Ouderen op partnerjacht

Jacqueline van Duin: Onwennig maar toch... Volwassen nieuwkomers in de hofmakelij. Boom, 208 blz., ƒ 39,50

Het interessantste aan dit boek is het onderwerp. Veel 'oudere volwassenen' zijn tegenwoordig actief op zoek naar een levenspartner. Dat is iets nieuws: vroeger speelde hofmakerij, zoals de schrijfster het bij gebrek aan een betere term noemt, zich vrijwel alleen onder jongeren af. Wie niet op zijn dertigste getrouwd was, had voorgoed de boot gemist. Het trouwen als hoogste vervulling van het persoonlijk leven is een ideaal dat pas in de twintigste eeuw voor iedereen bereikbaar werd.

In 1960 was slechts 3,4 procent van de volwassen Nederlanders ongehuwd. Sindsdien is dat aantal gegroeid: nu maken alleenstaanden 12,5 procent van de bevolking uit. Het scheidingspercentage liep op tot dertig procent. Ondanks de vele scheidingen en de verminderde sociale pressie om te trouwen, wil bijna iedereen nog steeds een vaste levenspartner. En daarom gaan ook oudere mensen, met één of meer verbintenissen achter de rug, opnieuw actief op zoek. Dit is een maatschappelijke verandering van betekenis. Het zou aardig zijn om iets naders te weten over al die middelbare vrijers en vrijsters, wier bestaan alleen al uit de huwelijksadvertenties in deze krant op zaterdag zo duidelijk spreekt.

Adverteren is volgens de sociologe Van Duin één van drie geïnstitutionaliseerde vormen om een partner te zoeken. De tweede is het bemiddelingsbureau, de derde de 'ontmoetingsplaats'. Geen van drieën is nieuw, en alledrie zijn ze de laatste decennia sterk gegroeid. Helaas, in dit boek wordt van die drie verschijnselen slechts één onderzocht, namelijk de 'ontmoetingsplaats', en daarvan dan nog een specifieke versie, te weten het dansavondje voor alleenstaanden. Van Duin, die eerder publiceerde over vrijgedrag onder jongeren in Warmenhuizen (waar zij opgroeide), heeft eigenlijk niet méér gedaan dan nog zo'n studie, maar nu onder bezoekers van dit soort avondjes. Haar methode noemt zij 'participerende observatie', wat betekent dat zij er zelf heen ging, rondkeek en meedeed. Naderhand voerde zij een aantal vraaggesprekken met mensen die zij had geobserveerd.

Het meest bevreemdende feit, weggemoffeld op pagina 53, is dat het onderzoek grotendeels al in 1987 plaats vond. Gebrek aan historisch besef onder sociologen komt vaker voor, maar van Duin maakt het wel heel bont. Zij analyseert een bij uitstek hedendaags verschijnsel, dat in niet veel meer dan dertig jaar tot stand is gekomen, op basis van tien jaar oud onderzoek.

De enige theoretische bespiegelingen in het boek, zijn van methodologische aard, en moeten het 'meespelen' van de onderzoekster zelf (en de beperktheid van haar onderzoek) legitimeren. De indruk die je als lezer krijgt is dat Van Duin dit onderzoek nu eenmaal had gedaan, vond dat het erg veel werk was geweest, en er nu, zonder nog meer tijd aan kwijt te zijn, nog een boek van wilde (of moest) maken. Zo wordt de lezer deelgenoot van haar ervaringen in twee verschillende soorten dansgelegenheden: zaaltjes en disco's. Duidelijk is dat hier geen doorsnee van alle partnerzoekers komt; het zijn vooral mensen uit de laagste bevolkingsgroepen.

Zo gedetailleerd mogelijk wordt beschreven wat mensen op zo'n avondje doen. Dat onwennigheid, ja schutterigheid, hoogtij vieren is onontkoombaar, en dat het weinig inspirerende leesstof is, eveneens. De verslagen zijn opsommingen van futiliteiten, van mensen die banale dingen zeggen, elkaar ten dans vragen, giechelen, afwachten of opscheppen. De tekst doet soms denken aan tienerdagboeken: niet alleen vanwege de pijnlijk nauwgezette beschrijvingen van semi-erotische betrekkingen, maar ook door de bijbehorende stilistische onbeholpenheden.

Op basis van hun houding en gedrag verdeelt Van Duin de zoekers, mannen zowel als vrouwen, in 'vernieuwers', 'volgers' en 'achterblijvers'. Zij stelt vast dat de vernieuwers vooral in de disco te vinden zijn, en de achterblijvers in de zaaltjes, waar het ouderwetser toegaat en vooral 'op veilig' wordt gespeeld. In de disco gedraagt men zich jeugdiger, wat meer succes heeft. Vooral jongere vrouwen die werk maken van hun uiterlijk boeken resultaat. Maar de kansrijkste houding is een combinatie van jeugdigheid en gebruik maken van levenservaring, zo stelt de onderzoekster vast.

In Hofmakerij door ouderen wordt een klein onderdeel van een fascinerend verschijnsel enigermate beschreven, iets waarbij collega-sociologen en sociaal-psychologen baat zouden kunnen hebben - als zij het tenminste niet erg vinden dat de verhalen tien jaar oud zijn. Dan hoeven zij zelf tenminste niet meer naar die tenenkrommende bijeenkomsten. Maar het boek geeft geen zicht op veranderingen door de tijd, noch op verschillen tussen sociale lagen. Geen indruk van de verhouding tussen de verschillende methoden van partnerjacht, sociaal noch qua kans op succes. Geen woord ook over een wanverhouding tussen de seksen. Zijn niet twee keer zo veel vrouwen als mannen van boven de veertig langs dit soort wegen op zoek naar een partner?