Memoires van padvinder Noriega en hopman Clarridge; Spoken in drugsland

Manuel Noriega & Peter Eisner: The Memoirs of Manuel Noriega. America's Prisoner. Random House, 295 blz. ƒ 58,75

Duane Clarridge (met Digby Diehl): A Spy for all Seasons. My Life in the CIA. Scribner, 430 blz. ƒ 64,65

Als Nederlands journalist deed je er halverwege de jaren zeventig niet verstandig aan je te concentreren op een van de belangrijkste Amerikaanse onderwerpen van die tijd: de CIA. De Nederlandse media beperkten zich tot de onderzoeken van de Amerikaanse Senaat, bijvoorbeeld naar de moorden op de presidenten Arbenz (Guatemala) en Lumumba (Congo). Onthullingen over de meer krankzinnige acties die werden gesmeed door de CIA-afdeling Clandestine Services stuitten op ongeloof. De wereld moest niet ingewikkelder worden voorgesteld dan ze in Nederlandse ogen was. Om je reputatie niet op het spel te zetten moest je de vruchten van je werk dus verkopen aan media in landen als Zweden, Duitsland en Italië.

Een andere reden waarom journalistieke verhalen over de dirty tricks van de politiek of het bedrijfsleven niet populair waren en zijn, is de overdaad aan onmisbare details die de overtuigingskracht ondermijnen en het vermoeden van speculatie voeden. Ook The Memoirs of Manuel Noriega en het eveneens recente A Spy for all Seasons van Duane Clarridge lijden hieraan. De schrijvers zijn zo verstrikt in de details, dat ze geen ruimte meer hebben voor reflectie of een doordachte verantwoording van hun daden. Bovendien zijn beide heren hun hele leven leugenaar van beroep geweest: Noriega als sterke man van Panama en CIA-informant, Clarridge op leidinggevende posities in de CIA. Omdat niemand ze op voorhand gelooft, proberen ze hun herinneringen de schijn van soliditeit te geven met exact ogende gegevens: namen, plaatsen, data en uren.

Gerald Ford

Het telefoontje dat ik in 1976 thuis in New York kreeg van een van mijn CIA-contacten veroorzaakte dan ook vooral gevoelens van vermoeidheid. Tot meer dan een sober filmverslag voor de VPRO en de Zweedse televisie kon het die keer niet leiden. Als gebruikelijk spraken we af in The Class Reunion, een favoriet restaurant voor de top van de clandestiene dienst in Washington. Mijn man had informatie over de drugshandel van de sterke mannen van Panama: president Omar Torrijos en de chef van diens geheime dienst, Manuel Noriega. In Miami, de stad met het grootste CIA-station van de wereld, zou ik de details kunnen vernemen uit de mond van een aantal betrokkenen. Maar eerst moest ik nog even met mijn informant mee naar het hoofdkwartier van de inlichtendienst in Langley. In de Wunder Deli Bar, in het sousterrain van het CIA-hoofdkwartier, nam ik een pak papier in ontvangst: een geheim FBI-rapport uit juni 1975 over Noriega's drugshandel.

Ik bleek terecht te zijn gekomen in een desinformatie-slag, waarbij hele en halve onwaarheden werden verspreid. In de stijl van het genre moet ik nu daarom toch de nodige details opdissen en een aantal hoofdrolspelers voorstellen, die meer dan twintig jaar lang opdoken bij deze mengvorm van drugshandel, drugsbestrijding en de geheime buitenlandse politiek van de VS.

George Bush, de man die 13 jaar later een bloedige invasie nodig had om Noriega uit Panama te ontvoeren, was in 1976 directeur van de CIA onder president Ford. Noriega werkte (al sinds 1962) als informant voor Amerika's geheime dienst. In die tijd onderhandelde Omar Torrijos met de VS over teruggave van de controle over het Panama-kanaal dat een jaar later zou leiden tot de ondertekening van de Canal Treaty, door tegenstanders als Ronald Reagan en senator Jesse Helms consequent aangeduid als de Canal Give-away.

De campagne van verhitte voor- en tegenstanders van het verdrag, waarbij zich Panamezen hadden gevoegd die op de macht uit waren, was in 1976 in volle gang. Het opzetje in Miami leek doorzichtig. Eerst werd ik naar Boris Martinez gebracht. Martinez was de Panamese militair, die in oktober 1968 de staatsgreep had geleid waardoor de caudillo-president Arnulfo Arias naar Florida werd verjaagd. Al na drie maanden bevond Martinez zich op zijn beurt ook in het vliegtuig naar Miami omdat zijn collega Torrijos de macht had overgenomen. Acht jaar later kon Martinez zijn minachting voor Torrijos nog steeds niet verbergen. Volgens Martinez liet Torrijos het vuile werk opknappen door zijn vriend Noriega. Met de drugswinsten verrijkten zij niet alleen zichzelf, maar financierden zij ook een geheim team van terroristen, dat het Panama-kanaal moest saboteren voor het geval de onderhandelingen met Amerika over teruggave zouden mislukken. Uit de memoires van Manuel Noriega blijkt dit verhaal achteraf te kloppen. En in A Spy for All Seasons beweert Duane Clarridge dat de CIA op de hoogte was.

Martinez' bitterheid leidde indertijd in Miami tot nog een ontboezeming, waarvan ik me afvroeg of de CIA hem daarom had verzocht: oud-president Arias verdiende fortuinen met de handel in cocaïne en bereidde zijn terugkeer naar Panama voor. Arias zou daarbij worden geholpen door Watergate-inbreker Frank Sturgis, die na zijn ontslag uit de gevangenis in deze handel een broodwinning had gevonden. Sturgis, die ik al een tijdje kende, draaide het verhaal later weer in de door de CIA gewenste richting terug. Hij liet doorschemeren als dubbelagent voor de Drugs Enforcement Administration (DEA) contacten te onderhouden met zowel Arias als Noriega.

Dat moest George Bush geweten hebben. Sturgis had een paar jaar eerder via Watergate het land immers nog op zijn kop helpen zetten en werd daarom in de gaten gehouden. Bovendien waren zijn banden met de CIA bekend. Maar alles, inclusief het FBI-rapport, kon natuurlijk ook gelogen zijn met de bedoeling om via de onverdachte Europese televisie een verhaal te lanceren dat de Panamese leiders in diskrediet zou brengen en kon aantonen dat het onverantwoord was het strategische kanaal over te geven aan misdadigers.

Richard Nixon

Het vormen van een oordeel over mogelijke drugshandel werd nog gecompliceerd door de politieke manipulatie van de drugsbestrijding sinds Richard Nixon. In 1971 had de regering de voormalige CIA-agent Howard Hunt aan het hoofd gesteld van een geheim antidrugsbureau. In werkelijkheid vormde de drugsbestrijding een excuus om een nieuwe geheime dienst op te richten die regelrecht onder het Witte Huis zou vallen. Het was Frank Sturgis geweest die Howard Hunt had geholpen bij het opzetten van de 'narco hit-teams': antiterreurbrigades die konden worden ingezet tegen menselijke doelwitten.

Door het échec van Watergate verdwenen Hunt en Sturgis van het toneel, maar de mentaliteit bleef. De vermenging van drugshandel en geheime missies paste in een veel langere traditie. Al vlak na de Tweede Wereldoorlog steunden de Amerikanen drugstransporten van de mafia uit Europa, met name via Marseille, in ruil voor haar hulp bij de bestrijding van communistische vakbonden. De samenwerking met drugshandelaren bleef ook daarna intens. Vlak voor het aantreden van Bush als directeur van de CIA hadden onderzoeken van enkele Senaatscommissies weliswaar geleid tot aanscherping van de gedragsregels voor de CIA. Maar het onbedoelde effect was vooral een paradoxale zuiveringsactie van de dienst: honderden agenten verlieten het zogeheten 'dirty tricks department', om direct daarna weer aangenomen te worden bij de DEA. Daar konden ze hun internationale kruistocht tegen de 'commies' voortzetten.

Deze benadering werd in 1976 belichaamd door Ted Shackley, de rechterhand van CIA-directeur Bush. Hij had begin jaren zestig, tegen de zin van het Congress een geheime oorlog gevoerd in Laos. Die oorlog werd gefinancierd met grootschalige opiumsmokkel via Air America, de luchtvaartmaatschappij van de CIA. In die tijd had hij Oliver North leren kennen. Later leidde Shackley, deels met illegale financiën, de Operation Phoenix waarbij tienduizenden sympathisanten van de Vietcong in Zuid-Vietnam werden gedood. Na de Vietnam-oorlog bleef Shackley, wiens ster in de bureaucratische hiërarchie van de CIA bleef stijgen, doorgaan met zijn handeltjes. Via de Thais-Australische Nugan Hand Bank waste hij de winsten. Hij werd daarbij geholpen door een compagnon die voor het Pentagon werkte: Richard Secord. Beiden zouden in de jaren tachtig met Oliver North de 'Arms for Hostages Deal' opzetten, waarbij Iran Hawk-raketten ontving in ruil voor de belofte om gijzelaars uit Libanon vrij te laten. Ook bij het clandestien doorsluizen van geld naar de oppositie in Nicaragua, de zogeheten 'contra-oorlog' van North en Bush, speelden zij een rol.

Ronald Reagan

Af en toe zat ik er dicht bovenop en werd ik op de hoogte gehouden door een paar koortsige 'spoken'. Zo hoorde ik die dagen ook de naam van Richard Secord. Toen, in 1976, werkte Dewey Clarridge al jaren bij de CIA. Hij was een favoriete medewerker van George Bush. En van de Clandestine Service, inmiddels omgedoopt tot Directorate of Operations (DO), die door Ted Shackley als co-directeur werd geleid. Later, tijdens het vice-presidentschap van Bush, zou Clarridge, samen met North en en Shackley's zakenpartner Secord, betrokken raken bij de verscheping van de raketten naar Iran. Iedereen die zich in de rol van de CIA in Laos en Vietnam had verdiept, kende de naam van Secord dus medio jaren zeventig al. Zelfs een eenvoudige journalist uit Nederland.

Clarridge schrijft niettemin in zijn boek dat hij de naam Richard Secord pas in 1985 voor het eerst hoorde, een leugen die hij volhield voor de Senaatscommissie die de Iran/Contra-zaak moest onderzoeken. Clarridge bewijst de leugenachtigheid van deze getuigenis trouwens zelf. In een ander hoofdstuk klopt hij zich namelijk op de borst. Hij zou de strateeg zijn geweest van de contra-oorlog, die de regering van Ronald Reagan tegen de zin van het Congres voerde, en schrijft dat Secord voor hem in 1983 al wapens loskreeg van Israel om in te zetten tegen de sandinisten in Nicaragua. Een aardig slordigheidje.

Na de Iran/Contra-affaire moest Clarridge wegens meineed (zeven keer) ontslag nemen bij de CIA. Maar in 1992 profiteerde hij wel van een van de laatste daden van scheidend president Bush, die hem via amnestie ontsloeg van rechtsvervolging. Nu probeert Clarridge met zijn boek zijn reputatie alsnog te herstellen. Dat lukt, wat mij betreft, vooral als het gaat om zijn spijkerharde houding. Mooi is zijn onverbloemde pleidooi voor illegale en ondemocratische praktijken. 'Het breken van wetten van andere landen is onze business. Dat is de bestaansreden van de CIA.' Dat klinkt eerlijk. Liegen is in deze taakopvatting nobel werk: 'feeding lies to paranoid leaders is something we know how to do'. Een voorbeeld uit zijn boek. Clarridge beweert het harde bewijs in handen te hebben gehad van de samenwerking tussen de sandinisten en een cocaïne-kartel uit Colombia. Op een foto, gemaakt door een dubbelagent die drugs inlaadde in zijn eigen vliegtuigje, zou de hoge Nicaraguaanse sandinist Frederico Vaughan staan. Clarridge verspreidde deze 'harde' informatie over de hele wereld. Naar later bleek was de Frederico Vaughan op de foto echter een in Miami veroordeelde drugshandelaar die niets met de sandinisten te maken had.

George Bush

George Bush was nooit ver weg in de carrière van Clarridge. Na het presidentschap van Carter was Bush in 1981 teruggekeerd in de wereld van spionage en contraspionage. Als vice-president van Reagan nam hij de leiding op zich van de antiterreurpolitiek van het Witte Huis en van de War on Drugs.

Bush werd 'drugstsaar' en Clarridge was zijn CIA-chef voor Latijns-Amerika. Met Noriega regelde die dat de 'doodseskaders' van El Salvador in Panama getraind konden worden en maakte hij plannen om een antiterreurbrigade van het Panamese leger missies te laten uitvoeren in de hele regio. Van Noriega's banden met drugskartels merkte hij toen niets. Integendeel. Tot ver in de jaren tachtig bleef Noriega, die inmiddels generaal en commandant van de Panamese strijdkrachten was geworden, op vertrouwelijke voet opereren met Bush, de CIA en de DEA. Bij de agenten van de DEA in Panama en bij verantwoordelijke politici in Latijns-Amerika oogstte Noriega veel waardering voor zijn actieve rol bij de bestrijding van de cocaïnesmokkel, zo bevestigt Dewey Clarridge.

Totdat Noriega in 1983 en 1986 in de Amerikaanse pers werd beschuldigd van drugshandel. Toch ondernam drugstsaar Bush ook toen niets tegen de bondgenoot. Noriega was te belangrijk voor de militaire steun aan het regime van El Salvador. Bovendien fungeerde de Panamese generaal in die tijd als intermediair tussen de Amerikanen en Fidel Castro.

Maar in de loop van de jaren namen de klachten over Noriega toe. Omdat hij nooit van harte meewerkte aan de contra-oorlog in Nicaragua begon hij de Amerikanen danig te irriteren. Zijn brute repressie van de Panamese oppositie in 1987 deed de blanke en pro-Amerikaanse zakenwereld Washington te hulp roepen. Kort daarop besloten Bush en Reagan dat ze van hem af moesten. Die beslissing stond niet los van hun weerzin tegen de Canal Treaty, die erin voorzag dat de controle over het kanaal op 1 januari 1990 zou worden overgedragen aan Panama. Die datum naderde snel. Ze stuurden eerst nog gezanten om hem te bewegen af te treden en de rest van zijn dagen in een luxueus ballingschap te slijten. Tevergeefs.

In 1988 werd Noriega in Miami daarom aangeklaagd wegens drugshandel. Hij zou enorme rijkdommen hebben vergaard, terwijl zijn land verpauperde. Snel daarna haalde een stukje desinformatie alle kranten: Noriega zou betrokken zijn geweest bij de moord op een criticus van zijn bewind, die op het punt stond informatie te openbaren over de drugsrelaties van de generaal. Het verhaal bleek achteraf te zijn verzonnen door een CIA-informant in Panama. Toen Noriege het jaar daarop de verkiezingen manipuleerde, orkestreerden het Witte Huis, de CIA en het Pentagon een oorverdovende show van verontwaardiging. Bush was inmiddels president. Nog in zijn eerste jaar, twaalf dagen voordat het kanaal in Panamese handen zou komen, lanceerde hij een invasie die 23 Amerikanen en vele honderden Panamese burgers het leven zou kosten. Dat alles, naar zijn zeggen, om een misdadige drugsbaron en moordenaar voor de Amerikaanse rechter te slepen.

Dit keer had Bush wel succes. In 1992 werd Noriega wegens drugshandel veroordeeld tot 40 jaar gevangenisstraf. Bijna alle belangrijke getuigen (26 stuks) waren misdadigers, meestal drugshandelaren wier verklaringen door de Amerikaanse overheid waren gekocht met strafvermindering, geld en gunsten. Een half dozijn kroongetuigen zou de verklaringen later herroepen. Onderzoek, onder meer van de Miami News, wees bovendien uit dat Noriega's welstand was overdreven. Een deel ervan was te danken aan de CIA, die hem meer had betaald dan werd erkend. Maar dat leidde niet tot heropening van de zaak-Noriega.

Bill Clinton

Direct na de invasie werden de Panamese strijdkrachten ontbonden. Amerika hielp een nieuwe regering in het zadel, waarvan de belangrijkste leden banden hadden met banken die bekend stonden als witwassers van drugsgelden. Vorige maand gaf de huidige Panamese president de regering-Clinton toestemming om ook na 31 december 1999 (de datum waarop de Amerikaanse bases in Panama volgens de Canal Treaty ontruimd zou moeten worden) een grote militaire aanwezigheid te handhaven. De Amerikanen mogen hun luchtmachtbasis in Panama City gratis blijven bezetten en omtoveren tot centrum voor de War on Drugs. Want die moet worden voortgezet. Vanaf 1981 hebben de VS ongeveer 23 miljard dollar besteed aan deze oorlog, de invasie in Panama niet meegerekend. Veel succes had men niet: de strijd tegen drugs heeft geen enkel effect gehad op het aanbod in de VS. In de woorden van het Washington Office on Latin America: 'Sinds het einde van de Koude Oorlog is de oorlog tegen drugs het belangrijkste middel geworden om militaire relaties te onderhouden met de strijdkrachten in dit werelddeel'.

Noriega zit zijn veertig jaar in de gevangenis in Florida uit in een te koude gevangenis: de air conditioning is er verbonden met de provisiekamer van de keuken en kan niet worden uitgezet. Onder de bepalingen van de Geneefse conventie mag de krijgsgevangene zijn uniform behouden, en soms ontvangt hij zijn bezoek in vol ornaat, ook al is zijn leger inmiddels opgedoekt.

Als er geen slachtoffers waren gevallen in Panama zouden de memoires van Noriega enigszins op de lachspieren werken. De verongelijkte toon, het onbegrip voor het feit dat zijn oude bondgenoten hem hebben verraden, de machteloze parade van goede bedoelingen en bewijzen van onschuld roepen bij de lezer een gevoel van tevredenheid op, van plezier dat zo'n manisch manipulatieve (des)informant nu zelf de dupe is van leugens en verdraaiïngen. Wat had hij eigenlijk verwacht?

De memoires van Noriega zijn ingeleid en van een nawoord voorzien door Peter Eisner, die jarenlang correspondent in Latijns-Amerika is geweest voor Newsday. Volgens Eisner was Noriega's weigering om volop deel te nemen aan de contra-oorlog een motief voor zijn uitschakeling. De vermeende drugshandel van Noriega was een excuus voor een invasie. De fixatie op drugs diende als dekmantel voor militair ingrijpen. Eisner's naspeuringen en analyses illustreren nog eens de oneerlijke procedures, de ontoereikende bewijzen en de politieke druk die hebben geleid tot de veroordeling van Noriega. Ook de rechter in de zaak-Noriega erkende achteraf in twee interviews dat de staat zwak stond. Volgens hem hadden betere advocaten vrijspraak kunnen bewerkstelligen. Duane Clarridge benadrukt zelfs de verdiensten van Noriega bij de drugsbestrijding. Hij schampert dat de DEA wel met echte bewijzen op de proppen had moeten komen, om de invasie te rechtvaardigen, zonder de getuigenissen van Colombiaanse drugsdealers te hoeven kopen. Volgens Clarridge had Noriega (bijnaam: De Ananas) gewoon zijn pokdalige gezicht tegen: hij had het perfecte uiterlijk voor een campagne waarin hij als 's werelds grootste misdadiger moest worden afgeschilderd.

Eisner en Clarridge zijn het over nog iets eens: ook Bush had last van zijn imago. In zijn geval het idee dat hij een mietje was dat quiche en yoghurt at en geen gefrituurde varkenshuid, waar echte kerels een moord voor doen. Hij moest dat beeld te lijf gaan door stevig op te treden tegen een vijand die zwak genoeg was om een triomf te garanderen. Vergeleken bij de al of niet gesanctioneerde misdaden van carrière-spooks als Ted Shackley en Duane Clarridge was Noriega een padvinder. George Bush blijft voor de geschiedenis een keurige heer.