Jan Salie herzien

Joost Jonker: Merchants, Bankers, Middlemen. The Amsterdam money market during the first half of the 19th century. NEHA, 383 blz. ƒ 59,90

Nog steeds bestaat de opvatting dat het in de eerste helft van de negentiende eeuw in ons land een ingeslapen boeltje was. In alles liepen we achter bij het buitenland. Het bedrijfsleven teerde op oude roem en was niet in staat nieuwe wegen te bewandelen en nieuwe technieken toe te passen, en zag zich links en rechts gepasseerd door buitenlandse concurrenten. Een belangrijke oorzaak zou zijn geweest dat de Nederlanders niet bereid waren hun geldzakken te openen voor investeringen in nieuwe ondernemingen, onbeproefde technieken en onbekende werelden. De Nederlander trok de slaapmuts nog wat dieper over de oren, zoog nog eens aan zijn pijpje en dommelde weg in de trekschuit. Ondanks vele recente publicaties op het gebied van handel en industrialisatie in die periode leeft deze misvatting nog voort.

Toch was het niet zo'n gezapige boel als Potgieter ons heeft willen doen geloven. Innovatie in de industrie en scheepsbouw is wel degelijk zichtbaar, de landbouw floreerde mede door nieuwe methoden, en verkeer en vervoer namen toe door het opruimen van bestaande belemmeringen en door gebruik te maken van nieuwe vervoermiddelen. Er was dus kapitaal beschikbaar om nieuwe ondernemingen en infrastructurele werken in Nederland van de grond te krijgen. De Nederlandse rentenier stopte kennelijk niet al zijn geld in Russische staatsleningen of Amerikaanse spoortjes, maar was ook bereid te investeren in Nederlandse spoorwegen of fabrieken, als de dividenden maar hoog genoeg waren.

Maar hoe kwam men dan aan het geld, hoe werkte de kapitaalmarkt? Er is wel geklaagd over het ontbreken van een dynamisch bankbedrijf in Nederland, in tegenstelling tot bij voorbeeld België, waar de Société Générale nauwe banden met de opkomende industrie had. Maar was er in Nederland wel behoefte aan zoiets? Bestonden er misschien andere manieren om aan kapitaal te komen? En hoe zou een financiëel netwerk als het Amsterdamse, dat in de achttiende eeuw zo goed functioneerde, in de negentiende eeuw plotseling zo achterlijk en inadequaat geworden zijn? En waarom ontwikkelt het moderne bankbedrijf, in de vorm van naamloze vennootschappen, zich pas echt na 1890, terwijl de industriële ontwikkeling al eerder begint? Dit zijn de vragen die Joost Jonker zich stelt en die hij in zijn dissertatie wil beantwoorden.

Hij beperkt zich daarbij tot Amsterdam en verdedigt die beperking terecht met het overwicht van die stad in financiëel opzicht dat, zeker in de eerste vijftig jaar na Napoleon, nog overweldigend was. Het nu gangbare onderscheid tussen kapitaal- en geldmarkt acht hij voor Amsterdam in deze jaren niet toepasbaar. Aanbieders van financiële diensten maakten dat onderscheid toen ook niet en gaven krediet - kort- of langlopend -, verschaften leningen voor allerlei doeleinden, plaatsten leningen voor anderen, kortom deden alles waar hun cliënten behoefte aan hadden. Specialisatie in dit opzicht wordt pas veel later zichtbaar.

Om zijn stelling dat de Amsterdamse kapitaalmarkt adequaat was voor de toenmalige behoeften, kracht bij te zetten laat Jonker alle financiële instellingen in de hoofdstad de revue passeren, te beginnen met de Nederlandsche Bank, opgericht door koning Willem I in 1814. De Bank zou een dubbelrol moeten spelen: ten eerste als een instrument van de overheid, maar tegelijkertijd ook als een kredietverlenende instantie aan particulieren. Van dit laatste kwam zeker de eerste dertig jaar niet veel terecht, vooral door tegenwerking van bestaande handelshuizen.

Een aantal van de oude bank- en handelshuizen met gerespecteerde achttiende-eeuwse namen als Van Staphorst, Ketwich & Voombergh of Willink, om er enkele te noemen, verdween geruisloos van het toneel. Hun flexibiliteit was te klein om te overleven in een wereld waar de oude commissiehandel geen rol meer speelde. Maar andere, zoals Borski en Stadnitski & Van Heukelom, pasten hun operaties aan en overleefden. Hope & Co., onder de vleugels van Baring Brothers, breidde zijn activiteiten zelfs aanzienlijk uit, vooral in de sfeer van de effectenhandel en het plaatsen van (Russische) leningen.

De kassiers kwamen nog het dichtst bij wat wij nu commerciële banken zouden noemen, maar hun werkzaamheden vonden meest op kleine schaal plaats. De enige grote firma in dit opzicht was de Associatie Cassa, die inderdaad een belangrijke rol speelde in de Amsterdamse geldwereld.

Een nieuw fenomeen in het begin van de negentiende eeuw waren de Amsterdamse vestigingen van grote Duits-Joodse bankhuizen als Bisschoffsheim en Königswärter. Zij werden aangetrokken door het grote verschil tussen lange en korte rente in Nederland, waarmee aardige zaken gedaan konden worden. Elders was deze 'haute finance' actief in het financieren van spoorwegen en ook de eerste lijnen in Nederland werden door deze huizen gesteund. Bovendien brachten zij met hun belangstelling voor cultuur een zekere internationale stijl in het toch wat provinciale Amsterdamse wereldje. Via hen werden nieuwe economische theorieën als die van Saint-Simon hier bekend. Omstreeks 1850 verdwenen de meeste weer, omdat de arbitragehandel door de geringere verschillen in korte en lange rente minder aantrekkelijk was geworden.

Hoewel de bestaande financiële instellingen dus min of meer voldeden aan de vraag naar kapitaal, werden er toch wel nieuwe initiatieven ontplooid om te komen tot een echte handelsbank in de zin van de ideeën van Saint-Simon. Vier plannen voor banken naar het Franse crédit mobilier-systeem werden in 1856 ingediend door buitenlandse bankiers. De Nederlandsche Bank, door de regering om advies gevraagd, raadde echter goedkeuring van de plannen af: er was geen echte behoefte aan een dergelijke bank en men vond de plannen veel te speculatief. Maar ondanks deze negatieve houding kwam er wat later toch een aantal van dit soort ondernemingen van de grond, onder andere de - weinig succesvolle - Nederlandsche Crediet- en Depositobank van de bekende filantroop Dr. Samuel Sarphati. Alleen de Credietvereeniging van 1853 kende een redelijk succes omdat zij mikte op een klantenkring - de kleinere handelaren, winkeliers en fabrikanten - die bij de andere instellingen niet aan bod kwam.

Het centrale punt van de geldmarkt was de prolongatie, het belenen van effecten voor een maand of langer, met de kassiers en effectenmakelaars als bemiddelaars. Dit systeem nam zo'n hogevlucht dat het de geliefde methode werd zowel om spaargeld te beleggen als om bedrijfskapitaal te verkrijgen. Effecten waren gemakkelijk te verhandelen en de Amsterdamse Beurs vervulde hierbij een spilfunctie. De rente was laag, maar door het onderpand van de effecten was het lenen veilig. De flexibiliteit van de prolongatie was een van de redenen dat een echt bancair depositobedrijf slechts langzaam van de grond kwam; de meeste spaargelden werden via prolongatie belegd en alleen een zeer hoge depositorente kon een spaarder verleiden zijn centen bij een bank te beleggen.

Jonkers conclusie is dat in Nederland geld in overvloed beschikbaar was, dat vrijwel iedereen aan geld kon komen voor handel, bedrijf of fabriek via de bestaande, vaak zeer informele financiële kanalen. De meeste ondernemingen waren ook betrekkelijk klein en hun kapitaalbehoeften bescheiden. Dat er geld genoeg was blijkt ook wel uit het gemak waarmee de torenhoge Nederlandse staatsschuld kon worden geplaatst, hoewel Jonker dit laatste aspect alleen maar terloops noemt. Als er dus al sprake zou zijn van een achterblijvende ontwikkeling van de Nederlandse economie in de negentiende eeuw, kan dit niet veroorzaakt zijn door kapitaalgebrek.

Jonker voegt met dit boek een uitermate belangrijk element toe aan de voortgaande discussie over de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving in de vorige eeuw. En bovendien is zijn boek helder en vlot geschreven in mooi Engels en daardoor ook goed leesbaar voor niet-specialisten op het toch altijd lastige terrein van geld- en bankwezen.