De laatste trip

Timothy Leary en R.U. Sirius: Design for Dying. HarperEdge, 239 blz. ƒ 56,40

Timothy Leary, de Harvard-hoogleraar die zich in de jaren zestig tot LSD bekeerde, werd al lang voor zijn dood in 1996 opgenomen in de Amerikaanse folklore, als een soort chemische Pietje Bell. Hij belichaamde als geen ander de doldrieste, 'ludieke' kant van de geestverruimende sixties. De laatste jaren vond hij aansluiting bij een trendy Californische cybercultuur, die in Internet en virtual reality de nieuwste poorten ziet tot een hoger bewustzijn.

Nadat prostaatkanker bij hem was ontdekt, nam Leary zich voor van zijn dood een even groot feest te maken als van zijn leven. Doodgaan was immers niet iets om over te sippen, maar juist 'de allergrootste trip'. Met zijn gebruikelijke gevoel voor de tijdgeest maakte hij bekend 'live' zelfmoord te zullen plegen op het Internet. Een ander plan was zijn hoofd te laten invriezen - met in Californië gepropageerde 'cryonische' technieken - om het later te ontdooien op een nieuw lichaam, 'bij voorkeur op dat van een mooie, jonge zwarte vrouw'. Naarmate het eind in zicht kwam, verzamelden zich vrienden, oude en nieuwe groupies en journalisten in Leary's huis, dat ook te bezoeken was via zijn eigen Web Site.

Het verslag van die laatste maanden is te vinden in Design for Dying, een postuum boek over leven en sterven aan het eind van de twintigste eeuw, verzorgd door Leary en de cyberjournalist R.U. Sirius. Het bevat 'essays' van Leary en persoonlijke herinneringen van zijn vrienden.

Het is een chaotisch, dwaas en bij vlagen hilarisch boek geworden. In het eerste deel behandelt Leary op zijn manier de zin van het leven: opgewekt onsamenhangend, en gelardeerd met flarden humor en pseudo-wetenschappelijk jargon. De kosmos blijkt nog steeds een hippiedroom, 'panspermia', waarin nu echter alles draait om 'informatie'. Het tweede deel, over de dood, geeft een dolzinnig, en tamelijk wanhopig, overzicht van manieren waarop Leary denkt dat onsterfelijkheid mogelijk is. Met moderne technieken, meldt hij enthousiast, kun je je lichaam laten invriezen, of alleen je hoofd, maar ook je brein laten downloaden in een computernetwerk.

'Designer dying' noemt Leary dat, en het moet soelaas bieden tegen de eenzame 'fabrieksdood' in de vervreemde westerse ziekenhuiscultuur. Maar Leary hinkt, zoals gebruikelijk, op vele gedachten. Het boek moest gaan over stijlvolle manieren om van sterven een 'feest' te maken, maar mondt uit in bespiegelingen over onsterfelijkheid. Is het feestje dat 'doodgaan' heet toch niet zo swingend? Bovendien schuilt er een tegenspraak in zijn kritiek op de westerse 'fabrieksdood': enerzijds bepleit hij een herstel van tribale verbanden, waarin doodgaan nog een oeroud collectief ritueel was, maar anderzijds is zijn eigen 'Designer Dying' nu juist individualisme en maakbaarheid ten top.

Maar ach, wat maakt een paradox meer of minder uit, voor een psychedelische handelsreiziger? Effectbejag is immers alles. Nergens krijg je de indruk dat Leary zich ook voorbij de mediamieke parameters van slogans en soundbytes interesseerde voor de metafysische vraagstukken die hij hier aansnijdt als broodjes hamburger. Hij was een entertainer, een showman, die van zijn leven, en dus zelfs van zijn dood, een voorstelling wilde maken - en het belangrijkste was dat het publiek bleef lachen. Ook dit boek laat zien hoe door en door Amerikaans Leary zo bezien was: het peilloze vertrouwen in de vooruitgang, in techniek en de maakbaarheid van het leven, het optimisme over het leven-als-feest.

Tegelijk geeft dit laatste boek onbedoeld de grenzen van die levenshouding aan. Want Leary koos uiteindelijk zelf niet voor 'designer dying'. Hij kreeg genoeg van de 'humorloze' fanatici van CryoCare, het esoterische vriesbedrijf dat hij had ingehuurd om zijn hoofd te bewaren. Ook de zelfmoord op Internet ging niet door. Leary stierf, zoals er overal gestorven wordt: achter gesloten deuren, omringd door intimi.

Sommige van die vrienden schrijven in de lijvige appendix van het boek, het aardigste deel, hoe Leary op het laatst zijn performance niet meer kon volhouden en af en toe uit zijn rol viel. Hij werd depressief, 'kortaf en haatdragend', en merkte tegen een van hen op: 'Weet je wat het allertriests is? Ik heb niet eens een vrouw'. Hij zag af van alle plannen om zich onsterfelijk te laten maken, aldus een ander, want 'hij had er genoeg van'. Dat is misschien de grootste les van dit geëxalteerde Amerikaanse leven: hoe leuk de voorstelling ook is, soms heb je er gewoon genoeg van.