Klein paradijs (1)

Als ik het mij goed herinner, hadden wij afgesproken dat ik telkenjare melding zou maken van een amusant financieel fiasco dat mij het voorafgaande jaar zou zijn overkomen, zodat u enigszins een indruk zoudt krijgen van de wijze waarop uw geld, via mij, weer terug wordt gepompt in de Nederlandse economie - Kees van Kooten in Modernismen.

Zoals veel van onze generatiegenoten hebben ook wij de laatste jaren het verlangen ontwikkeld naar een tweede huisje, waar wij ongestoord kunnen genieten van de vrije natuur. Vooral mijn vrouw, moet u weten, is een echt natuurmens. Als dochter van een psychiater, die intern werkte en woonde op een psychiatrische inrichting, is zij opgegroeid in een huis dat middenin een bos stond. Naast een aantal andere eigenschappen die ik hier niet zal opsommen, heeft zij aan haar jeugd het vermogen overgehouden om goed te kunnen opschieten met gestoorden en zwakzinnigen. Bovendien heeft zij al vroeg geleerd welke cantharellen- en boletensoorten in de herfst uit de grond schieten, terwijl zij mij ook telkens weer weet te verrassen met de bijzondere band die zij heeft met dieren. Staande aan de waterkant kan zij met een speciaal soort gekwaak allerlei eenden naar zich toe lokken en zelfs met een regenworm weet zij binnen een kwartier een affectieve relatie op te bouwen.

Zelf ben ik meer een stadsmens die opbloeit als de pianola speelt in een doorrookte havenkroeg, maar met het klimmen der jaren doet zich ook bij mij de behoefte gevoelen om mij ergens te kunnen terugtrekken. Buiten zijn, en de geur van de magnolia ruiken, ja, daar gaat het om!

En zo gingen mijn vrouw en ik op zoek naar het ideale buitenhuisje, wat al snel een nauwelijks te verwezenlijken droom leek, omdat de natuur in ons land inderdaad niet veel meer is dan een stukje grond ter grootte van een krant. Maar nog niet zo lang geleden zei mijn vrouw “moet je horen” en las zij uit de zaterdagochtendkrant de volgende advertentie voor: “Huisje met eigen steiger, aan de Loosdrechtse plassen. Op huurgrond, gelegen middenin twaalf hectaren natuurgebied. Geen buren, grote tuin, geheel privé: ƒ 99.000.”

Er stond ook een telefoonnummer bij. “Dat zal ik voor de grap eens bellen”, zei mijn vrouw en even later zag ik haar driftig telefoneren. Ze was daar al enige tijd mee bezig, toen ze mij wenkte. “Het klinkt heel aardig”, zei ze, “ik heb hier een mevrouw aan de lijn en die vertelt dat dat huisje alleen met een bootje bereikbaar is. Het ligt op een soort schiereiland, middenin het niets. Er is nog iemand voor ons, maar als wij dat willen, kunnen wij vanmiddag om drie uur langskomen. Wij moeten dan bij een boer parkeren en daar zullen wij ook worden opgehaald met het bootje.”

De afspraak werd gemaakt en mijn vrouw legde de hoorn op de haak. Zelf liep ik naar de keuken om een boterham te smeren, toen ik bemerkte dat plotseling een vreemde, maar nog niet geconcretiseerde belustheid zich van mij meester maakte.

“Zei je dat er nog iemand voor ons was?”, riep ik met mijn mond vol vanuit de keuken.

“Ja”, riep mijn vrouw terug, “er is nog een geïnteresseerd echtpaar. Dat komt om één uur.”

“En hoe laat is het nou?”

“Het is nu twaalf uur.”

“Dus als wij nú weg gaan, kunnen wij ze nog net voor zijn. Je weet hoe het op dit ogenblik met de huizenmarkt is. Je moet er snel bij zijn. Het is echt iets voor ons om tegen het ultieme droomhuisje aan te lopen, dat net één minuut eerder voor onze neus is verkocht.”

“Je hebt gelijk”, riep mijn vrouw, aangeraakt door eenzelfde ongedurigheid, “ik ga meteen bellen of wij niet eerder kunnen komen.”

Weer hoorde ik haar driftig telefoneren en even later stond zij in de keuken voor me met een opgewonden blik in de ogen. “Het is geregeld”, zei ze, “maar we moeten nu onmiddellijk weg!”

Ik trok nog snel een nette broek aan en even later reden wij in de richting van de Loosdrechtse Plassen. (wordt vervolgd).