Een schandaalkroniek van Alphonse Boudard; Het bordeel van de verdoemde madonna

Alphonse Boudard: De Madam van Saint-Sulpice. Vertaald uit het Frans door Truus Boot en José Rijnaarts. Podium, 311 blz. ƒ 39,90

'Alle mannen hebben nu eenmaal perverse fantasieën. Je kunt ze die beter ergens legaal laten botvieren dan ze te verbieden, anders krijg je Belgische toestanden', verkondigde de Franse schrijver Alphonse Boudard (72) twee weken geleden in het Maison Descartes in Amsterdam. Als Boudard met zijn laatste roman De Madam van Saint-Sulpice al een stelling heeft willen illustreren, dan deze.

In 1986 publiceerde Boudard al La fermeture, een roman over de bordeelsluiting die in 1946 in Frankrijk van kracht werd en waarin de hypocrisie van de drijvende kracht achter deze wet, de parlementariër Marthe Richard, aan de kaak werd gesteld. Vier jaar later verscheen L'Age d'or des maisons closes, een rijk geïllustreerd boek over de bloeiperiode van de Franse bordelen. Boudard was, kortom, al aardig ingevoerd in zijn onderwerp toen hij aan De Madam van Saint-Sulpice begon. Hij hoefde, zo vertelde hij, eigenlijk alleen nog maar uit zijn eigen herinneringen te putten. 'Mijn moeder zat in dat milieu en mijn peetvader was een bajesklant, net als mijn peetmoeder.'

Zelf bracht Boudard ook een tijdje achter de tralies door, om vervolgens, wegens een longziekte, in het ziekenhuis te worden opgenomen. “Als ik toen niet was gaan schrijven, was ik een zware crimineel geworden,” aldus Boudard, die in meer dan twintig boeken niet alleen zijn jeugd en zijn jaren in het verzet schetste, maar ook zijn verblijf in de gevangenis en in het ziekenhuis. Daarnaast schreef hij korte verhalen, toneelstukken en en een tiental scenario's voor Jean Gabin, Alain Delon, Jean-Paul Belmondo en Simone Signoret. In 1985 werd Mourir d'enfance, een mooie roman waarin Boudard onder andere vertelt hoe hij, geboeid en tussen twee agenten ingeklemd, de begrafenis van zijn moeder bijwoonde, bekroond met de Grand Prix de l'Académie française.

Gedreven door belastingschulden en aangemoedigd door een uitgever die wel brood zag in het pikante onderwerp, schreef Boudard De Madam van Saint-Sulpice, in zekere zin een kroniek van de Franse prostitutie in de eerste helft van deze eeuw. Van een bevriende, gepensioneerde commissaris van de zedenpolitie kreeg Boudard, zo beweert hij althans in de eerste hoofdstukken van zijn boek, de memoires van een hoerenmadam. En niet van de eerste de beste, maar die van Madame Blandine, eigenares van 'de Abdij', een chic, discreet bordeel waar voornamelijk priesters, bisschoppen en andere rooms-katholieke geestelijken hun verboden vleselijke lusten kwamen bevredigen.

De auteur begint zijn kroniek bij de opvoeding van Marie-Gertrude, de latere Blandine, in het Couvent des Oiseaux, de aangewezen plaats voor jongedames van aristocratische afkomst. 'Een hele entourage van rozenkransen, heiligenprentjes, gebeden in het Latijn, kleine meisjes met witte kraagjes, papieren kantwerk rond bidprentjes, rozenblaadjes die je naar de eerwaarde vader wierp als hij langsliep.' Marie-Gertrude weigerde te trouwen met de door haar ouders uitgezochte huwelijkskandidaat en zocht haar toevlucht weer binnen de kloostermuren. Zwanger van een knappe abt vertrok zij kort daarna naar een opvanghuis voor 'gevallen meisjes'. Haar zoon bracht zij onder bij boeren op het platteland, wat overigens ook het lot van Boudard zelf is geweest.

Van klooster naar bordeel was eigenlijk maar een kleine stap, aldus de verteller: 'De hoerenmadam is een soort moeder-overste, de meisjes onderwerpen zich gretig aan de riten van de zedeloosheid zoals vroeger aan de ceremonies van de Heilige Kerk. In het klooster komt de pastoor langs om de biecht af te nemen, in het sekshuis is het de waard die zijn veestapel komt inspecteren.'

Dankzij haar bekendheid met het kerkelijke vocabulaire en haar grote inventiviteit in het opsporen en bevredigen van de meest geheime verlangens, brengt Blandine het ver in de prostitutie. In de schaduw van de Saint-Sulpice zwaait de 'verdoemde madonna' vijfentwintig jaar lang met ijzeren hand de scepter over één van Parijs' bekendste bordelen. Handig weet zij verliefdheden te combineren met zakelijk gewin, terwijl opportunisme en een scherp oog voor eigenbelang haar geen windeieren leggen. Het stelt haar, ironisch genoeg, in staat de religieuze opleiding van haar zoon te financieren, die in Rome carrière maakt.

Het gedoogbeleid van vóór 1946 speelde in feite alle betrokken partijen in de kaart. De rooms-katholieke kerk stond oogluikend toe dat haar geestelijken hun seksuele perversiteiten uitleefden, mits dat maar discreet en buiten de kloostermuren gebeurde. De politie werd nauwkeurig ingelicht over de identiteit van de bezoekers en de aard van hun behoeften, zodat er enige druk kon worden uitgeoefend als er een dienst van hen werd verlangd. De partijkas van de radicale partij, die de bordelen gunstig gezind was, werd regelmatig gespekt. De Madam vergaarde een aardig kapitaal. De enigen die er niet beter van werden, waren de door Boudard zo vriendelijk aangeduide 'domme gansjes', de 'kalletjes' die de heren, in de daarvoor speciaal gemoderniseerde Abdij, zo vakkundig van hun hoge nood afhielpen.

Het is dan ook niet de sociale dimensie die Boudard interesseert. De Madam van Saint-Sulpice vormt eerder een quasi-historische catalogus van de in de eerste helft van deze eeuw gangbare perversiteiten, een roman picaresque à la Justine van Marquis de Sade. Die catalogus van 'van dattum' had wat mij betreft wel wat korter gekund. Maar Boudard is onvermoeibaar. Hij ziet zichzelf nu eenmaal graag als een verhalenverteller bij het haardvuur en daarom trakteert hij de lezer op smakelijke, maar niet altijd ter zake doende anekdotes over leden van de Académie française, helden, politici, priesters, soldaten, etc. etc.

Boudard spreekt niet alleen als een verhalenverteller, hij schrijft ook zo. Zijn werk is doorspekt met argot (bargoens) en zijn zinnen lopen vaker niet dan wel. In navolging van Céline worden ze vaak, als gedachtenflarden, door drie puntjes aan elkaar geplakt. De helderheid van deze eerste Nederlandse vertaling is dan ook een opmerkelijke prestatie.

Met De Madam van Saint-Sulpice zet Boudard genadeloos de hele rooms-katholieke geestelijkheid in zijn hemd, licht hij onbarmhartig het corrupte politieapparaat door en ontdoet de mafiose onderwereld uit het begin van deze eeuw van zijn romantische aureool. “Zo'n dertig jaar geleden,” bekende Boudard in het Maison Descartes, “had ik dit boek niet durven schrijven. Maar tegenwoordig moet je het wel erg bont maken om nog een schandaal te veroorzaken.”