Kikkers en bloed

Toen Bob Dylan overschakelde van akoestische muziek op rock 'n roll waren de fans beledigd tot in het diepst van hun ziel. Wat voor heiligs was er geraakt? “Dylan confronteerde zijn publiek met de valsheid van het vertrouwen in de zuiverheid van hun eigen gemoed.”

Greil Marcus: 'Invisible Republic, Bob Dylan's Basement Tapes'. Als 'Stemmen uit de kelder' bij Nijgh & Van Ditmar, prijs ƒ 39,90

In De lege spiegel, een van de twee boeken die detective-schrijver Jan Willem van de Wetering wijdde aan zijn verblijf in een Zen-klooster in Kyoto, vertelt hij hoe een Amerikaanse bezoekster zich trots tot de meester van het klooster wendde met de mededeling dat zij er, in weerwil van wat niet al, in geslaagd was om in ieder geval één plek in haar hart volmaakt rustig en zuiver te houden. Waarop de meester, zonder een beat te missen en toch al niet één van de sentimenteelste, zei: “Ja, daar heeft u veel last van.”

Aan dat verhaal, en de spirituele karateklap die daarin wordt uitgedeeld, moest ik denken bij het lezen van die passages uit Invisible Republic, het nieuwe boek van de Amerikaanse cultuur-criticus Greil Marcus, die gaan over de reacties van het publiek. Het begon tijdens het Newport Folk Festival van zomer 1965, maar op zijn hevigst was het tijdens een Britse toernee in 1966 - op het feit dat Bob Dylan plotseling elektrisch was geworden en met een band optrad. De verontwaardiging die hij daarmee losmaakte ging die van een simpele 'belediging van de goede smaak' ver te boven. 'VERRADER! OVERLOPER! MOTHERFUCKER! JIJ BENT BOB DYLAN NIET! JUDAS!', waren een paar van de verwensingen die Dylan - een dag eerder nog hun profeet en lichtend pad - van de toeschouwers naar zijn hoofd kreeg geslingerd. Bij een optreden in Forest Hills, een maand na Newport, leek het publiek bij het inzetten van de band - die later The Band zou worden - bevangen te worden door een collectieve kotsbui en op de maat van de muziek schoksgewijs te veranderen in een schuimbekkend wild beest, dat, eenmaal ontketend, alles op zijn weg dreigde te vertrappen.

Marcus vergelijkt het kabaal van dat beest met het kabaal waarop de blanke bevolking van Little Rock, Arkansas, in 1957 negen zwarte teenagers onthaalde toen deze voor het eerst de hal van de Central High School betraden, met het kabaal ook van de blanke studenten die aan het muiten sloegen toen James Meredith het terrein van de Universiteit van Oxford, Mississippi opliep, en dat van de blanke mannen die in Montgomery, Alabama, Freedom Riders uit hun auto's sleurden en tot pulp sloegen.

Het geluid, kortom, van de haat, de pure onversneden, kikkers- en bloedspuwende haat. Een geluid dat kenmerkend was geworden voor een onderstroom in het Amerikaanse openbare leven, die is uitgemond in een golf van moorden en aanslagen: op de Kennedy's maar ook op Malcolm X, op Martin Luther King en op George Wallace. Op porno-koning Larry Flynt en op Andy Warhol, op Ronald Reagan en op John Lennon. “Het is mogelijk,” schrijft Marcus, “dat Bob Dylan op een bepaald moment een plaats innam in die reeks - hem zelfs aan het licht bracht, die reeks, en hem uitbreidde, louter en alleen door de intensiteit van zijn optreden en de kloof die dat optreden opende binnen zijn eigen culturele milieu.”

Balletjeshemd Een liedjeszanger verruilt zijn akoestische gitaar voor een elektrische, zijn werkmansplunje voor een balletjeshemd, een geruit pak en puntschoenen, en opeens is het wat de fans betreft fatwa time. Wat was hier aan de hand? Zo rabiaat reageren mensen toch alleen wanneer je aan hun kinderen komt of aan hun moeder, hun voetbalclub of opperwezen, wanneer met andere woorden hun heiligste der heiligen ontluisterd wordt en ze gekwetst worden tot in het diepst van hun ziel - de enige plek waar wellicht een meer dan levenslange garantie op zit? Correct.

Het culturele milieu waarin Bob Dylan begin jaren zestig verkeerde was dat van de folk-revival - een ideologisch monsterverbond tussen traditionele muziek en socialistische politiek dat zijn energie ontleende aan de veel bredere Beweging voor de Burgerrechten. Binnen die folk-revival gold Dylan als de ultieme belichaming van een heel scala aan waarden waarin, pakweg, het platteland boven de stad werd geplaatst, oprechtheid boven scholing, de gewone man boven de zakenman, en de natuurlijke expressiviteit van het volk boven de meer persoonlijke interesses van de kunstenaar. Maar bovenal vertegenwoordige hij de hoop op vervulling van een diep verlangen naar een plek van rust en vrede temidden van alle heisa in de wereld: een terwille van Het Beloofde Land geëgaliseerd gebied dat Dylan door middel van songs als 'Blowin' In The Wind' en 'With God On Our Side' naar veler idee gelocaliseerd had in de zuiverheid en de uiteindelijk goedheid van het hart van de luisteraar.

Die aan een eis grenzende hoop, een in sociale termen verpakte persoonlijke heilsverwachting, zagen de fans van de akoestische Dylan - als levend ijkpunt van geloofwaardigheid en authenticiteit - de bodem ingeslagen worden toen hij zich plotseling ging bedienen van het gereedschap van de rock 'n roll en besloot voortaan te gaan waar zijn muziek en zijn eigen verbeelding hem heenvoerden, ook al zou niemand hem daar meer kunnen of willen volgen. Een dergelijk subjectivistisch standpunt ervoer de folk-beweging - die wat mij betreft model staat voor een nog steeds wijdvertakte en diep ingesleten sociaal-realistische mentaliteit - als een onvergeeflijke vorm van decadentie en, vooral, nihilisme. De wereld veranderen? Natuurlijk, graag zelfs, was de gedachte - maar handen af van de werkelijkheid!

Rancuneus Kunst mocht (en mag) in die kringen eigenlijk alleen bestaan in de vorm van directe expressie van het 'echte', het 'organische', niet door moderne commercie en persoonlijke grillen gecorrumpeerde leven - als 'objectieve' bekrachtiging dus van het eenvoudige, liefst nooddruftige, als kenmerk van het goede. Een opvatting die niet alleen een rancuneuze afkeer verraadt van alles wat bijzonder, fantasievol, dubbelzinnig, ongrijpbaar, opwindend, fun en werkelijk mooi is, maar ook een diepgaand wantrouwen jegens de menselijke, lees: de eígen natuur. En het is dat wantrouwen, of liever gezegd, de valsheid van het vertrouwen, in de zuiverheid van hun eigen gemoed waarmee Dylan zijn publiek onbedoeld - en de Zenmeester uit het verhaal van Van de Wetering zijn Amerikaanse bezoekster heel erg bedoeld - confronteerde.

En het is waar, weet ik: precies op die punten waarvan mensen denken dat zij van binnen het meest authentiek-voelend en onzelfzuchtig zijn, ook in de spirituele zin van ego-loos, kunnen ze juist het meest dwingend en totalitair in hun aanspraken zijn - én, bij ontmaskering, het meest kwaadaardig. Heilig aan wat zij hun hoogste waarde noemen is voor de fundamentalisten-van-het-mooie-gevoel niet de inhoud van die waarde zelf, maar de bevestiging, keer op keer, van wat een werkelijk uitstékende verstandhouding zij met die waarde hebben en die waarde met hun. Dat iedereen dat wel even goed beseft.

In plaats van zijn publiek op te zadelen met songs die voorvallen en gedachtengangen weergeven waarmee men zich kon identificeren, besloot Bob Dylan de dodelijke letterlijkheid van de gelijkstelling van (puur maar oninteressant) leven en kunst te laten voor wat ze is. Hij smeedde uit taal, visioenen en volume een beeldenstroom waarin elke identiteit - tot die van hemzelf aan toe - uiteenviel en oploste. Maar, zoals Dostojevski's Groot-Inquisiteur nog eens aan Jezus zelf heeft proberen uit te leggen, geborgenheid in het eigen gelijk, winnen, is, hier beneden en ook vaak diep van binnen, belangrijker dan vrijheid.

Een jaar of wat geleden besloot een kennis van mij, een schilder van grote doeken en een fanatiek verzamelaar van vrouwenschoenen, zijn geluk te beproeven op de wilde vaart, in de hoop zo een mentale impasse te doorbreken. Geheel in de stijl van zijn rauwe zeebonk-fantasie kwam hij na een nacht passagieren op een Indonesisch eiland vol trots terug met een aapje. “Wat een leuk aapje heb je daar,” zei de kapitein toen hij het tweetal aan boord zag komen, “mag ik daar even mee wandelen?” “Natuurlijk,” antwoordde mijn vriend die groot ontzag had voor zijn gezagvoerder wiens onderbroeken hij waste, en zette het aapje naast hem neer. Waarop de kapitein het dier bij de hand pakte en het, na er een paar passen mee gelopen te hebben, met een enorme zwaai in zee gooide, waar het ogenblikkelijk in de golven verdween. Een daad die - daar was iedereen aan boord het direct over eens - getuigde van een grote wreedheid en een zeker zo grote wijsheid.