Een parade van meubels uit het beloofde land

The American Interior 1930-1960. Groninger Museum, Groningen. T/m 17 aug. Dagelijks, behalve ma, van 10-17u. Vouwblad ƒ 2,50.

Alleen de koelkast ontbreekt, dat symbool bij uitstek van het wonderland Amerika uit de jaren direct na 1945. Het voelt als een gemis, want meer dan enig ander huishoudelijk apparaat sprak tot ver in de jaren vijftig de Amerikaanse ijskast - want zo noemde je het ding - tot de verbeelding van Nederland. Wél staat er in het Groninger Museum een cola-automaat, een loei van een tafelventilator en een forse draagbare platenspeler. Om de 'American dream' nog beter op te roepen, heeft het museum ook een pastelkleurige Rambler, zo'n benzineslurper met staartvinnen, neergezet.

De expositie The American Interior 1930-1960 is tot stand gekomen in samenwerking met het Vitra Museum in Weil am Rhein. Dit museum heeft de originele meubels voor deze zomermaanden uitgeleend. Aanleiding is de herdenking van de Marshallhulp, die een halve eeuw geleden op gang kwam. De titel is enigszins misleidend, want interieurs in de zin van ingerichte woonkamers zijn niet aanwezig. Grote hellende podia met vooral veel stoelen, een paar tafels, bureaus, een aandoenlijk kinderkapstokje, een vloerlamp van zeven losjes gestapelde rijstpapieren dozen door Isamu Noguchi plus die glimmende apparaten moeten een indruk geven van de Amerikaanse meubels uit drie decennia.

Opvallende blikvanger is de wand waaraan vijftien verschillend gekleurde stoelen van het echtpaar Charles en Ray Eames zijn bevestigd. Die stoelenparade wordt geflankeerd door 36 ingelijste stukken textiel die een in Nederland geheel onbekende kunstenaar, Alexander Girard, heeft ontworpen.

Toen Parijs in 1925 l'Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes organiseerde, waren de Verenigde Staten daar, in tegenstelling tot veel kleinere landen zoals Denemarken en Polen, niet met meubilair vertegenwoordigd. Amerika was synoniem met wolkenkrabbers, maar waarmee die bewoonbaar werden gemaakt, bleef duister. Te oordelen naar de weinige voorbeelden in Groningen van Amerikaans meubeldesign tot aan de jaren veertig, zou de Nieuwe Wereld in Parijs niets interessants hebben bijgedragen. Een lomp houten bureau met een bijpassende stoel van Gilbert Rohde (1935) lijkt een toonbeeld van de depressie waaronder de Verenigde Staten leden.

Pas in 1940 veranderde er iets ten goede en kreeg het Amerikaanse meubel een eigen gezicht. Het Museum of Modern Art in New York schreef een prijsvraag uit voor 'Organic Design in Home Furnishings'. Winnaars waren Charles Eames en Eero Saarinen. Deze twee vrienden, bij wie zich later Harry Bertoia voegde, bleven de jaren daarna experimenteren met nieuwe technieken, bijvoorbeeld het buigen van multiplex in schaal- of kuipvormen.

Van Charles en Ray Eames zijn in Groningen alle bekende stoeltypes aanwezig, met als vreemd buitenbeentje een kruising tussen een leunstoel en een sofa: La Chaise. De zitting - met een rond gat dat doet denken aan een sculptuur van Jean Arp - is van kunststof en suggereert een zwierige wolk. Maar die wolk moet contact met de aarde houden en daar gaat het mis: het onderstel van vijf schriele stalen poten rust in een veel te robuuste houten X-constructie. De onevenwichtige stoel moest slechts 27 dollar kosten, maar werd, begrijpelijk, geen succes.

Harry Bertoia slaagde er beter in om het zitgedeelte met de poten te laten harmoniëren. Bij deze beeldhouwer-ontwerper zijn beide onderdelen even licht en gewichtloos. De kuip bestaat voornamelijk uit lucht, tussen mazen van zwart of wit gelakt 'kippengaas'.

De organische meubels van Saarinen geven de bezitter meer comfort. Niet zonder reden gaf Saarinen aan sommige van zijn modellen de naam womb chair. Nog altijd buitengewoon elegant blijft zijn zogenaamde tulpstoel, gemaakt door de befaamde firma Knoll. Vooral de exemplaren zonder zijleuningen tonen het sierlijke profiel van een zich openende bloem. Dat komt ook door de steelachtige kolom waarop de kuip rust. Saarinen hield niet van stoelpoten, vond ze rommelig en verving ze door een enkele, slank oprijzende voet.

De expositie stopt bij het jaar 1960. Europa heeft dan de Amerikaanse voorsprong in de technologie van nieuwe materialen ingelopen en neemt, met Italië en Scandinavië voorop, de designleiding weer over. Daarmee is de korte bloeiperiode van het Amerikaanse meubel voorbij.

Amerika werd na de oorlog gezien als het beloofde land, met een hoge levensstandaard voor iedere ingezetene. Maar die levensstandaard was vooral hoog in vergelijking met het verpauperde Europa, dat kritiekloos en afgunstig opkeek naar de Verenigde Staten. De meubels van Eames, Bartoia en Saarinen behielden de glans van het volstrekt nieuwe totdat de ongelijke verhoudingen zich gewijzigd hadden. Het is nu niet meer goed na te voelen hoe groot die betovering was.