als een zwakte van de monochrome abstractie. Je zou het ook kunnen beschouwen als kwetsbaarheid. Kunst is kwetsbaar en afhankelijk van de context waarin zij wordt gepresenteerd en deze kunst is dat in het bijzonder. In de Tate Gallery is met dit alles rekening gehouden. De 74-jarige schilder heeft zelf de keuze van de werken gemaakt en de tentoonstelling ingericht. Het resultaat is overweldigend. Kelly is, zo laat dit overzicht zien, één van de grootste levende schilders van deze tijd.

Kelly omschreef ooit zijn ambitie (of een deel daarvan) als: 'To make color real'. De kleur beschrijft bij hem geen vorm, maar is vorm - massa, materie. Blue Yellow Red III is een schilderij uit 1971, in olieverf op doek, met een totale afmeting van 182,9 x 188 centimeter. Het bestaat uit drie afzonderlijke, aan elkaar bevestigde horizontale kleurbanen in de primaire kleuren blauw, rood en geel. Van veraf wenkt het doek al, als een triomfantelijke banier, zinderend van heldere, energieke kleur. Maar de schilderijen van Kelly moeten niet alleen op afstand worden bekeken, ze moeten ook van heel nabij worden ondergaan. Op een afstand van maximaal een meter, maar het liefst met de neus er bovenop voor zover de omstandigheden dit toelaten. Overigens geldt dit voor alle goede schilderkunst: van veraf gezien is het één ding, en van nabij is het iets anders. Staand vlak voor Blue Yellow Red III verliest het oog zich gaandeweg in het geel van de middelste baan die zich op ooghoogte bevindt. Hoe langer je kijkt des te intenser de ervaring: het geel groeit, zwelt aan, het neemt de beschouwer in zich op, in een ruimte van licht. Ik zag mijn hartslag letterlijk pulseren in het geel. Wanneer het oog zich vervolgens naar beneden wendt blijkt het rood te zijn veranderd in een vlammend fuchsia-roze; en het harde blauw bovenaan is diep donkerblauw geworden. Meer 'real' dan dit kan kleur niet zijn.

Onderdompeling Steeds weer kan de beschouwer op deze manier kleur ervaren bij Kelly. Het is geen bekijken van schilderijen, het is een onderdompeling. De textuur speelt hierbij een belangrijke rol. Kelly's doeken zijn niet zo glad als ze eerst lijken. De verfstreek is zichtbaar, vooral wanneer je van onder naar boven langs het doek kijkt. Er is een subtiel spel van nuanceverschillen, van glans en fluweligheid, van huid en minieme oneffenheden die afhankelijk zijn van de lichtval. Het heeft ook met de olieverf te maken, die transparant en lumineus is. Kelly heeft in 1996 gedurende een korte periode geëxperimenteerd met acrylverf, maar hij vond dit toch teveel 'plastic', zoals zijn assistent me vertelde, het acryl sluit het doek te hermetisch af.

Black Yellow-Orange (1970, 215,9 x 297,2 cm) is een enorm zwart vlak, van het allerdiepste zwart, aan drie zijden omrand door een geeloranje baan. Staand voor het zwart flitst aan de randen van het blikveld steeds het oranje, dat, in tegenstelling tot het peilloze zwart, naar vóren lijkt te komen, de ruimte in. Kelly's doeken zijn precies en volkomen beheerst, en er spreekt een groot vakmanschap uit. De verfijning van textuur en de afgewogenheid van contrast en van tonaliteit gelden trouwens evenzeer voor zijn gekleurde werken als voor de werken die bestaan uit zwarte en witte panelen.

De tentoonstelling in Londen is chronologisch opgezet en laat zien hoe Kelly's schilderkunst zich ontwikkeld heeft via een reductie van de vorm en een vergroting van schaal, naar de latere doeken in de vorm van parallellogram, trapezium of asymmetrisch uitgerekte rechthoek. En weer later naar de beweeglijke doeken met hun ruime curven. Ook worden er enkele van zijn metalen beelden getoond.

Parijs

Na een schildersopleiding aan de School of the Museum of Fine Arts in Boston verhuisde Kelly eind jaren veertig naar Parijs, waar hij bevriend raakte met Jean Arp en Sophie Taeuber-Arp. Hij ontmoette in Parijs vele kunstenaars, zoals Picabia, Brancusi, Giacometti, Miró en Vantongerloo. Beïnvloed door de ideeën van Arp maakte Kelly abstracte reliëfs en collages waarvan de compositie gebaseerd is op toeval. In 1951 volgde Colors for a Large Wall, 64 aan elkaar bevestigde kleurpanelen met een totale afmeting van 243,8 x 243,8 centimeter. Dit werk, het vroegste op de expositie (afgezien van een ontwerp voor een venster uit 1949), heeft al veel in zich van de latere ontwikkeling. Witte, zwarte, roze, rode, gele, groene, paarse en blauwe panelen zijn in ritmische afwisseling over het hele vlak verdeeld. Het is moeilijk te geloven dat het toeval ten grondslag zou liggen aan deze mooi uitgebalanceerde ordening. In 1952 maakte Kelly wat hij beschouwt als zijn enige 'ready made'. Hij kocht lappen katoen op de markt in wit, blauw, rood en geel en maakte daarvan 25 kleine kleurpanelen (30,5 x 30,5 centimeter) die hij samenvoegde tot vijf langwerpige delen. De delen hangen iets uit elkaar aan de muur, waarbij de witte panelen een dalende en stijgende lijn maken. Van de overgebleven stof ontwierp Kelly een slankgesneden jurk van horizontale stof voor een vriendin. Een re-make van deze prachtige jurk liep nu rond op Kelly's opening.

Na deze experimenten ontwikkelde Kelly al heel snel zijn eigen beeldtaal. In 1950 schreef hij uit Parijs in een brief aan John Cage: 'Schilderkunst zoals het al zo lang is geaccepteerd interesseert mij niet - om aan muren van huizen te hangen als afbeeldingen. To hell with pictures - ze zouden aan de buitenmuren van grote gebouwen moeten hangen. Of aan billboards bevestigd worden, als modern 'ikoon'. We moeten onze kunst maken als de Egyptenaren, de Chinezen, de Afrikanen, en de Eiland-primitieven - met hun band met het leven. De schilderkunst moet direct op het oog afkomen.'

Kelly heeft zijn abstracte kleurschilderkunst dus in Parijs geconcipieerd, in relatief isolement, omdat zijn werk immers helemaal niet aansloot bij het expressionisme van de École de Paris die op dat moment en vogue was. Door een tijdschriftartikel maakte Kelly kennis met het werk van Ad Reinhardt in New York, dat tot Kelly's grote verbazing veel te maken had met zijn eigen werk. Dit deed hem er in 1954 toe besluiten terug te keren naar New York waar hij hoopte een geschikter kunstklimaat te vinden. Kelly's schilderkunst, die vaak als typisch Amerikaans wordt beschouwd, is dus in Europa ontwikkeld zonder dat hij op de hoogte was van geestverwanten als Reinhardt, Newman en Rothko. In New York vond zijn werk vrij snel weerklank, zij het dat hij lange tijd in de schaduw stond van het schildersgeweld van de clan aan de Tenth Street: de Kooning, Pollock en anderen.

De Wilde

In 1956 kwam Kelly bij Betty Parson's Gallery, en daarna bij Sidney Janis, Leo Castelli en Blum Helman. Het eerste buitenlandse museum dat een werk van hem kocht was het Stedelijk Museum (Edy de Wilde) in 1966. De Wilde was ook de eerste buitenlandse museumdirecteur die een eenmanstentoonstelling van Kelly organiseerde, in 1979. Het heeft ongetwijfeld met geld te maken - maar wat is het jammer dat Kelly's expositie nu niet naar het Stedelijk komt. In oktober reist hij door naar het Haus der Kunst in München.

Wat is eigenlijk 'typisch Amerikaanse kunst'? Amerikaanse kunst is koel, gebouwd uit sterke, elementaire vormen, heeft grote dimensies, is recht-door-zee en vol van zelfvertrouwen - zoals bijvoorbeeld de kunst van Donald Judd, Carl Andre en Sol LeWitt. Kelly beantwoordt hier maar ten dele aan, en zelf zegt hij dan ook: “I have had to fight the Minimalist label a little bit”. Zijn schilderijen zijn niet berekend en hebben geen module. Ze worden helemaal bepaald door de intuïtie: de keuze van kleur en van intensiteit, de verhouding van horizontaal en verticaal, van curve en diagonaal. Er is een suggestie van diepte en van perspectief, Kelly houdt van pictoriale effecten en van een evocatie van atmosfeer, en dit zijn nu juist allemaal aspecten die door de minimalisten als 'fouten van de schilderkunst' worden verworpen. Kelly is niet dogmatisch. Het spontane, momentane, de emotie, daar is het hem uiteindelijk om te doen. Train Landscape is de titel van een werk uit 1953, en het voorbij flitsende landschap met korenvelden en verre horizon is in de drie strakke banen onmiddellijk herkenbaar.

Kelly's schilderijen zijn gebaseerd op de directe waarneming van de werkelijkheid. Hier blijkt weer eens hoe ontoereikend en onprecies de term abstractie is. Zijn fotocollectie is wat dit betreft heel verhelderend: een heuvelrug, de vorm van een deuropening, de curve van een brug, de welving van een lichaam, het patroon van glaspanelen in een venster, de schilderijen zijn hier direct op terug te voeren. Kelly weigert te kiezen tussen abstractie en figuratie. Nog steeds tekent hij, net als vijftig jaar geleden, planten en portretten van vrienden. De beide polen van vlakheid en illusie van ruimte, van materie en beeld, zijn bij hem van gelijk gewicht en gaan naadloos in elkaar over. Purple Panel with Blue Curve (1989) bestaat uit een druivenpaars vierkant met een middellandse-zee-blauwe wig. Het lijkt of de twee delen naar elkaar toeklappen en een landschap maken waar de beschouwer daadwerkelijk in vertoeft.

Schilderkunst is al eeuwenlang niets minder dan het omzetten van verf in illusie. Kelly's werk, hoe nieuw en Amerikaans ook, sluit wat dit betreft aan bij de oude traditie. Maar hij voegt iets aan deze traditie toe - en hierin staat hij niet alleen, ook Barnett Newman valt deze eer te beurt, zij het op een andere manier: Kelly heeft een eigen oplossing heeft gevonden voor de kwestie van, kortgezegd, figuur en grond, of van beeld en achtergrond. Een schilderij van Kelly is puur beeld, en de muur is de achtergrond. Wand en doek vormen samen het schilderij. In de laatste zaal in de Tate, met werken uit 1996, is dit het duidelijkst te zien. Hier hangen schilderijen van curven en krommingen, in pure heldere kleuren, het is een feest van concaaf en convex en van horizon, een feest dat de hele ruimte in beweging brengt.

Kelly, een rustige, sympathieke man die bij zijn opening alleszins bereid was om zijn werk toe te lichten, zei over deze laatste werken: “Ik wil eigenlijk niet dat mijn schilderijen af zijn. Ze zijn niet voltooid. Ze veranderen in het licht, de kleur verandert, de vorm verandert. Er zit ook ruimte áchter de schilderijen: ik wil ze naar voren brengen, onze wereld in. De muur is de grond, het schilderij is de vorm.” Hierna haalde hij een klein beeldje, van ongeveer 7 centimeter hoog, uit de zak van zijn donkerblauwe jasje. Het was een paar duizend jaar oude steen van azuurkleurig porfier met blauwe vlekken, aan één zijde vloeiend in een curve uitgehold. Kelly verzamelt dergelijke archaïsche Noordamerikaanse 'Birdstones', die ooit een rol hebben gespeeld in rituelen van Indianen en die hij 'de eerste Amerikaanse kunst' noemt. Een Birdstone, zei Kelly, heeft 'een aura van vorm': het is een abstracte vorm die een eloquente en onontkoombare aanwezigheid heeft. Zo'n steen is concreet en magisch tegelijk. En dat is precies, vervolgde hij, wat hij zou willen van zijn schilderijen: dat ze 'een eeuwig bestaan in het heden hebben'. Wie bereid is zich over te geven aan de weelderigheid - een favoriete term van Kelly - van zijn kleuren en vormen zal het ook zo ervaren. Ze bieden een hevige sensatie van het eeuwige in het moment.