Nietzsche onderzocht en vertaald; Hamer, worst en slaapmuts

Lesley Chamberlain: Nietzsche in Turin; The End of the Future. Quartet Books, 256 blz. ƒ 39,10 (pbk)

Mariëtte Willemsen: Kluizenaar zonder God; Friedrich Nietzsche en het verlangen naar bevrijding en verandering. Boom, 259 blz. ƒ 42,50

Friedrich Nietzsche: Aldus sprak Zarathoestra; Een boek voor iedereen en niemand. Boom, 327 blz. ƒ 54,50

De Turijnse kioskhouder Fino en zijn vrouw maakten zich al een tijdje zorgen over het vreemde gedrag van de Duitse professor Nietzsche, aan wie ze een kamertje verhuurden. Toen deze fervente wandelaar hun verzocht, zijn kamer als tempel in te richten, met fresco's en al, omdat hij de Koning en Koningin van Italië op bezoek zou krijgen, werd het hen te gek en schakelden ze een dokter in.

Vergeefs. De filosoof raakte allengs meer in de war en stuurde beledigende brieven naar vrienden, familie en aan Bismarck. Hij identificeerde zich met Boeddha, Alexander de Grote, Caesar, Voltaire, Jezus en Napoleon, hij vergat waar hij woonde en 's nachts beukte hij op zijn piano onder een vreselijk gehuil. Toen Nietzsche op straat snikkend een paard omhelsde en door twee agenten werd opgebracht, stuurde Fino ten einde raad een telegram naar enkele adressen die hij in diens correspondentie vond. Enkele dagen later werd de zwaar besnorde wijsgeer opgehaald door zijn vriend Overbeck.

Dat woord 'vriend' klopt misschien niet helemaal. Want hoewel Nietzsche veel met Overbeck correspondeerde, was hij al sinds lang niet meer tot vriendschap in staat. Nu zijn filosofen vaak contactgestoord en eenzaam, omdat ze menen dat niemand ze begrijpt. Rousseau, Schopenhauer en Wittgenstein koesterden een diep wantrouwen tegen de medemens in het algemeen en tegen hun weldoeners in het bijzonder. Als er echter één denker is die willens en wetens een martelende eenzaamheid over zich heeft afgeroepen, dan is dat Nietzsche.

Die eenzaamheid hoort zowel bij zijn leven als bij zijn werk, dat een profetische toon heeft en waaruit minachting spreekt voor bijna alle gevestigde waarden van onze cultuur. Deze minachting wordt steeds krachtiger verwoord totdat de waanzin erdoorheen begint te klinken. In de aanhoudende stroom van Nietzsche-literatuur zijn nu twee boeken verschenen, waarin een poging wordt gedaan om persoonlijkheid en werk van Nietzsche in hun samenhang te begrijpen vanuit het perspectief van eenzaamheid.

De Engelse publicist en recensent Lesley Chamberlain beschrijft in Nietzsche in Turin hoe koortsachtig de laatste boeken tot stand kwamen, voordat de grote denker de driehoekige, van een pluim voorziene slaapmuts van meneer Fino opzette om aan de arm van Overbeck definitief het rijk van de waanzin te betreden. En de filosoof Mariëtte Willemsen bespreekt in Kluizenaar zonder God aan de hand van losse aantekeningen, jeugdwerk en gedichten een langere weg tot die fatale afloop.

Beiden wagen zich aan een wat ongebruikelijke benadering. Hoe serieus neem je een denker immers, wanneer je je met diens leven of karakter gaat bezighouden in plaats van je alleen op het werk te richten, waar het toch eigenlijk om gaat? Schreef Schopenhauer niet terecht dat wie zich daaraan bezondigt, lijkt op iemand die in plaats van een schilderij te bekijken, zich over de lijst buigt en zich afvraagt of díe van smaak getuigt en wat dat vergulden wel niet gekost mag hebben? Voor Chamberlain gaat dat in zekere zin op, maar wat Willemsen betreft is dit wel het laatste dat je haar kunt verwijten.

Kluizenaar zonder God is een ernstig boek, dat zich van de zwaarte en pathetiek wil ontdoen die onvermijdelijk met Nietzsche gepaard gaan, een hang naar diepzinnigheid die Willemsen voortdurend in zichzelf bestrijdt, met even wisselend succes als de meester zelf. Ze probeert bijvoorbeeld, geheel in de geest van Nietzsche, de dode letter van de wetenschap te vermijden door haar boek te laten voorafgaan door een 'brief' aan ene B. want, zo stelt ze, 'de authentieke levendigheid van de brief maakt dat de vreemde lezers zich de gedeelde werkelijkheid van de schrijver en de originele lezer kunnen voorstellen'. Dat mag authentiek bedoeld zijn, het komt tamelijk koket over. Bovendien gaat bij mij, als iemand vertelt dat hij heel eerlijk is, automatisch mijn hand op mijn portemonnee.

Niettemin is dit een veel traditioneler boek dan op het eerste gezicht mag lijken. Het blinkt uit in een overtuigend samenhangende analyse, wat bij een veelzijdig, inconsistent en veranderlijk denker als Nietzsche geen geringe prestatie is. Willemsen schetst, aan de hand van drie figuren in het werk van Nietzsche, hoe hij zich probeert te bevrijden van de beklemming van de cultuur waarin hij leefde. Van het christendom, van de moraal, van het 'menselijke, al te menselijke', zoals een van de titels van zijn boeken luidt. De drie helden die deze rol op zich nemen zijn Prometheus, de 'vrije geest' (in de gestalte van de dwaas, en van Diogenes) en als derde de profeet Zarathoestra.

Naast een aantal fijnzinnige tekstinterpretaties is de conclusie van haar aanvankelijk als proefschrift verschenen boek aannemelijk en origineel: zij meent dat Nietzsche niet slaagt in deze onderneming, dat hij een kluizenaar is geworden als zijn profeet Zarathoestra, maar een kluizenaar zonder God. Iemand die, met andere woorden, de wereld de rug heeft toegekeerd voor iets hogers, dat hogere niet heeft kunnen vinden en nu tussen de wal van die wereld en het schip van de goden is terechtgekomen, in een uitzichtloos niets dat ook niets meer te bieden heeft.

Eigenlijk is deze conclusie voor een goed begrip van Nietzsche nog belangrijker dan Willemsen zelf beseft in haar dicht op de tekst blijvende interpretaties. Net als het merendeel van de filosofen die zich met Nietzsche bezighouden laat zij buiten beschouwing hoezeer diens filosofie tot aan het dramatische eind gebaseerd is op een heftig en niet aflatend verzet tegen de sleutelfiguren Christus, Schopenhauer, Plato en Wagner. Met alle vier heeft hij gedweept en bij allen ontwaart hij ten slotte de neiging het leven te ontkennen voor een hoger, maar volgens Nietzsche onwaarachtig ideaal.

Daarom had Willemsen zich bijvoorbeeld beter kunnen afvragen waarom Nietzsche zich op het laatst nog zo krachtig afzet tegen 'het medelijden', beter dan minitieus diens jeugdverzen te bespreken en een schetsje uit diezelfde jaren, beter ook dan stil te staan bij een kiekje van de handen van haar idool. 'Medelijden', dat aan het eind van haar boek zomaar uit de lucht komt vallen, is immers een belangrijke categorie uit Schopenhauers ethiek, en in de gedaante van naastenliefde het christelijk fenomeen bij uitstek. Het getuigt volgens Nietzsche van kruiperigheid en hypocrisie. Zoals diens profeet Zarathoestra de schare, in de bewoordingen van Oranjes nieuwe vertaling, voorspiegelt: 'Jullie houden het met jezelf niet uit en hebt jezelf niet genoeg lief: nu willen jullie je naasten tot liefde verleiden.'

Deze vertaling is overigens een grote verbetering ten opzichte van de vooroorlogse versie van Marsman (de dichter) en P. Endt; nauwkeuriger en meer eigentijds. Alleen werkt dat eigentijdse soms een beetje averechts, want Aldus sprak Zarathoestra heeft een bijbelse toon, zij het met veel pathos aangelengd, en dan is ouderwets taalgebruik soms onbedoeld overtuigender. Zie wat de vroegere vertaling van bovengenoemde zin maakte: 'Gijlieden houdt het met u zelven niet uit en hebt uzelf niet genoeg lief: nu wilt gij de naaste tot liefde verleiden.' Vergeleken daarmee steekt Oranje een beetje af als de pocket Groot nieuws voor u naast de oude bijbelvertalingen. Daar staat tegenover dat een afzwakking van de retorische kitsch, die in Nietzsches bevlogen en uiterst romantische symboliek doorronkt, de begrijpelijkheid van het boek beslist ten goede komt.

Het boek van Lesley Chamberlain laat Nietzsche niet worstelen met geconstrueerde helden als Prometheus, Diogenes of Zarathoestra. Ze heeft eerder oog voor zijn levenslange gevecht met de werkelijke idolen. Zij wijst er, niet als eerste trouwens, op dat Nietzsche vroeg zijn vader verloor en daarom erg ontvankelijk was voor intellectuele autoriteiten die dit gemis konden verzachten. Dat lijkt een wat makkelijke, freudiaans geïnspireerde verklaring, maar in Nietzsches geval is daar veel voor te zeggen. Voor Chamberlains inhoudelijke interpretatie van Nietzsche levert dit echter niet veel op, want anders dan bij Willemsen, getuigt Nietzsche in Turin van weinig filosofische belangstelling.

Waar Willemsen vooral het denken van Nietzsche analyseert, en tot de fascinerende paradox komt dat deze wijsgeer het leven propageert maar ondertussen de leer tot gekwordens toe voor laat gaan, daar volgt Chamberlain de mens Nietzsche in zijn laatste jaar in Turijn. Zij doet dat goed geïnformeerd, en laat de stad als een soort levenspartner figureren, van wie Nietzsche in alle eenzaamheid houdt. Voor wie Nietzsches biografie niet kent is dit een goede manier om de totstandkoming van het laatste, bij vlagen krankzinnig getoonzette werk te situeren, maar verder heeft Chamberlains boek geen pointe.

Het is misschien aardig te lezen dat in Turijn uiteenlopende schrijvers, van Tasso tot Rousseau en van J.M. Symonds tot Primo Levi, depressief werden of gek. Of om er nog eens aan herinnerd te worden dat Nietzsche, die altijd tobde over zijn gezondheid en zijn dieet, zijn moeder Laschschinkenwurst op liet sturen, alsmede beschuit van thuis en een gezellig tafelkleed. De aan Adorno ontleende anekdote, dat schooljongens om de in gedachten verzonken professor te plagen een handvol kiezels in zijn toegevouwen paraplu stopten, zodat een bui voor hem met een stenenregen begon, was nieuw voor mij en spreekt erg tot mijn verbeelding.

Chamberlain heeft een plezierige distantie. Nietzsches stijl bevat vaak briljante mental snapshots, schrijft ze terecht in haar voorwoord, maar het is jammer dat stijl en opinie bij hem zo makkelijk in elkaar overgaan. Aan de andere kant is zij weinig subtiel in wat de latere Nietzsche zo intrigerend maakt. Nietzsches waanzin is weliswaar waarschijnlijk aan een door syfilis te wijten paralyse ontstaan, maar juist hier houdt ze zich te veel bij de lijst en wat die kostte in plaats van bij het schilderij, om het beeld van Schopenhauer te gebruiken. Zo bezien vullen deze twee Nietzsche-studies elkaar dan ook mooi aan: voor de filosofie moeten we bij Willemsen zijn, voor de worst bij Nietzsche in Turijn.