Inzet kroongetuige vergt zorgvuldige toetsing

Na het mediaspektakel bij de Amsterdamse rechtbank heeft het Hakkelaar-proces nu in hoger beroep een aanvang genomen. Het Amsterdamse hof moet zich bij de behandeling daarvan ook nu weer buigen over de kwestie of het gebruik van de twee kroongetuigen toelaatbaar is. De rechtbank meende van wel en veroordeelde de verdachten wegens hasjhandel tot behoorlijke gevangenisstraffen.

Tijdens de eerste zitting van het hof vorige week stond de vraag centraal welke getuigen moeten worden opgeroepen. Het hof willigde vanmorgen het verzoek van de verdediging in ook leden van het openbaar ministerie (OM) te horen over de wijze waarop de overeenkomst met de kroongetuigen - officieel: de deal met de criminelen - tot stand is gekomen. Inzicht daarin is belangrijk omdat het instituut van de kroongetuige wettelijk niet is geregeld. Dus moet worden onderzocht of de inzet van dergelijke getuigen - het toezeggen van gunsten in ruil voor hun verklaring - in strijd is met andere rechtens relevante criteria of wellicht toch in ons rechtssysteem past.

Docters van Leeuwen, de voorzitter van het College van procureurs-generaal, zou met de deal hebben ingestemd. Het hof besliste vanmorgen dat hij niet als getuige zal worden gehoord, zoals de verdediging wilde. Wel heeft Docters van Leeuwen bij de rechter-commissaris al een verklaring afgelegd. Tijdens de zitting van het hof werd duidelijk dat de procedure niet geheel vlekkeloos was verlopen. De procureur-generaal noemde het “ambtelijk pijnlijk” dat de toestemming niet door de juiste OM-functionaris was gegeven.

Docters van Leeuwen is weliswaar de hoogste vertegenwoordiger van het OM, maar niet de procureur-generaal aan wie de zaak ter beoordeling had moeten worden voorgelegd. Dit had volgens een richtlijn uit 1983 de procureur-generaal te Amsterdam moeten zijn en dat is niet Docters van Leeuwen die procureur-generaal te Den Haag is. Onlogisch is deze regeling niet, omdat het tenslotte de Amsterdamse procureur-generaal is die verantwoordelijk is voor de behandeling van de zaak in hoger beroep.

Deze interne gang van zaken zou geen aandacht verdienen, ware het niet dat twijfel is ontstaan wie nu precies de waarheid heeft verteld. Docters van Leeuwen heeft namelijk tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij zijn toestemming had gegeven in zijn hoedanigheid van waarnemend procureur-generaal te Amsterdam. Minister Sorgdrager van Justitie daarentegen liet aan de Tweede Kamer weten dat Docters optrad als degene uit het College die op dat moment de portefeuille 'georganiseerde criminaliteit' behartigde.

Op zichzelf was deze mededeling juist, maar de gevolgde procedure was wel in strijd met de richtlijn uit 1983. De verklaring van Docters tegenover de rechter-commissaris klopte formeel ook niet. Alleen de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalt wanneer de ene procureur-generaal voor zijn ambtgenoot in een ander ressort mag waarnemen. Dat kan alleen op aanwijzing van de minister. Die aanwijzing ontbrak.

Is dit nu allemaal zo erg? Strikt genomen niet. Maar het is wel opmerkelijk dat door de hoofdrolspelers over een belangrijk aspect van de Hakkelaar-zaak - wie gaf toestemming voor de omstreden deal? - tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd.

Zijn dit vragen voor pennenlikkende kamergeleerden of kunnen zij daadwerkelijk voor de verdachten in de Hakkelaar-zaak consequenties hebben? Het Amsterdamse hof moet er nog over oordelen. Wat is daarbij van belang? Voor de rechterlijke beoordeling is maar één vraag echt belangrijk: hebben deze individuele verdachten een eerlijk proces gehad? De beantwoording van die vraag is uitgewerkt in het Europese Verdrag voor de rechten van de mens en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Europese Hof te Straatsburg.

Voorzover Straatsburg zich over de kroongetuige heeft uitgelaten, heeft het in elk geval vastgesteld dat cruciaal is of het OM over de deal met de kroongetuige volledige openheid heeft betracht. Alleen op die manier kan de rechter beoordelen of de verdachte een eerlijk proces heeft gehad. De vraag wie bij het OM de deal op zijn toelaatbaarheid heeft getoetst, is minder interessant dan de vraag of die toetsing zorgvuldig heeft plaatsgevonden.

In dat verband zijn er nog wel wat problemen die om een oplossing vragen. Zo klemt al meteen de vraag of het OM wel bevoegd was een kroongetuige toe te zeggen dat hij zijn door de rechter op te leggen straf niet hoeft uit te zitten. De wet biedt weinig ruimte voor twijfel. Het OM is verplicht vonnissen van de rechter ten uitvoer te leggen. Op deze harde regel heeft de Hoge Raad alleen een uitzondering toegelaten in situaties van overmacht, bijvoorbeeld omdat er geen cel beschikbaar is of omdat het Europese Hof de nationale veroordeling heeft gediskwalificeerd.

Is er ook sprake van overmacht in een situatie waarin een kroongetuige moet worden overgehaald een belastende verklaring tegen een medecrimineel af te leggen? Ook als die getuige tot alles bereid was als hij maar uit de Parijse gevangenis zou worden gehaald? Waarom had het OM hier niet kunnen volstaan met toe te zeggen dat het een lagere straf zou eisen, zoals in de oude richtlijn maar ook in de nieuwe richtlijn van 1 april jongstleden wordt voorgeschreven?

Dit zijn vragen die in een correcte toetsingsprocedure aan de orde behoren te komen, eerst intern binnen het OM en daarna extern tegenover de rechter. Daarbij is openheid een vereiste.

Bij een andere gelegenheid (de zaak-Hooghiemstra) kende het hof in een vergelijkbare kwestie geen pardon: waar de rechter wordt misleid, kan van een eerlijk proces geen sprake zijn. De Hoge Raad ging met dat strenge oordeel onlangs akkoord. Wanneer het recht van de verdachte op een eerlijk proces bewust of op een grove manier wordt veronachtzaamd, verspeelt het OM zijn recht om die verdachte te vervolgen.

Tegen die achtergrond is het goed dat niet geheimzinnig wordt gedaan over een mogelijk mankement in de toetsingsprocedure binnen het OM. De rechter moet er absoluut op kunnen vertrouwen dat het OM fair te werk is gegaan. Het bewaken van de eigen integriteit is de ziel van het OM. De kwetsbare verhouding tussen OM en de rechter is de laatste tijd al genoeg op de proef gesteld.