Huizinga's langzame liefde voor Nederland

Anton van der Lem: Het Eeuwige verbeeld in een afgehaald bed. Huizinga en de Nederlandse beschaving. Wereldbibliotheek, 399 blz. ƒ 59,50

Drie dagen voor Hitlers greep naar de macht, op 27 januari 1933, hield de historicus Johan Huizinga een lezing voor de 'Deutsche Hochschule für Politik' in Berlijn. Hij had een van zijn favoriete onderwerpen gekozen: 'Die Mittlerstelling der Niederlande zwischen West- und Mittel-Europa'. Hij betoogde dat geen andere natie in Europa ooit zó bevorderlijk is geweest voor de materiële en geestelijke uitwisseling tussen staten van West- en Midden-Europa als juist de Nederlandse. Vooral de Republiek, als een 'wonderbaarlijk verschijnsel' uit de poel van de Nederlandse Opstand ontloken, heeft die middelaarsfunctie op grootse wijze vervuld: in de Europese politiek door haar streven naar machtsevenwicht, in het intellectuele leven door haar universiteiten, en in de cultuur door de opname van vervolgden en de betrekkelijke vrijheid van drukpers. De lofzang eindigde in mineur. In het huidige tijdsgewricht, vreesde de spreker, was Nederland niet meer in staat die waardevolle historische rol te vervullen. Het kleine land was nog veilig 'so lange sich die heutige Welt in ihren Fugen hält', maar een nieuwe grote oorlog zou niet alleen het einde van Nederland maar van de hele cultuur van het Avondland betekenen. Enkele maanden later was Huizinga in het nieuwe Duitsland niet meer welkom, en werden zijn publicaties er geweerd.

Deze Berlijnse rede vormde een belangrijk moment in een episode in Huizinga's loopbaan waarin hij optrad als 'Nederlands ambassadeur in geschiedenis', zoals Anton van der Lem het uitdrukt. De wereldberoemde geleerde bereisde toen vele landen, en liet overal boodschappen achter van dezelfde strekking: de uniciteit en het uitzonderlijke belang van de Nederlandse beschaving, zoals die zich vooral in de zeventiende eeuw heeft gemanifesteerd. Dat Huizinga veel met die beschaving ophad, is bekend. Hoe die voorliefde zich heeft ontwikkeld is het onderwerp van het proefschrift van Van der Lem, dat voor een belangrijk deel is gebaseerd op onuitgegeven geschriften. De raadselachtige titel lijkt weggelopen uit een vers van de dichter Adwaita, maar is ontleend aan een notitie van een andere sanskritist, namelijk Huizinga zelf, in vervoering geraakt door een Hollands interieurstuk van Esaias Boursse in de Londense Wallace Collection.

Van der Lem maakt duidelijk, dat Huizinga's passie voor de Nederlandse beschaving niet van het begin af aan heeft gegloeid. Als Gronings student en als Haarlemse leraar schijnt hij voor de vaderlandse geschiedenis geen bijzondere hartstocht aan de dag gelegd te hebben. Ook in zijn eerste jaren als hoogleraar in Groningen was zijn animo op dat terrein (toch de helft van zijn leeropdracht) nog niet sterk ontwikkeld. Voor zijn colleges koos hij ondergewaardeerde onderwerpen als de achttiende eeuw, toen nog algemeen als een periode van louter verval verguisd. De jonge professor zette graag zijn tanden in zulke sjablonen, en zijn opvattingen over het vaderlandse verleden blijken vaker nogal tegendraads geweest te zijn. In de zeventiende-eeuwse partijtegenstellingen lag zijn voorkeur bij de staatsgezinden, en ook in zijn eigen tijd maakte hij geen geheim van zijn republikeinse gezindheid.

Toch is ook dan al een toenemende geestdrift voor de Nederlandse beschaving van de zeventiende eeuw te bespeuren. In die jaren vatte Huizinga het plan op voor een groot 'panoramisch' werk over dat onderwerp. Het is er niet van gekomen. Wel verscheen in 1919 Herfsttij der Middeleeuwen, volgens Van der Lem bedoeld als voorstudie voor dat nooit geschreven boek. Het maakte de auteur snel beroemd. In de wetenschap had hij over succes al niet te klagen gehad, met een Leids professoraat in 1914, maar gaandeweg werd hij een coryfee waar Nederland niet meer omheen kon. Evenmin kon hij om Nederland heen. Tussen beide ontstond een soort 'adoration mutuelle': Nederland was erg verguld met Huizinga, en Huizinga met Nederland, zo'n beetje het omgekeerde van de verhouding tussen Busken Huet en zijn vaderland. Johan Huizinga, telg uit een geslacht van eenvoudige doperse vermaners, werd overladen met alle eerbetoon die het dankbare vaderland in voorraad had. Zelfs mocht hij (weliswaar als tweede keus) in zijn eenvoudige maar daardoor des te meer indruk wekkende toga aantreden als getuige bij het huwelijk van kroonprinses Juliana.

De ijdele geleerde liet het zich allemaal welgevallen. Met overgave vervulde hij zijn officieuze ambassadeursfunctie en poseerde hij als het historisch geweten van de natie. Uit dien hoofde bemoeide hij zich intens met zulke zeer vaderlandse kwesties als de juiste tinten van de vlag en de juiste tonen van het volkslied, en bij tal van plechtige gelegenheden trad hij op als nationale feestredenaar. Het beeld van de Nederlandse cultuur dat hij bij dergelijke gelegenheden uitdroeg, zag er ook steeds roziger uit. Van der Lem geeft een aardige litanie van waardeoordelen waarmee dat object werd gekenmerkt: sappig en malsch, echt, eerlijk en eigen, innig, oprecht, zuiver, gezond, onopgesmukt, sober, waardig, ernstig, en vooral: eenvoudig, want Huizinga's appreciatie van culturen werd op den duur beheerst door een 'eenvoudscultus'.

Onaangename kantjes van de vaderlandse geschiedenis zijn van lieverlee wat bijgevijld. Zo werden de tegenstellingen tussen de staatsgezinden en de Oranjepartij opgeheven tot een heilzaam dualisme. Ook de calvinisten, vroeger nog al eens beknord, werden allengs positiever gewaardeerd, en zelfs de roomsen kwamen er beter af. Vanzelfsprekend werd de betekenis van Oranje steeds sterker aangezet, net als eertijds bij de oude Fruin toen die ouder en respectabeler werd. Zelfs van oprispingen van vaderlandse heldenverering (Van Speyk!) blijkt Huizinga niet vies te zijn geweest.

Heel begrijpelijk, denken we dan. Vooral na 1933 maakte hij zich, met recht en reden, ernstig zorgen over de toekomst van het lieve vaderland, en op zijn manier zette de grote historicus zich in voor het behoud van een Nederlandse identiteit. Niet voor niets verscheen het werk waarin zijn idealisering van de Nederlandse cultuur een euforisch hoogtepunt bereikte, zijn Nederland's beschaving in de 17de eeuw tijdens de duistere bezettingsjaren. Maar Huizinga's vaderlandsliefde is niet alleen uit zijn stellingname in politieke omstandigheden te verklaren. Van der Lem maakt aannemelijk, dat diens patriottisme meer een aandoening dan een keuze was. In Huizinga's eigen gevoelige woorden: 'Ons besef van eigen land bloeit in de sfeer van kinderherinneringen en terugverlangen, nostalgia. Het wekt de geur van dennen en akkerland en van zilte stranden'. Holland was voor Huizinga veel meer dan een dierbaar studieobject: het is zijn 'geestelijke levensvorm' geworden.

Met serieuze geschiedschrijving heeft dat allemaal niet zo veel te maken, houdt Van der Lem ons tussen de regels voor. Hij ergert zich voortdurend aan Huizinga's onwetenschappelijke exclamaties, en laat niet na de grote geleerde telkens de oren te wassen. Veel te vaak, naar mijn smaak. Als elke historicus was Huizinga een kind van zijn tijd (en een zondagskind bovendien), maar dat kon hij ook niet helpen, en kennelijk heeft hij onze tijd nog genoeg te vertellen om een lijvige historiografische studie als deze te rechtvaardigen. Zelfs een beetje te lijvig: die breed uitgesponnen weergaven van Huizinga's HBS-lessen, collegedictaten en onuitgegeven kattebellen zijn vast heel belangwekkend voor ware Huizinga-fanaten, maar een gehalveerde omvang had de overtuigingskracht van deze studie kunnen verdubbelen.