Onmin in de zeventiende eeuw; Een kijvend paar

Leonard Blussé: Bitters Bruid. Een koloniaal huwelijksdrama in de Gouden Eeuw. Balans, 208 blz. ƒ 35,-

Jacqueline BelHet lijkt een hopeloze onderneming het raadsel op te lossen achter twee portretten van eenzelfde dame uit de Gouden Eeuw; het ene bewaard in het Rijksmuseum, het andere in een pagode op het Japanse eiland Hirado. Toch is het de Leidse sinoloog/historicus Leonard Blussé in zijn boek Bitters bruid gelukt. Deze titel mag literair klinken maar Blussé heeft geen roman of novelle geschreven, wel een historische reconstructie.

Het boek is in de eerste plaats het verslag van een uitermate pijnlijke en langdurige poging tot echtscheiding. Een verrassende thematiek voor de periode waarin het verhaal zich afspeelt. In ruim tweehonderd bladzijden leidt Blussé zijn lezers door de wereld van de zeventiende-eeuwse Arnhemse landjonker Joan Bitter en zijn bruid, de vermogende 'Indische' weduwe Cornelia van Nijenroode van Delft. Deze Cornelia was de dochter van een vermaarde Hollandse zeevaarder, in dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie, en een Japanse geisha, destijds door de Hollanders 'keesjes' genoemd. Verwekt op het eiland Hirado werd Cornelia na haar vaders dood overgebracht naar het verre Batavia. Daar zou zij volgens het testament van haar vader een Hollandse opvoeding genieten.

Blussé's boek omspant zodoende de halve wereld, maar speelt zich toch hoofdzakelijk af in Batavia. Daar trouwden Cornelia en Joan Bitter in 1676, zes maanden nadat Bitter daar was aangekomen. Bitters eerste vrouw had de overtocht niet overleefd. De verbintenis tussen de zesenveertigjarige Cornelia, moeder van tien kinderen (waarvan er toen al negen overleden waren), en de acht jaar jongere Bitter kwam zeker niet voort uit een amour fou. Bitters trouwlust werd voornamelijk opgewekt door Cornelia's omvangrijke fortuin. Bovendien dacht hij in Cornelia een goede stiefmoeder voor zijn vier kinderen te vinden.

Omgekeerd lag de aantrekkelijkheid van Bitter voor Cornelia misschien minder voor de hand. Geld bezat hij niet. Status daarentegen kon hij meebrengen door zijn academische achtergrond en zijn hoge maatschappelijke positie als lid van de Raad van Justitie. Door met hem te trouwen, verwachtte Cornelia voortaan te kunnen beschikken over de hoognodige juridische steun bij haar handelstransacties. Bovendien zou zij weer kunnen circuleren in de hoogste kringen van Batavia, zoals ze dat jarenlang gewend was geweest tijdens haar eerste huwelijk met de welgestelde en vooraanstaande burger Pieter Cnoll. Deze was eerste opperkoopman van het kasteel Batavia geheel en in de praktijk verantwoordelijk voor de gehele boekhouding van de Compagnie in Azië. Wanneer Cornelia met manlief in een prachtkaros, versierd met het wapen der Cnollen (een gouden biet), door Batavia toerde, trok ze ieders aandacht. Zelfs wanneer ze de kerk van Batavia bezocht, gebeurde dat niet onopgemerkt aangezien zij zich liet vergezellen door een enorme slavenstoet, overschaduwd door de grote pajong, het privilege van de kooplieden van het kasteel. De riante residentie van Cnoll aan de Tijgergracht, de mooiste gracht van Batavia, sprak eveneens duidelijke taal: aan geld was hier geen gebrek.

Met Bitter wilde Cornelia waarschijnlijk haar leven op soortgelijk voet voortzetten, maar in de praktijk bepaalden vooral kijf- en vechtpartijen hun leven. Dat het er in huize Bitter weinig verfijnd aan toe ging, blijkt uit juridische verslagen die regelmatig melding maken van vechtpartijen op straat waarbij Bitter zijn ega tot bloedens toe in het gezicht slaat of van scènes waarbij hij haar ten overstaan van de slaven (ze hadden er vijftig) belachelijk maakte. Een aaneenschakeling van gerechtelijke procedures zorgt ervoor dat Cornelia en Joan Bitter tussen 1676 en 1691 in Batavia the talk of the town zijn. De eerste problemen openbaren zich wanneer Bitter, kort na de huwelijksvoltrekking, weigert Cornelia toestemming te geven om handel te drijven. Als reden geeft hij op dat dit hem voorheen niet was meegedeeld. Het was in die tijd niet ongebruikelijk dat de echtgenotes van de Hollanders in Batavia zaken deden. De mannen, die zo goed als allemaal in dienst waren van de VOC, mochten geen neveninkomsten hebben. Die regel werd dus omzeild door via een ondernemende echtgenote extra geldstromen in de privé-kas te laten vloeien.

Dat Cornelia van haar kant ook vasthoudend kan zijn, getuigt haar weigering om op Bitters verzoek het familiewapen op Cornelia's Cnollenkaros te laten vervangen door het zijne. Voor Bitter is het ook teleurstellend dat Cornelia niet de gedroomde stiefmoeder voor zijn kinderen blijkt te zijn.

Op alle mogelijke manieren tracht Bitter Cornelia haar fortuin afhandig te maken. Hoewel een man destijds automatisch eigenaar was van de gelden en bezittingen van zijn echtgenote, weet Cornelia door huwelijkse voorwaarden de mogelijkheden van haar nieuwe echtgenoot op dat gebied sterk in te perken. Ook anderszins blijkt zij een geduchte tegenstander voor haar hebzuchtige echtgenoot. Wanneer zij er bijvoorbeeld achterkomt dat Bitter haar bezit in de vorm van diamanten probeert weg te sluizen naar Nederland, eist Cornelia scheiding van tafel en bed en ze zorgt ervoor dat haar man wordt aangeklaagd wegens smokkel, geen aanbeveling voor een vooraanstaand VOC-functionaris.

Vijftien jaar lang zou de strijd tussen de echtelieden duren en aan het eind van het lied valt er nauwelijks een winnaar aan te wijzen. Als het paar uiteindelijk in Holland voor het gerecht moet verschijnen, verdwijnt Cornelia plots uit het beeld. Wat er precies is gebeurd, heeft Blussé ondanks veel spitwerk in archieven niet kunnen achterhalen. Waarschijnlijk is de 61-jarige Cornelia plots overleden. Wanneer en waar blijft onduidelijk.

Bitter mag ten slotte beslag leggen op de bezittingen van zijn overleden echtgenote, waarschijnlijk om er achter te komen dat van het vermogen weinig meer over is. Cornelia heeft in de loop der jaren aanzienlijke bedragen aan haar zoon en kleinkinderen vermaakt.

Het risico dat een boek over een driehonderd jaar oude juridische strijd tussen twee echtelieden uitmondt in een slaapverwekkende historische verhandeling, heeft Blussé weten te omzeilen door zich niet alleen te concentreren op de gerechtelijke procedures. De auteur weet de in hun echtstrijd soms wat eendimensionaal voortkijvende, schrieperige personages reliëf te geven door ook gebruik te maken van persoonlijke brieven en reisverslagen. Verder omkleedt Blussé de onvermijdelijk soms wat taaie juridische passages met levendige anecdotes uit de historische Umwelt van zijn hoofdpersonen. En zo scharrelen tussen de coulissen van het verhaal beroemdheden rond als Michiel de Ruijter, Jan Pietersz. Coen en Willem Ysbrandtsz. Bontekoe. Ook de iets minder bekende chirurgijn Nicolaus de Graaff, auteur van het inmiddels toch wel beroemde reisverhaal De Oostindise Spiegel, figureert in het boek op een van de schepen waar Bitter mee naar de Oost vaart. Blussé laat zijn 'Nawoord' voorafgaan door een motto ontleend aan de Shelley-biograaf Richard Holmes: 'Geschiedenis is de geschiedenis van succes en de biografie maakt zo'n onderscheid niet.' Zo is ook het verhaal van Joan en Cornelia nauwelijks een successtory. Blussé probeert zijn hoofpersonen recht te doen door verschillende kanten van hun persoonlijkheid te belichten. Joan Bitter, de Bataviase tijger die uit het gevecht met zijn vrouw voornamelijk naar voren komt als een harteloze schoft, eindigt als de bezadigde burgemeester van Doetinchem, treurend om de dood van zijn meest geliefde dochter. En Cornelia, de 'ontembare' zakenvrouw 'met haar op de tanden', blijkt daarnaast een trouwe dochter die haar moeder in ere blijft houden ook al heeft zij haar moeder na haar zevende jaar niet meer gezien. Na Cornelia's dood wordt op haar geboorteiland Hirado een pagode ingericht: vanwege de piëteit die uit haar brieven aan haar moeder spreekt, geldt Cornelia in Japan als een voorbeeld van eerbied voor de ouders.

Bitters Bruid past in de recente golf van biografieën en historische publicaties die de geschiedenis proberen terug te brengen tot menselijke proporties. Daarbij heeft Blussé opzettelijk gekozen voor een verteltoon die kennelijk bedoeld is voor een breder publiek, maar die leidt tot een schrijfstijl die af en toe diep door de knieën gaat. Aan de andere kant is het gedurfd dat Blussé Bitter af en toe sprekend en denkend invoert alsof hij een romanfiguur was.

Een 'bloedstollend verhaal', zoals Blussé het noemt, is Bitters Bruid niet geworden. Wel is het boek een geslaagde poging een kaleidoscopisch beeld op te roepen van een periode en van twee mensenlevens die op noodlottige wijze met elkaar verknoopt raakten.