Heimwee naar de vrolijke revolutie; De tiende Documenta in Kassel

Op de tiende Documenta, de grote vijfjaarlijkse moderne-kunstexpositie in Kassel, toont de Franse samenstelster Catherine David kunst die volgens haar een maatschappelijke taak heeft. 'Politics' is dan ook de titel van de achthonderd pagina's tellende catalogus, die zo veel weegt als een kleine hond. “Er zit veel verlangen in deze Documenta verborgen, of misschien is nostalgie een beter woord. Nostalgie naar wat nooit geweest is, de utopie.”

Documenta X, Friedrichsplatz 18, Kassel. 21 juni tot 28 september. Dagelijks geopend van 10 tot 20 uur. De catalogus kost DM 90. geb. DM124. Rondleidingen mogelijk, inl. 00 49 561 776444 en 7072735. Informatie: 00 49 -561- 707270. e-mail: info @documenta.de internet:http://www.documenta.de

De tiende state of the art in ruim veertig jaar, Documenta X in Kassel, wordt getoonzet door een architect, de Nederlander Rem Koolhaas. Hij heeft de entree-hal van een bijgebouw van het Hauptbahnhof beplakt met een gekleurd foto-behang waarop je een dichte bebouwing ziet van wolkenkrabbers en grootstedelijke wooncomplexen. Eroverheen is een lange tekst gedrukt waarin de tegenwoordig veel in Azië opererende architect zijn bezorgdheid uitspreekt over de toekomst. 'Zijn onze jonge generaties', schrijft hij, ' de eerste golf van een - zorgvuldig aangemoedigde - geheugenloze brigade die ertoe wordt opgeleid om de ultieme modernisering tot stand te brengen vanuit een - zorgvuldig in standgehouden - onwetendheid? Verklaart dat de alles doordringende lelijkheid die ons nu al omringt?'

Die tekst moet de samenstelster van deze rond 15 miljoen D-mark kostende mammoettentoonstelling, de Française Catherine David, uit het hart zijn gegrepen. De 'geheugenloosheid' die Koolhaas terecht signaleert, lijkt ze te willen bestrijden met een Documenta waarbij alles draait om de geschiedenis, of beter om de manier waarop de gebeurtenissen in de wereld en die wereld zelf worden vastgelegd. In beeld én in schrift: Documenta X bestaat niet alleen uit een tentoonstelling, maar ook uit een boekwerk, Documenta X - the book. Het zilverkleurige blok papier telt achthonderd bladzijden, staat vol teksten van filosofen, architecten, kunstenaars en theoretici en weegt zo veel als een kleine hond. The book is duidelijk niet als een bijvoegsel bij de tentoonstelling gedacht, maar als een zelfstandig element ernaast. De titel staat in vette letters temidden van een wirwar van theoretische begrippen zoals deconstructie, antropofagia en periferie, en bestaat uit een enkel woord dat klinkt als een vloek in de kerk: Politics.

Over politiek spreek je niet in de kunst, althans niet als tentoonstellingsmaker. Politiek banaliseert de kunst, neemt het aura weg en het idee dat kunst over andere werkelijkheden spreekt dan de alledaagse. Een tentoonstelling met een dergelijke basis is meestal geen publiekstrekker. Maar David is een Jeanne d'Arc. Ze zegt met die korte titel dat kunst geen uitzonderlijk, bovenwerelds fenomeen is, maar een product met economische belangen, een maatschappelijke functie en misschien zelfs wel een taak. Daarmee is ze verzekerd van vijanden, om te beginnen bij de kunstmarkt en het gevestigde circuit. Omdat aanval de beste verdediging is, heeft ze zich van meet af aan openlijk van het establishment afgekeerd. Geen deals, geen compromissen, wel moeilijk verhandelbare kunst als film, video en installaties. Daarnaast heeft ze het kunstbegrip zo opgerekt dat de expositie ook filmers, als sociaal werkers opererende kunstenaars en architecten omvat.

Naast de Tentoonstelling en het Boek staat bovendien nog het Debat. David vindt dat over kunst gediscussieerd moet worden, niet in termen van esthetiek, maar vanuit cultuurkritische overwegingen. Kunst = Cultuur. Om dat te onderstrepen heeft ze voor iedere dag van de honderd die de Documenta duurt een spreker uitgenodigd die een bepaald, bij de Documenta passend onderwerp zal behandelen, van cultuurcriticus Ackbar Abbas uit Hong Kong tot theatermaker Ritsaert Ten Cate uit Amsterdam.

Speels anarchisme

Wat zijn de onderwerpen van de Documenta? In wat traditioneel als het hoofdgebouw van de Documenta geldt, het Fridericianum, krijgen we daar een idee van dankzij alweer een Nederlandse architect: Aldo van Eyck. Ook hij heeft de centrale hal en ook hij heeft foto's met teksten opgehangen, zij het van andere aard dan die van Koolhaas. We zien foto's van 'primitieve' samenlevingen, van magische voorwerpen en door van Eyck gerealiseerde wooncomplexen, gelardeerd met vellen papier waarop reiziger en verzamelaar Van Eyck uitleg en commentaar geeft. Een ervan gaat over David. 'Catherine David had een specifiek idee over wat hier gepresenteerd moest worden', schrijft de bejaarde, maar strijdlustige architect, 'mijn werk uit de jaren 60 en 70, met Sonsbeek, de Amsterdamse speeltuin en het woonproject voor de armen in Lima, Peru in de jaren 80 , het Hubertus huis. Ook wilde ze foto's en teksten die mijn reizen en globale, antropologische opvattingen documenteren.'

De speels-anarchistische maar toch door het modernisme gestempelde mentaliteit van Van Eyck is typerend voor de 'tijd van de vrolijke revolutie', de jaren zestig en zeventig. Die tijd is voor de in 1954 geboren Franse intellectueel David een ijkpunt. Ze heeft zelfs een tiental kunstenaars van toen tot de kern van de tentoonstelling gemaakt, Hélio Oiticica, Gordon Matta-Clark, Lygie Clark, Michelangelo Pistoletto en Dan Graham onder anderen. De meesten van hen leven niet meer.

Waarom die periode? Ongetwijfeld omdat die tijd de meest politieke is in de geschiedenis van de moderne kunst. Het is de tijd waarin tal van kunstenaars socialer en politiek bewuster over hun kunstenaarschap en de functie van kunst zijn gaan nadenken en het museum als instituut onder vuur lag, de tijd ook waarin het kunstwerk alles mocht zijn behalve een object voor de handel. David stelt dat die kwesties in de jongste kunst opnieuw aan de orde komen. Ze grijpt de Documenta als de grootste en belangrijkste tentoonstelling van hedendaagse kunst aan om ontwikkelingen, die dertig jaar geleden zijn begonnen en die naar haar mening nog grotendeels ononderzocht zijn, in 'retroperspectief' te bekijken, dat wil zeggen terugkijkend vanuit een hedendaags perspectief.

Zaadje

Hoe ziet dat heden eruit? In het Hauptbahnhof, de eerste etappe van het 'Documenta-parcours', groeien tussen de rails van een ongebruikt spoor zeldzame wilde planten. De Oostenrijker Lois Weinberger (1947) heeft daarvoor gezorgd. Binnenin het gebouw heeft hij een eigen kamertje waarin onder meer een zompige matras op de grond ligt en kiekjes en getekende zelfportretten aan de muur hangen. Op de muur heeft de kunstenaar met potlood zijn verbazing over de plantenwereld opgeschreven: 'Een plant ontstaat uit een niet-plant.' Voor Weinberger staan zijn planten, die hij als zaadje van ver heeft gehaald en zich snel kunnen vermenigvuldigen, voor de migratie-problemen van tegenwoordig: het lokale onkruid zal er een gevecht mee moeten leveren.

Voor de beschouwer die niet uit zichzelf op die gedachte komt, is er een handzame gids samengesteld waarin de gedachten van en over de kunstenaars staan vermeld. Dat is geen overbodige luxe want in veel gevallen blijken de gronden veel dieper dan ze zich laten aanzien. Het plastic buizenstelsel bijvoorbeeld, dat bochtig en opvallend door het hele gebouw loopt, is van Matthew Ngui (1962) uit Singapore. Ngui belooft op een papiertje lekkere hapjes aan wie door zijn buizenstelsel met hem spreekt: 'You can order and eat delicious poh-piah'. Maar hij bedoelt er iets abstracts mee. Zijn kook-performance, waaraan we ook nog eens worden herinnerd door plastic teiltjes en vergieten op sokkels, moet uitdrukken dat 'een culturele identiteit bepaald wordt door ideeën over smaak, esthetisch plezier, kitsch en representatie'. We zouden het eens kunnen vergeten!

Lelijke vormgeving, migratie en culturele identiteit zijn nog maar een paar van de hedendaagse problemen die deze Documenta aankaart. Davids opvatting dat kunst politiek is heeft ertoe geleid dat ze kunstenaars heeft gekozen die de wereld becommentariëren of documenteren. En deze wereld verstedelijkt. Met een enorme snelheid en een ontzagwekkende lelijkheid, zoals Koolhaas aangaf. Op zijn foto-tekst volgen video-beelden van de Nigeriaan Oladélé Ajiboyé Bamgboyé (1963). Op verschillende monitoren toont hij Afrika zoals het zelden valt te zien: verschrikkelijk in z'n stedelijke overbevolking, z'n armoede en misère, en prachtig in z'n wil tot overleven. Bamgboyé, die nu in Londen woont, heeft een video willen maken waarin, zoals hij zegt, 'het door de massa-media gecreëerde beeld van Afrika wordt genormaliseerd'.

Je zou willen gaan zitten om aandachtiger naar zijn beelden te kijken, maar daar is geen gelegenheid voor, de monitoren staan wat verloren in de ruimte op sokkels. De kunstenaar hoopt dat dat ons ertoe aanzet mee te dansen als de Afrikanen feesten, maar eerlijk gezegd denk ik dat hij vreesde dat zitjes te veel het idee zouden wekken van tv-kijken. Zijn werk zou daarmee wel eens meer op een documentaire kunnen gaan lijken dan op kunst.

Aan zulk onderscheid hecht David niet. Integendeel, een groot deel van de aanwezige kunst lijkt juist eerst en vooral verslaggeving te zijn. Een van de vele voorbeelden daarvan zijn de zwart/wit kiekjes van Marc Pataut (1952). Pataut heeft, zo staat erbij, ruim een jaar lang de ontwikkelingen gefotografeerd rond een soort Ruigoord aan de rand van Parijs waar een groep vrijwillige en onvrijwillige marginalen een gemeenschap vormden die verdween omdat op die plek een sportcomplex werd aangelegd. Die wetenschap verandert je blik op de op zichzelf weinig interessante foto's. Het gaat hier dus niet om esthetische genoegens, maar om wat het beeld heeft mee te delen. Blijft de vraag of dat nieuwe inzichten biedt voorbij de verplichte verontwaardiging. Ik heb ze niet kunnen vinden.

David heeft de tentoonstelling in de verschillende gebouwen zo opgezet dat het ene werk thematisch aansluit op het andere. In de zaal naast Pataut hangen zwart/wit foto's van Lothar Baumgarten (1944) uit de late jaren zeventig. Ook zij beelden een gemeenschap af die weinig respect heeft ondervonden en zelfs 'primitief' wordt genoemd: de Yanomani-indianen in Venezuela. Baumgarten, die meer dan een jaar onder hen heeft geleefd, ziet zijn foto's als een persoonlijk dagboek en tegelijk als een antropologisch verslag van zijn ontmoeting met wat tegenwoordig 'de Ander' heet: mensen van een niet-westerse cultuur.

Hij heeft ze mooi en poëtisch gefotografeerd, maar juist dat maakt ze ook exotisch, zeker met de ontheemden van Pataut ernaast. Ze worden hier een gemeenschap van edele wilden waar onze sociale outcasts een intens treurig verlangen naar uitdrukken.

Kunst = Leven

Er zit veel verlangen in deze Documenta verborgen, of misschien is nostalgie een beter woord. Nostalgie naar wat nooit geweest is, de utopie. De Braziliaan Hélio Oiticica (1937-1980) is een van Davids' centrale figuren. Zijn werk is getekend door het verlangen naar sociale hervorming en het idee dat kunst daar een belangrijke bijdrage aan kon leveren. De kleurige kledingstukken die op een rek hangen, Parangolés geheten, zijn door Oiticica als kunstwerken gemaakt en waren bedoeld om in en mee te dansen. Op die manier zou, meende hij, de lichamelijke beweging de kleur en structuur van het kunstwerk onthullen. De drager werd daardoor een levende sculptuur.

Oiticica was bevriend met de Braziliaanse Lygia Clark (1920 -1988). Van haar zijn eveneens kledingstukken, maskers en voorwerpen tentoongesteld, van rubber of een ongewoon materiaal. Clark, die psycho-therapeute was, heeft ze voor haar patiënten gemaakt met de gedachte dat wanneer de dragers elkaar zouden betasten het kledingstuk een 'levend organisme' zou worden en men 'zijn eigen sex in die van de ander zou ontdekken.' Zo zou ook de lichamelijke ervaring tot kunst kunnen worden.

David laat het oude Kunst = Leven idealisme door Zuidamerikanen vertegenwoordigen, waarschijnlijk omdat aan Beuys en Fluxus onderhand niets nieuws meer valt te ontdekken. En in zekere zin heeft ze daarin gelijk. Maar de kardinale moeilijkheid van dit soort kunst krijgt er geen ander karakter door. In gebruikte voorwerpen die als kunst worden gebracht onderscheiden wij als kunstkijkers allereerst geheiligde fossielen van een ideaal dat niet meer levensvatbaar is. En daarmee is de vitaliteit van toen de nostalgie van nu geworden.

Het werk van Clark bevindt zich in het Ottoneum op de etage die voor het persoonlijke leven van de stedeling lijkt te staan. Het wordt geflankeerd door installaties van jonge vrouwelijke kunstenaars, waaronder de tweeling Christine en Irene Hohenbüchler (1964). De zusjes zijn geen therapeuten, maar werken wel met geestelijk of lichamelijk gehandicapten bij wie ze 'een creatief proces op gang willen brengen', bij voorkeur in groepsverband. De produkten van een zo'n project, zelfgemaakte kussens, geborduurde badpakjes en beschilderde zwem-eenden, staan nu tentoongesteld alsof het kunst is. Dat zijn ze natuurlijk niet. Ze zijn de uitkomst van een concept, een als kunst opgevat idee waar je wel sympathie voor moet hebben. Dat is er meteen ook zo hinderlijk saai aan.

Catherine Beaugrand (1953) maakt de kinderwereld politiek. Haar Lunapark bestaat uit een plastic reuzenrad en andere kermisattracties, formaat kinderspeelgoed, die op onverwachte momenten beginnen te draaien.Een video toont attracties uit Disneyland etc. en laat een kinder- en een robotstem horen. Beaugrand wil hiermee 'de consumptiemaatschappij ter discussie stellen als een wereld van specialiteiten en thema's die de hele wereld en zelfs de maan en de tussenliggende ruimte wil omvatten.' Interessant, maar waarom moet dit speelgoed die gedachte illustreren?

Er wordt veel geïllustreerd op deze Documenta. Dat is, als het om de esthetische ervaring van kunst gaat, het zwakke punt ervan. Maar David heeft ook niet voor esthetiek gekozen.

Ze heeft gezocht naar kunst en een manier van tentoonstellen die te denken geven. En het moet gezegd, daar biedt ze genoeg stof voor aan. Zo maar even door de gebouwen slenteren is er niet bij, daarvoor is de samenstelling te dwingend en zit het geheel ook te hecht in elkaar. Telkens merk je hoe de ene thematiek overgaat in de andere en hoe, wat de ene kunstenaar tekort komt of niet zegt, bij de ander wordt uitgediept.

Combinaties die bijvoorbeeld het probleem van de openbare en de privé ruimte in kaart brengen zijn de foto's van de Amerikaan Gordon Matta-Clark bij de foto's en teksten van de Duitse Amerikaan Hans Haacke en de gefotografeerde straatbeelden van Patrik Faigenbaum bij de interieurbeelden van de Fransman Jean-Louis Schoelkopf. De enige schilder op de Documenta, Kerry James Marshall (1955) werd op de openingsdag grondig bekeken door de gerafelde ikoon van de jaren zeventig, Dennis Hopper. Marshall heeft op een comic strip-achtige wijze de American Dream voor Afro-Amerikanen geschilderd, althans wat daar nog van over is. Op de grond ervoor heeft Bruna Esposito, als een cynisch commentaar, een groot bot neergelegd met een diamanten armband eromheen. En zo zijn er talloze samenhangen te vinden. Ze verdoezelen een beetje dat veel werken met elkaar sterker zijn dan ieder voor zich als het gaat om nieuwe inzichten of de aanzet daartoe.

Vooral de jongere kunstenaars kunnen hier slecht op eigen benen staan. Hun politieke en sociale ideeën komen vaak opgeblazen of naïef over. De wervelende betrokkenheid van een Ed van der Elsken lijkt hen ten enen male vreemd. Veel werk is ronduit academisch en dat is nogal pijnlijk voor iemand die de hele schilderkunst in de ban heeft gedaan omdat ze 'op z'n best academisch en op z'n slechtst reactionair is.'

Toch valt er ook heel wat te genieten. Van de hysterisch-koddige installatie van Mike Kelley en Tony Oursler bijvoorbeeld, die met alle kunst- en wereldproblemen een loopje nemen. Van het ontroerende filmpje en de foto's van Helen Levitt (1913) van het New Yorkse Harlem in de jaren veertig. Van de indrukwekkende filmische documentaire over vliegtuigkapingen van de Belg Johan Grimonprez. Van Marijke van Warmerdam (1959) met haar mooie kleine filmpje van een Indonesisch meisje dat, in een loop, telkens een mand rijst boven haar hoofd tilt en langzaam leeg laat lopen terwijl het licht (het lijkt wel schilderkunst) verglijdt.

Van Warmerdams projector staat bij schitterende tekeningen van Maria Lassnig (1919) die de inwendige beroeringen van haar organen, hersenen en hart in beeld brengt. Het is een plek waar je niet alleen met je hersenen kijkt, maar waar alles mee vibreert met wat de ogen registreren. Zo'n sensatie is nu in Kassel pas echt onwerelds geworden.