Hummel op wielen

Jan de Lange: De Fiat 500 & 600. Elmar, 144 blz. ƒ 29,50

Het stoerste hummeltje van het klassieke wagenpark is zonder twijfel de Fiat 500. 'Hij roept zoveel vertedering op dat het model wordt gebruikt voor het aanprijzen van de meest uiteenlopende producten' schrijft auteur Jan de Lange van De Fiat 500 & 600. Het autootje wordt al enkele jaren met karrevrachten uit Italië geïmporteerd, hetgeen hier weer met enige regelmaat leidt tot kilometerslange parades. Het mag alleen om die reden al merkwaardig heten dat in het Nederlands taalgebied geen geschiedkundige beschouwing (meer) bestond over dit wagentje, dat nog altijd de straten van Rome verstopt én zijn wat grotere en twee jaar oudere broertje, de 600. Een in 1990 verschenen boekje over de Nuova 500 tussen 1957 en 1975 is al lang niet meer te krijgen.

Nieuwe modellen van auto's komen zelden uit de lucht vallen en de 600 en 500 hadden dus ook een voorganger met een zeer hoge aaibaarheidsfactor, de Topolino - het 'muisje' - uit 1936. Verantwoordelijk bij de ontwerpen van alle drie, zij het bij de Topolino in mindere mate, was de even begaafde als bescheiden Dante Giacosa, een man die van de Fiat-directie al vroeg in zijn carrière - hij begon er in 1930 en nam veertig jaar later afscheid - te horen kreeg dat de toekomst van het bedrijf moest worden gezocht in de productie van kleine auto's. Italië was arm in de eerste helft van deze eeuw en kwam niet bepaald welvarend uit de Tweede Wereldoorlog. De bezine was er onbetaalbaar en de overheid baseerde de hoogte van de wegenbelasting op de cylinderinhoud.

De missie was goed besteed aan Dante Giacosa. Hij kwam niet uit een onbemiddeld gezin, maar was wel opgevoed met waardering voor zuinigheid, zorgvuldigheid en ijver én respect voor de gewone man. De kleine auto die hij zou ontwerpen moest dus goedkoop zijn, maar waardig. Geen 'gekrompen', armeluisversie van een groter model. En daarbij goed, veilig en duurzaam, want hoe simpeler van opzet, hoe minder gevoelig voor storingen. Giacosa kon er de tijd voor nemen, want gedurende de oorlog waren er geen deadlines.

De uitgangspunten dicteerden op voorhand een aantal latere kenmerken. De motor moest achterin, want directeur Agnelli haatte voorwielaandrijving. Hij had een keer in een prototype met deze aandrijving gezeten dat in brand was gevlogen. Met een motor voorin én achterwielaandrijving zouden dure homokinetische koppelingen nodig zijn, er zouden geen vier mensen in kunnen en hij zou te zwaar worden. De toenmalige Renault 4CV en de Volkswagen Kever hadden ook bewezen dat het een goed concept was.

De 600 werd in maart 1955 gepresenteerd en goed ontvangen. Het werd de populairste auto van Italië en zou een levensloop kennen tot halverwege de jaren tachtig. De 500 - tegenwoordig waarschijnlijk de populairste klassieker in Nederland - flopte omdat hij te klein, te karig en te duur was. De verkoop trok pas aan in 1960 toen hij goedkoper en beter was.

In het kielzog van deze twee modelletjes bevond zich de Multipla, waarschijnlijk de lelijkste en tevens aandoenlijkste mopshond uit de geschiedenis van het auto-ontwerp, maar van groot belang voor de latere generatie MPV's, de tegenwoordige multi purpose vehicles, zoals de Renault Espace. Van de 500 was nog een leuk bestelwagentje te maken, omdat de twee-cylindermotor achterin kon worden platgelegd. Bij de vier-cylinder van de 600 kon dat echter niet en toch moest er een 'break' van komen, omdat de traditie daar nu eenmaal toe dwong. De chauffeur kwam dus met zijn neus tegen de voorruit te zitten en de passagiers kregen zo'n beetje stahoogte. Maar de ruimte in de Multipla was ongekend. Vader kon hem door de week als bestelauto gebruiken en er in het weekend met het hele gezin mee uit rijden.

Jan de Lange, die eerder boeken wijdde aan De Snoek, De Eend en De Kever, ontpopt zich tot een belangrijk autohistoricus, die met grote precisie te werk gaat. Het leukst in de boeken van zijn hand is dat de Nederlandse component bij buitenlandse merken uitgebreid aan de orde komt. Wie wist nou bijvoorbeeld dat de Nederlandse 'topolinootjes' vroeger bij de firma Mulder in Boskoop werden geassembleerd.