Een grote kop met een angstig oog; Runderschilder Marleen Felius

De ruimte in het Fries Museum waar ze exposeert, deed schilder Marleen Felius denken aan een K.I.-station. Daarom begon ze stieren te schilderen: “Oersterke reuzen en toch zo volslagen afhankelijk, uitsluitend van belang als sperma-machines.”

Marleen Felius, aquarellen en schilderijen, 28 juni t/m 31 augustus in het Fries Museum, Turfmarkt 11, Leeuwarden. Maandag t/m zaterdag 11-17, zondag van 13-17 uur. Catalogus met een inleiding van Koos van Zomeren.

Ook in galerie De Vis, Noorderhaven 40, Harlingen. T/m 6 september. Wo t/m vrij 13-17; za 11-17 uur.

De meest recente reis was in 1996 een kleine expeditie naar Tsjaad in Midden-Afrika. Studiedoel was een zeer oud en zuiver gebleven, en daardoor uniek koeienras dat daar leefde. Grote beesten, wit van kleur en met een hele lange dunne kop met opvallend dikke hoorns erop. Ze worden vooral rondom het Tsjaadmeer gehouden en worden daar zwemmend van eiland naar eiland gebracht. Dat een bloedlijn uit het verre verleden zo ongekruist en gaaf tot in het heden doorloopt is zeldzaam. Marleen Felius (1948) moest er dan ook dringend heen zoals zij eerder dergelijke studiereizen maakte naar Mexico, Arizona, Colorado, Noord-Dakota, Pakistan en Madagascar. Dit alles in dienst van haar levenslange passie en daaruit voortvloeiend project: een gedetailleerde registratie en classificatie van alle ongeveer achthonderd runderrassen die op deze wereld rondlopen, compleet met varianten, soorten en onder-soorten. Het lijkt een vreemde obsessie voor een schilder, een kunstschilder zelfs. Als bioloog is Marleen Felius (“Ik kan helemaal niet leren”) autodidact, als kunstenares werd zij aan de Rotterdamse academie opgeleid.

Haar belangstelling voor vee bestond toen al, hetgeen snel uit haar werk zou blijken. Haar registratiesysteem wordt gedragen door kleine aquarellen van alle varianten van de koe, vele honderden dus, gerangschikt in een streng patroon van verwantschappen en verspreiding over de continenten, landen en kleinere gebieden. Elk dier is volkomen gelijkend en op schaal afgebeeld. Toch, zegt zij, is elk door haar geaquarelleerd beest een individu, en geen abstractie van een hele groep. Een individu op basis van foto's en schetsen, maar toch een portret ten voeten uit van één bepaald dier.

Valt haar project onder de kunst? Of is het wetenschap? Of beide?

Marleen Felius volstaat met het antwoord dat zij het eindresultaat, de wanden vol met lange rijen koeienportretten, lijnen die in horizontale en vertikale richting een logische indeling gevangen houden, wel degelijk ook als kunst beschouwt. Het is een soort periodiek systeem van de elementen, maar veel uitvoeriger en gedetailleerder en onmogelijk zonder het ambachtelijk kunnen en de artistieke smaak van de schilder.

Het wordt dan ook in kunstmusea geëxposeerd. Dat begon in 1979 in Galerie Waalkens in Finsterwolde, in het huis van een kunstzinnige veeboer dus, en loopt via 't Venster in Rotterdam, De Kunsthal in diezelfde stad, een presentatie in het Deense Odense door naar het Fries Museum in Leeuwarden, waar nu de laatste stand van zaken te zien is. Uiteraard is het project tussen alle exposities in gegroeid en verfijnd. De exposities omvatten vanzelfsprekend ook haar andere werk. Marleen Felius blijft in de eerste plaats schilder. Ze maakt vierkante meters omspannende doeken in een gemengde techniek van acryl en olieverf van koeien en stieren, nu niet met de spitse detailpen getekend maar breed en ruig geborsteld in een monumentaal expressionisme. Een liggende koe, de op een veemarkt opeen gepropte lijven, een grote kop met een angstig oog. Inderdaad, elk dier is een door de schilder gekend wezen met een eigen naam en geschiedenis. En met karakteristieken die via de kunstenaar ook door de leek herkend kunnen worden.

Paringsdaad Toen Marleen Felius in Leeuwarden de ruimten bekeek waar haar tentoonstelling zou komen te hangen, frappeerde haar de hoogte van een der zalen: “Het leek veel op een K.I.-station. Meteen wist ik het, dát ga ik maken.” Speciaal voor die zaal schilderde ze een reeks van zes 'springende' stieren, van stieren tijdens hun omvangrijke paringsdaad.

Vooral stieren ontroeren haar. Kolossen, oersterke reuzen met een gewicht van tegen de ton, en toch zo volslagen afhankelijk, opgesloten en uitsluitend van belang als sperma-machines.

“Dat dubbele,” zegt ze. “Dat je in zeker opzicht ook bij veel boeren vindt. Ze houden van hun dieren, daarvan ben ik overtuigd. Ze kunnen echt met liefde over een koe praten. Toch is het dier uiteindelijk voor de slacht bedoeld.” Een en ander is juist dezer dagen actueel. We horen van varkenshouders die door het leed dat door de varkenspest hun dieren wordt aangedaan emotioneel in de war raken. Zonder pest echter leven hun dieren massaal in betonnen bakken, een kort ellendig leven op weg naar de slager.

Soms krijgt Marleen Felius van een veeboer de opdracht een speciaal geliefde koe te portretteren: “Ik vind dat heel leuk en ben bereid rekening te houden met de wensen van de opdrachtgever als die bijvoorbeeld die lelijke oormerken weg wil laten.”

Mensen, die zich met vee bezighouden, zijn zich, zegt ze, dat tegenstrijdige in hun houding niet bewust en, als je er over begint, begrijpen ze je nauwelijks. Onderbewust is er misschien wel wat aan de hand: “Een boer duidt een koe altijd met hij aan, nooit met zij. Misschien heeft dat iets te maken met afstand houden, niet al te sentimenteel worden.”

Het moment is daar om de onvermijdelijke vraag te stellen: hoe komt een kunstenaar ertoe zich vrijwel uitsluitend met vee bezig te houden?

“Die belangstelling is er altijd geweest. Met honden en katten had ik niets, maar wel met het paard van de groenteboer. Paarden waren het begin, daarna kwamen de koeien. En kamelen. Nog steeds verzamel ik alles over kamelen.” Waar de fascinatie vandaan is gekomen blijft in het duister. Marleen Felius werd geboren in Hillegersberg, een oude buitenwijk van Rotterdam. Haar vader was een heilgymnast-masseur (dat heet nu fysiotherapeut). Van speciale aandacht voor dieren of kunst was geen sprake.

“Ik wilde als kind al boerin worden en leerde in de vakantie op de boerderij melken. Als er geen paard of koe voorhanden was zat ik ze te tekenen, op papier schiep ik een eigen wereldje.” Ze wilde naar de academie maar dat stuitte thuis op bezwaren. Ze gaf toen de wens te kennen jockey te willen worden en bracht een paar jaar al haar vrije tijd op Duindigt door. Daar schrokken ze thuis voldoende van om dan maar de academie toe te staan.

“Daar was ik pas echt gelukkig. Het modeltekenen! Dat doe ik nog steeds graag, of ik een bloot dier of een bloot mens teken doet er niet zoveel toe.”

In haar derde academiejaar begon de specialisatie in de richting van vee. Paarden bleven haar interesseren maar het wereldje er omheen, de mensen dus, beviel haar niet. En schapen zijn te schuw, die kan je nauwelijks benaderen.

Koeien dus, één thema.

Metafoor

Er is ooit in Noord-Holland een schilder geweest die uitsluitend kippen schilderde. Of neem Klaas Gubbels met zijn koffiekannen. Of wijlen Kees Timmer met zijn panters en tijgers. In de meeste gevallen is dat ene dier of voorwerp een metafoor, worden ze gebruikt als symbolen voor allerlei gevoelens, angst, vreugde, boosheid. Vooral kippen met hun door iedereen gekende pikorde kunnen het doel van betekenislagen mooi dienen.

Zijn koeien voor Marleen Felius een metafoor?

Na enig nadenken ontkent ze dat dat het geval is. Hoewel: “Toen ik een tijdje ongelukkig was schilderde ik veel dieren achter tralies.” Er was ook een periode dat ze nooit kalfjes schilderde omdat die te lief en te sentimenteel gevonden werden. Dat lijkt op een poging om de metaforen juist te ontlopen. Het gaat haar, concludeert ze, vooral om dat ene dier. Die grote, zware, sterke koe, die toch geen kant uit kan. Die nog grotere en sterkere stier, aan wie bijna alles ontnomen is.

De ene koe is haar ook liever dan de andere, vooral bij stieren heeft ze sterke voorkeuren: “Sommige beesten spreken me niet aan, andere juist wel, die moet ik hebben.”

Ze zegt dat als ze op de fiets hard langs een weiland rijdt, dat ze dan nog de koeien in dat weiland als individuen ziet. De ene is niet gezond, de andere is tochtig, een derde is net drachtig. Ze kan ze net zo goed van elkaar onderscheiden als mensen op de Lijnbaan, een vlak bij haar atelier gelegen winkelcentrum. Koeien zelf zien elkaar ook als individuen: “In het weiland lopen ze altijd in een bepaalde configuratie, er bestaat een strenge rangorde, waarin vriendinnen in elkaars buurt grazen. Als koeien in het voorjaar uit de stal in het weiland gelaten worden zijn ze een paar dagen onrustig, dan is de rangorde nog niet vastgesteld.”

Ze nam zich dus voor om alle rassen ter wereld te leren kennen, op het eerste gezicht een onmogelijk te vervullen ambitie. Met de hartstocht van de ware verzamelaar zette ze door: shows bezoeken, nationale keuringen bijhouden, af en toe een veemarkt, corresponderen met stamboeken en veel reizen om zelf te gaan kijken, fotograferen en schetsen. Vooral op zoek naar 'marginale' rassen, rassen waarvan nog maar weinig exemplaren bestaan en die misschien zullen verdwijnen. Pas de allerlaatste decennia is er sprake van een bredere belangstelling voor het behoud van bedreigde rassen. Biologen en historici vrezen dat er zonder maatregelen straks wereldwijd maar één economische koe zal zijn, zij het dat er dan nog splitsingen zullen zijn in melk- en vleesmachines. In India bestaat nu zelfs een universiteitskudde om te blijven weten hoe het was. Toch overheerst de neiging naar standaardisatie in de Global Village die de wereld aan het worden is.

Koeien, weet Marleen Felius, waren oorspronkelijk 'dubbeldoe' of zelfs 'driedubbeldoe' wat in vaktaal wil zeggen dat ze meerdere functies in zich verenigden: melkproductie, vlees en trekkracht. Geen van die functies was optimaal maar het was het best haalbare en dat is in arme gebieden op deze wereld nog steeds het geval. Pas in de negentiende eeuw waren wetenschap en techniek genoeg gevorderd om gespecialiseerde rassen te fokken. Dat betekende vooral de splitsing in melkkoe en slachtvee. Melkvee is breed van voren en slank van achteren, bij slachtvee is dat andersom ter wille van de biefstuk-productie. Er is natuurlijk nog veel meer aan de hand dat voor Marleen Felius uit te zoeken bleef.

Bloedlijnen

Haar systeem omvat alle continenten die weer onderverdeeld zijn in landen en streken. Steeds worden de diertypen geregistreerd langs lijnen die van het noordwesten naar het zuidoosten lopen. Het gaat ook om bloedlijnen, historie van de rassen en het uiterlijk van de dieren. Voorts om hun onderlinge verwantschap. Het systeem dat ook nu verdwenen rassen met nog bekende bloedlijnen omvat wordt voortdurend uitgebreid met weer nieuwe detailleringen. Het totaal is een kunstwerk dat aan wanden hangt. Daarnaast bestaat er een kilo's wegend handboek van achthonderd pagina's waarin het project in zijn wetenschappelijke vorm is uitgewerkt. 'Rundvee, rassen van de wereld' bestaat uit de aquarellen, beschrijvingen, kaarten van de desbetreffende streken en diagrammen die naar verwante rassen verwijzen.

Pas na vijf jaar leuren werd er een uitgever gevonden (Misset) die het aandurfde met een Nederlandse en een Engelstalige editie. Na enige aarzeling kregen de liefhebbers het in de gaten, vooral toen Felius in 1995 in de Rotterdamse Kunsthal exposeerde, toen werd de eerste druk van vijftienhonderd exemplaren uitverkocht. Er is nu een tweede druk, uiteraard weer aangepast aan de huidige situatie.

Het is allemaal het werk van een schilder met maar heel weinig collega's. Dieren doen het in de waardering van beeldende kunst niet zo goed. We hebben nu Marleen Felius, we hadden vroeger Paulus Potter. Zijn beroemde stier moet, zegt Felius, de toen ideale fokstier voorstellen. Oorspronkelijk was er alleen het portret van de stier, het landschap is er later omheen gezet. Toen is het lijf van het dier om waarschijnlijk compositorische redenen wat ingekort. De ideale fokstier uit Potters tijd, zo is uit de literatuur af te leiden, moest rood zijn, een gevaarlijk uiterlijk hebben en grove ledematen. Potters stier voldoet aan die voorwaarden, zo zijn de lippen agressief opgetrokken en heeft het dier een kwaad rollend oog. Het beest moet geschilderd zijn op basis van in het veld gemaakte schetsen, want, aldus nog steeds Marleen Felius, de kop is van een ouder dier dan de romp en het door de opgetrokken lippen zichtbare gebit is van een nog ouder beest.

Het beest, vindt ze, heeft een enorme uitstraling, die kwaliteit overvleugelt de wat onhandig neergezette boer in het schilderij. Koeien, stieren, gaat het nooit vervelen? Ze ontkent dat, weet dat er steeds nieuwe invalshoeken zullen zijn.

Doet ze nooit eens wat anders?

“Jazeker, ik heb net een boek over varkens geïllustreerd.”