Het Planbureau versimpelt het godsgeloof

Het Sociaal en Cultureel Planbureau onderzocht de secularisatie in Nederland. Volgens J.A. van der Ven is dat onzorgvuldig gebeurd. De mensen hebben de kerken niet verlaten; zij zijn de kerken ontstegen.

Dezer dagen heeft in grote koppen in de kranten gestaan dat de islam in 2020 met 7 procent de tweede godsdienst in Nederland zal zijn. De rooms-katholieken zouden met 10 procent de koploper worden, terwijl de hervormden met 4 procent, de gereformeerden met 3 procent en de leden van de overige gezindten met 4 procent uit te bus zouden komen.

Ik vind deze voorstelling van zaken vreemd. De rooms-katholieke kerk is geen godsdienst, evenmin als de Nederlandse hervormde kerk of de gereformeerde kerk een godsdienst vormen. Deze kerken zijn denominaties binnen de christelijke godsdienst, die slechts ten opzichte van enkele secundaire zaken van elkaar verschillen. De islam als wereldreligie dient niet met deze christelijke denominaties te worden vergeleken, maar met het christendom als wereldreligie. En dan komt de islam met 7 procent te staan tegenover het christendom met 21 procent.

Tegelijkertijd blijkt 46 procent van de bevolking interesse te hebben in alternatieve levensbeschouwingen. Dit roept de vraag op: gelooft Nederland nog wel in God?

Natuurlijk, ik wil niet verhelen dat de teruggang van het kerklidmaatschap in de laatste tien jaar met ongeveer 1 procent per jaar een ingrijpend verschijnsel op de kerkelijke kaart van Nederland is. Maar de vraag is of het ook op de religieuze kaart een ingrijpend verschijnsel is. Meer toegespitst: wat zegt de neergang van de kerkelijkheid over het geloof van Nederlanders in God?

Wat het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), getiteld 'Secularisatie en alternatieve zingeving in Nederland' meldt over het geloof in God mag niet onbesproken blijven. Daarom vestig ik hier de aandacht op twee punten. Allereerst wil ik enkele gegevens uit het rapport naar voren halen over de verhouding tussen kerkelijkheid en geloof in God. Vervolgens wil ik enkele kritische kanttekeningen plaatsen bij de opvatting van de auteurs over het geloof in God.

De auteurs stellen dat het vooral de niet-kerkelijken zijn die niet in God geloven en dat vooral de kerkelijken wel in God geloven. Hiermee versterken zij een oordeel (vooroordeel?), dat slechts ten dele strookt met hun cijfers. Van degenen wier ouders de kerk hebben verlaten (tweede generatie niet-kerkelijken), gelooft 43 procent in een persoonlijke of niet-persoonlijke God. Van degenen die zelf de kerk hebben verlaten (eerste generatie niet-kerkelijken), gelooft maar liefst 66 procent in een persoonlijke of niet-persoonlijke God. Van degenen die slechts een enkele keer per jaar naar de kerk gaan (randkerkelijken), gelooft 92 procent in een persoonlijke of niet-persoonlijke God.

Hieruit blijkt dat kerkelijkheid en geloof in God elkaar absoluut niet dekken. Het beeld is aanzienlijk gedifferentieerder. Ik wijs nog op enkele andere cijfers uit het rapport. Het aantal niet-kerkelijken van de tweede generatie dat zich religieus noemt steeg tussen 1991 en 1995 van 8 procent naar 16 procent, terwijl het aantal niet-kerkelijken van de eerste generatie dat zich religieus noemt steeg van 29 naar 36 procent.

Om het wat scherp uit te drukken: niet de daling van de kerkelijkheid is verrassend, want dat wisten we al. Wat mij intrigeert, is het uit elkaar gaan van kerkelijkheid enerzijds en godsgeloof en religiositeit anderzijds. Het godsgeloof en de religiositeit verdwijnen niet met de kerkelijkheid, althans niet zonder meer in dezelfde mate.

Een vergelijking met het huwelijk dringt zich op: de waardering van het huwelijk als institutie neemt af, maar dat betekent niet dat het huwelijk als leefgemeenschap van wederzijdse liefde en zorg afneemt. Afscheid nemen van de kerk betekent nog niet afscheid nemen van het geloof in God. Eigenlijk is het spreken over kerkverlating onjuist: niet de mensen hebben de kerken verlaten; de kerken hebben de mensen verlaten.

Mijn bezwaar is dat de auteurs ervan uitgaan dat geloof in God uitsluitend geloof in een persoonlijke God is (49 procent van de bevolking). Mensen die geloven in God als een niet-persoonlijke hogere macht, worden door hen als niet-gelovigen bestempeld (22 procent van de bevolking). Vanwaar deze keuze? De auteurs zullen tegenwerpen dat zij uitgaan van de gevestigde religie, waarmee zij de drie eerder genoemde kerken bedoelen. Maar wat betekent de term 'gevestigde religie'? Is dat de gevestigde macro-religie van de kerkelijke topleiders, bijvoorbeeld wat de rooms-katholieke kerk betreft, in Rome? Of is dat de gevestigde micro-religie van de duizenden lokale kerken in Nederland, waar duizenden pastores week in week uit leiding aan geven?

In deze duizenden lokale kerken is een oneindige variëteit te vinden aan benaderingen, metaforen, symbolen en begrippen van God. Daarin wordt God niet slechts met behulp van persoonlijke beelden voorgesteld, maar ook, zoals in de bijbel en bij de grote mystici, met behulp van beelden die aan de natuur ontleend zijn, zoals zee, oceaan, afgrond, woestenij, vuur, licht en zon. Ook wordt God er benaderd vanuit meer abstracte begrippen, zoals bron, doel, grond, diepte, kracht, plan, beginsel. Daarnaast worden er ook dierennamen voor God gebruikt, zoals leeuw, arend, duif. En natuurlijk worden er ook menselijke namen gebruikt, zoals vader, geliefde, vriend.

Al deze beelden overstijgen de eenvoudige scheiding tussen geloof in God als persoon en als niet-persoonlijke macht. En zij overstijgen zeker de 'geloofsleer' van de auteurs die de visie op God als persoon als het 'ware geloof' zien en de visie op God als niet-persoonlijke macht als 'ongeloof'. Het SCP heeft niet het godsgeloof van de gevestigde microreligie in deze duizenden lokale kerken gemeten, maar zijn eigen 'orthodoxie'.

De auteurs zullen tegenwerpen dat ik het gewicht van de gevestigde macroreligie over het hoofd zie, inclusief de claim van het kerkelijk leergezag op het geloof in God als persoon. Maar zo eenvoudig liggen de zaken niet: religie is een complex verschijnsel. Niet slechts in de wetenschappelijke, maar ook in de kerkelijke theologie is het persoon-zijn van God voorwerp van bezinning en discussie.

Dat kan ook niet anders, omdat dit persoon-zijn als individualiteit kan worden opgevat, waarmee God onderworpen zou worden aan de tijdruimtelijke begrensdheid en eindigheid van de menselijke individualiteit. Hij zou daarmee een individu naast andere, menselijke, individuen worden. En daarom heeft er in de kerkelijke theologie altijd een krachtige tegenstroom bestaan, die het radicale mysterie-karakter van God benadrukt, waardoor zijn persoon-zijn wordt gerelativeerd en de scheiding tussen persoon en niet-persoon wordt overstegen.

Bij dit alles gaat het er mij natuurlijk niet simpelweg om het aantal gelovigen te vermeerderen door er diegenen bij op te tellen die geloven in God als niet-persoonlijke macht. Het gaat mij om een veel fundamenteler punt: dient aan een empirisch onderzoek naar geloof in God niet een adequate, goed-uitgewerkte theorie van dit geloof ten grondslag te worden gelegd?

In zo'n theorie zou niet alleen de enorme rijkdom aan benaderingen van God dienen te worden verdisconteerd. In zo'n theorie zouden ook nieuwe beelden en begrippen van God dienen te worden opgenomen. Ik noem ze nieuw, ook al stammen ze uit de Verlichting en hebben ze een traditie van enkele eeuwen achter zich, maar hebben ze nu pas het bewustzijn van zeer grote groepen mensen bereikt, namelijk die van het deïsme en het pantheïsme. In het deïsme wordt God als een macht gezien die het louter zichtbare overstijgt, in het pantheïsme als een kracht en energie die eenheid geeft aan al wat bestaat. Vaak worden dit deïsme en pantheïsme in de verdomhoek geplaatst, zonder dat men er zich echt in verdiept, terwijl er toch een authentieke vorm van godsgeloof in gelegen kan zijn.

Wie op het einde der 20ste eeuw het geloof in God wil onderzoeken kan niet simpelweg de vraag herhalen die in essentie uit het onderzoek 'God in Nederland' van 1966 stamt. Er is in de tussenliggende dertig jaar het een en ander gebeurd! De auteurs geven toe dat ze omwille van de tijdsreeksen die ze willen onderzoeken, vragen moeten herhalen, die eigenlijk niet meer passen. De vraag naar God is er zo een! En ze was ook toen al achterhaald, zoals velen destijds hebben opgemerkt. Anders gezegd: de samenwerking tussen empirici, religiewetenschappers en theologen is dringend geboden.