Het gebaar van toen en nu

Wordt ons volk heftiger? Het moet met de registratietechnieken van de afgelopen halve eeuw al vrij nauwkeurig te meten zijn. Nederlanders, door de Fransen nog altijd bataves genoemd, waren in de meeste opzichten zuinige en werkzame mensen, zwijgzamer dan hun buren, misschien wel met een rijk innerlijk leven maar in hun gedrag wat grof besnaard, geen mensen van het grote gebaar, enz.

enz. Het is allemaal beschreven door een lange reeks buitenlandse waarnemers, en natuurlijk op z'n grondigst door J. Huizinga. Volgens Menno ter Braak zag je de Nederlanders op hun vrolijkst in het buitenland als ze groepsgewijs ansichten aan het schrijven waren en door lachstuipen uit- en in elkaar werden gedreven. In het verhaal van Belcampo, Cascade d'ivrognes, komt een Nederlands gezelschap in een absintkroeg. De drank smaakt goed, de reisleider roep telkens Ober, nog deux! en steekt twee vingers van zijn rechterhand op terwijl hij met de linkerwijsvinger een cirkelende beweging over de groep maakt, tot tenslotte het gezelschap vrijwel blind de Lichtstad instrompelt.

Dit alles wordt in versneld tempo geschiedenis. Je kunt wel meesmuilend vaststellen dat natuurlijk weer een kruidenier de grondslag voor de doorbraak heeft gelegd: Albert Hein met zijn Franse kazen. Maar hem kun je geen kruidenier noemen; eerder is hij een nakomeling van Houtman en De Keyzer, die, zijn geluk in het Westen beproevend, steeds meer van de voedselvoorziening der Amerikanen in handen krijgt. De Nederlanders worden heftiger doordat we hier een mengcultuur krijgen, met elementen uit het zuiden. Maar degenen uit het zuiden die zich hier hebben gevestigd, blijven ook niet dezelfden. Zij worden weer beïnvloed door de cultuur van de globalisering, die de hele wereld een heftiger gedrag voorschrijft. Kijk naar de filmaffiches, de modefoto's, hoe de mensen in de praatprogramma's op de televisie 'emotioneel' tekeer gaan, wat er bij en in voetbalwedstrijden gebeurt, houseparty's. Het heftige, het 'emotionele' gebaar en gedrag veroveren de wereld, en Nederland verwerkt het op zijn eigen manier.

In de dagen van de Eurotop hebben we kunnen zien hoe de ontwikkeling vordert. Al een poosje steken autonomen die weten dat ze door de burgerlijke media worden vastgelegd, in de lens zo ver mogelijk hun tong uit. Het internationaal gebaar van verzet dat ook de Nederlandse autonomen goed afgaat. Maar hoe is het met onze staatslieden gesteld? Ik herinner me van nog niet zolang geleden een combinatie van beweging en gebaar waaruit een neemt u mij niet kwalijk dat ik hier ben sprak. Die houding was in Amsterdam verdwenen. In hun beste ogenblikken waren de drie gastheren, burgemeester, minister en premier, geroutineerde cosmopolieten. Ik sprak een fotograaf die de hele top heeft vastgelegd en die dus als het ware vivisectie op de leiders heeft gepleegd. 'Een heel verschil met vroeger' zei hij. 'De dag en de nacht.'

Misschien - dat zou het mooist zijn - als we vanzelf, nationaal, tot een scala van nieuwe expressie zouden komen. Zo ver is het niet. We zijn, voorzover ik kan zien, in een tussenstadium. We beseffen wel dat het anders moet, en ook die kant opgaat, de theoretische kennis is er wel, maar aan het naturel van de praktijk ontbreekt nog iets. Ik noem een voorbeeld: vertoon van oprechtheid in de Tweede Kamer. De afgevaardigde grijpt zich naar de borst, met beide handen of de rechter, ongeveer 10 centimeter onder de strot. In beginsel is het een goed, overtuigend gebaar maar het vergt een losheid in de spieren die je in de Kamer niet veel ziet.

Nog een voorbeeld, uit de politiek van stad en land. Er zijn veel ingewikkelde zaken aan de orde; er moet veel worden verklaard. Degene die dat doet, probeert met gebaren, het vraagstuk te segmenteren: houdt haar/zijn handen ongeveer dertig centimeter van elkaar, ter hoogte van het middenrif, eerst links van het lichaam en dan rechts, terwijl de verklarende tekst wordt uitgesproken. Het gezicht blijft in een halve glimlach. Het is een ondersteunende expressie die zich als - ja wat? lopend vuurtje kun je het niet noemen - over politiek Nederland heeft verspeid. Een van de besten is burgemeester Peper. Kenners van de gebarencultuur verheugen zich op zijn volgende persconferentie. Het is alsof hij bezig is, onzichtbare broden te verplaatsen.

Ik kom tot mijn slotsom. De wetenschap houdt zich bezig met de gesproken en de geschreven taal. Maar wordt ook het gebaar systematisch bestudeerd, historisch verklaard, in zijn ontwikkeling vastgelegd? Lang is het Nederlandse gebaar betrekkelijk statisch geweest. Van die periode nemen we nu snel afscheid. Wordt het verleden zorgvuldig bewaard, wordt deze overgangstijd wetenschappelijk vastgelegd? Het zou een verlies zijn als dat niet gebeurde.