Een vloek in het IJ

Als je in het New York waar ik opgroeide Park Avenue afkeek, werd het beeld van de straat gedomineerd door een opvallend elegant kantoorgebouw dat zich verhief boven het Grand Central Station: New York General Building. Het stond op het kruispunt met 46th Street en markeerde het zuidelijke eind van deze gouden (maar saaie) boulevard.

Het rijke stuk van Park Avenue loopt in noordelijke richting door tot 97th Street. Daar komen de treinen vanuit Grand Central bovengronds en keldert de prijs van de huizen. Nog voor de eerste halte is bereikt, verandert de Upper East Side in Spanish Harlem.

In 1963 gebeurde het dat ik, een weekeindje thuis tijdens de vier jaar die ik in academische ballingschap in Baltimore doorbracht, Park Avenue overstak en merkte dat New York General plotseling veel groter was geworden. Ik bleef staan en keek nog eens goed. Verbijsterd zag ik dat ik naar een geheel ander gebouw stond te kijken. Het oude was verdwenen. Hoe hadden ze dat kunnen doen? Zelfs in New York kun je de burgers toch niet ongelimiteerd schofferen. Toen keek ik beter. Nee, het stond er wèl. Maar erachter was een monsterlijke reus verschenen, zodat het oude gebouw nu een nietig puistje leek op het muurvlak van een opvallend onelegante wolkenkrabber die zesmaal zo hoog was. Dit was het PanAm Building (PanAm ging enige tijd later failliet; de toren is omgedoopt tot Metropolitan Life). Het effect was bizar. Het PanAm Gebouw, volgens zeggen het grootste kantoorgebouw van de wereld, overvleugelde New York General Building volkomen, maar toch was het minder imposant. Heel Park Avenue was verschrompeld.

Het afgelopen jaar overkwam me dit zelfde gevoel van deflatie in het Amsterdamse Oosterdok. Zo lang ik in Nederland woon, vergat ik nooit, bij het binnenrijden van Amsterdam met de trein, om naar het pakhuis van de Oost-Indische Compagnie, ook 's Lands Zee-Magazijn geheten, en nu het Nederlands Scheepvaartmuseum te kijken. Het gezicht gaf mij altijd intense voldoening. Alles aan dat gebouw klopte: de massaliteit, de proporties, de articulatie, de ligging aan het water. (Zelfs de namaak Oostindië-vaarder die er sinds een paar jaar naast ligt doet daar weinig aan af.) De gedachte aan de onvoorstelbaar uitgestrekte gebieden in Afrika en Azië, waarmee Amsterdam tweehonderd jaar lang via de VOC verbonden was, voegde daar een opwindende historische dimensie aan toe. En daar lag het dan al die eeuwen. Heer en meester over dezelfde haven waar het in de jaren 1660 was neergezet en na een brand in 1791 volledig herbouwd. Dàt het er nog lag was een compliment van Amsterdam aan het verleden, en van het verleden aan Amsterdam. De functie van scheepvaartmuseum kàn niet toepasselijker zijn.

Maar helaas. Het mooie compliment dat Amsterdam aan zijn verleden maakt is in zijn tegendeel verkeerd. Het Magazijn van de VOC is heer en meester af. Het wordt letterlijk gekleineerd door een verre van bescheiden gebouw, een museum dat er uit ziet als een flamboyant beeldhouwwerk dat met de arrogante boog van zijn omtrek achteloos hoog oprijst boven het water van het Oosterdok waaraan je 's Lands Zee-Magazijn ziet liggen. Naast dit NewMetropolis, een museaal centrum voor technologie en wetenschap, toont het VOC-gebouw schamel, als een onbenullig reliek van een niet ter zake doend moment uit het verleden.

Het hele Oosterdok, dat ondanks de aanleg van een drukke spoorbaan, de Prins Hendrik- en de Oosterdokskade en de mond van de IJtunnel, altijd een soort waardigheid had bewaard, ligt er nu wat onnozel bij - Maduro-Amsterdam. Hoe graag ik ook zou genieten van de kwaliteiten die Renzo Piano's ontwerp ongetwijfeld bezit kan ik er niets anders in zien dan een eind-twintigste-eeuwse bagatellisering van Amsterdams verleden. Wat niet zou misstaan in de haven van Rotterdam of bij Sloterdijk, vloekt hier in het IJ - een monument van artistieke zelfgenoegzaamheid.

Amsterdam is een wonder. Een historisch wonder met zijn zeventiende-eeuwse plattegrond en grachten en gevels. Dat de stad die rijke vorm heeft gekregen dankt zij aan de explosieve economische groei in het korte moment tussen 1550 en 1650. Dat zij de eeuwen heeft overleefd dankt zij aan het tempo van een neergang die na 1650 inzette. Dat was te snel om grote nieuwe investeringen in de infrastructuur te rechtvaardigen en langzaam genoeg voor de oude gebouwen om het onderhoud te blijven krijgen dat ze nodig hadden om te overleven. Dankzij deze toevallige factoren bezit Amsterdam een groter historisch centrum dan enige andere stad in Europa. Daar liggen ook haar kansen om zich blijvend te verzekeren van een prominente plaats in de wereld. Amsterdams verleden is haar toekomst.

De grootste bedreiging voor die toekomst is het huidige economische succes van Nederland. Geldgebrek was de grote redder van het stadsbeeld; te ruime middelen kunnen in een moment van onbedachtzaamheid het historische hart van de stad vermorzelen. NewMetropolis werd, hopelijk, in zo'n moment van onbedachtzaamheid geconcipiëerd. Mogen wij gespaard blijven voor verdere ongelukjes. Want je moet er niet aan denken dat de naam werkelijk wijst op een toekomstvisie van een Nieuw Amsterdam. Als het zover komt, dan keer ik terug naar het echte.