Carl Schmitt, Der begriff des Politischen, 1932

In zijn naoorlogse dagboekaantekeningen (in 1991 gepubliceerd onder de titel Glossarium) verbaast de Duitse rechtsgeleerde en politiek filosoof Carl Schmitt zich over de vele vijanden die hij heeft gemaakt met zijn beroemde en beruchte theorie over het onderscheid tussen vriend en vijand.

'Heb ik misschien een geheim pact geschonden', vraagt hij zich af. Kennelijk mocht het niet worden uitgesproken dat er onder de mensen altijd vijandschap zal bestaan. 'De duivel sprong op, toen er op deze manier aan zijn deur werd geklopt, en leerde de klopper mores.' Aan de andere kant constateert Schmitt, niet zonder tevredenheid, dat weinig de juistheid van zijn theorie méér bevestigt dan het bestaan van al die vijanden.

In Der Begriff des Politischen heeft Schmitt (1888-1985) deze theorie voor het eerst uiteengezet. Het zou zijn meest gelezen geschrift worden. Oorspronkelijk bestond de tekst uit een artikel (dat in 1927 in een tijdschrift verscheen), maar bekender is de - uitgebreide - versie die in 1932 als boek werd gepubliceerd. Minder bekend is de versie uit 1933, waarin Schmitt zijn formuleringen hier en daar blijkt te hebben aangepast aan de nieuwe nationaal-socialistische geest die in Duitsland was opgestoken.

Dat Schmitt in 1933, tot veler verrassing, lid was geworden van de NSDAP, wist men daarentegen wèl. En aan zijn optreden tijdens het nazi-regime, toen hij ook voor antisemitische uitlatingen niet terugdeinsde, heeft hij vermoedelijk het merendeel van de vijanden te danken over wie hij zich in zijn dagboek beklaagt. Tot aan zijn dood op 97-jarige leeftijd bleef hij de omstreden 'Kroonjurist' van het Derde Rijk, samen met Martin Heidegger en Gottfried Benn een van de weinige serieuze intellectuelen in Duitsland die hun hoop op Adolf Hitler hadden gevestigd.

In Der Begriff des Politischen is het zover nog niet. In dit briljant geschreven boek probeert Schmitt de politiek te definiëren als een autonoom domein, onafhankelijk van ethische, religieuze of economische normen en belangen. Het eigene van de politiek schuilt volgens hem in de beslissing wie in geval van oorlog als vriend en wie als vijand moet worden beschouwd. De politiek wordt dus bepaald, ook in vredestijd, door wat Schmitt de 'uitzonderingstoestand' noemde, het moment waarop het voor een natie erop of eronder is. Op dat moment werd ook duidelijk wie de eigenlijke soevereiniteit in handen had, namelijk degene die bereid en in staat was deze vitale beslissing te nemen.

Morele of andere motieven mochten daarbij geen rol spelen. In de oorlog ging het volgens Schmitt om een 'existentieel' gegeven, om de 'reële mogelijkheid van de fysieke doding'. Geen enkele ethische norm, ideaal of programma kon dat rechtvaardigen; alleen wanneer het concrete zelfbehoud van een volk in gevaar kwam, was oorlog gerechtvaardigd, want onontkoombaar. Elke politiek, die deze naam waardig was, diende daar al bij voorbaat rekening mee te houden, wat overigens allerminst betekende dat politiek per definitie oorlogszuchtig zou zijn of zou moeten zijn.

Integendeel, de politieke anticipatie op de mogelijkheid van oorlog hield volgens Schmitt juist een 'relativering' van de vijandschap in en een 'begrenzing' van de oorlog. Doordat de vijand niet in morele zin werd verketterd of als 'onmenselijk' werd afgeschilderd, raakte de strijd niet vertroebeld door oneigenlijke motieven. Dat laatste gebeurde wel wanneer men uit naam van de 'mensheid' oorlog voerde om aan alle oorlog een eind te maken - in Schmitts ogen een absurditeit, die alleen maar tot een verheviging van het geweld kon leiden.

Het voorbeeld was niet voor niets gekozen, want met dit motief hadden de geallieerden tijdens de Eerste Wereldoorlog tegen Duitsland gestreden. Voor het verdrag van Versailles, dat in 1919 de vrede bezegelde, kon Schmitt daarom niet veel waardering opbrengen, evenmin als de overige vertegenwoordigers van de 'Conservatieve Revolutie', de rechtse intellectuele oppositie tegen de Republiek van Weimar, waartoe Schmitt doorgaans wordt gerekend naast schrijvers en filosofen als Oswald Spengler, Arthur Moeller van den Bruck, Hans Freyer en Ernst Jünger.

Schmitt is de jurist in dit gezelschap, al valt bij hem niets te bespeuren van de formele stoffigheid die zijn vak zo vaak aankleeft. Als schrijver is Schmitt een getalenteerd polemist, iemand die de kunst verstaat om wat hij te zeggen heeft in bondige formuleringen op scherp te stellen. In Der Begriff des Politischen is zijn vijand, net als in bijna al zijn overige werk, het liberalisme dat met een beroep op het humanitaire ethos de politiek tracht prijs te geven aan de economie. Vandaar dat Schmitt nog altijd (zoals recentelijk in de PvdA door Arie van der Zwan) kan worden aangeroepen als een bondgenoot in de strijd tegen de overwoekering van de politiek door het marktdenken.

Voor Schmitt stond het liberalisme met zijn ideaal van de neutrale staat niet op zichzelf. Het paste in een tendens tot 'neutralisering' die hij in de hele moderne Europese geschiedenis ontwaarde en die was begonnen als een reactie op de godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw. Om rust en vrede te winnen, zocht men telkens een neutraal terrein op, in de hoop ooit de definitieve vrede te kunnen bereiken. In de twintigste eeuw meende men die neutraliteit in de techniek te hebben gevonden.

Ook het liberalisme probeerde van de politiek iets technisch te maken, een vorm van economische bedrijfsvoering. Maar daardoor werd het specifiek politieke miskend, vond Schmitt. Met alle gevolgen vandien, zoals bleek in de Weimartijd toen het liberale parlementarisme nauwelijks in staat was de crisis en het gevaar van burgeroorlog effectief te bezweren.

Wat in het liberalisme met zijn vertrouwen in de formele legaliteit ontbrak, was het besef dat elke politiek berustte op een soevereine beslissing, een machtswoord dat aan de wet pas daadwerkelijk legitimiteit verleende. Om dit element van pure macht weer in de politiek terug te brengen, was Schmitt zelfs bereid de dictatuur voor lief te nemen. Alleen zo kon de politiek weer echte politiek worden, dat wil zeggen: een intensivering van het leven. In hetzelfde licht dient zijn definitie van de politiek als de beslissing over vriend en vijand te worden gezien - zij doorbrak de illusie van vreedzame neutraliteit, door steeds de mogelijkheid van oorlog onder de aandacht te brengen.

Toch was het Schmitt met zijn 'existentiële' opvatting van de politiek niet alleen om de intensiteit van het leven te doen. In laatste instantie werd hij gedreven door een theologisch motief, zoals Theo de Wit overtuigend heeft aangetoond in zijn mooie proefschrift De onontkoombaarheid van de politiek uit 1992. Als gelovig katholiek zag Schmitt de oorsprong van de vijandschap in de erfzonde. In zijn naoorlogse boek Ex captivitate salus schrijft hij: 'Adam en Eva hadden twee zonen, Kain en Abel. Zo begint de historie van de mensheid'. Beter gezegd, zij begint met de strijd tussen Kain en Abel, die vervolgens de motor van de wereldgeschiedenis was geworden. Aan de vijandschap kwam pas een eind wanneer die wereldgeschiedenis voorbij was, en dat zou niet vóór het Laatste Oordeel zijn.

Uit Der Begriff des Politischen blijkt dit theologische motief niet met zoveel woorden. Maar wèl komt het tot uiting in het essay dat Schmitt in 1916 publiceerde over het visionaire epos Das Nordlicht (1910) van de expressionistische dichter Theodor Däubler. Dit omvangrijke gedicht was volgens hem een 'tegenwicht' tegen het 'mechanistische tijdperk' dat door niemand minder werd geregeerd dan door de 'Antichrist'. Een Antichrist die zich had vermomd als een wereldse godheid en die de mensheid met veiligheid en comfort in slaap trachtte te sussen. Ziedaar de liberale neutraliteit, waartegen Schmitt in 1927 zijn geharnaste definitie van de politiek in stelling bracht.

Misschien had hij niet eens ongelijk, toen hij in zijn Glossarium de duivel aanwees als degene die hem om deze reden mores had geleerd. Want wie de strijd aanbindt met de Antichrist en daarvoor zelfs het nationaal-socialisme omarmt, waagt zich in een 'hels' domein dat hem alleen maar schade kan berokkenen.