Wat kan het hoogontwikkelde Nederland van Bhutan leren?

Op de wereldmilieuconferentie in New York wordt deze week gekeken wat er terecht is gekomen van de plannen voor een 'duurzame ontwikkeling' van de economie. Nieuw element daarin was de wederkerigheid in het contact tussen de Derde Wereld en het rijke Westen. Ontwikkelingshulp moet nu wederzijds zijn. In dit kader bezocht de Bhutaanse journalist Kinley Dorji Nederland.

Terwijl ik stond te kijken hoe een robot toezicht hield over honderd koeien op een boerderij, in feite een hi-tech melkfabriek, in Sint Oedenrode, moest ik denken aan het grote psychologische verschil tussen de samenlevingen aan weerszijden van het economische spectrum. Het economisch succes in Nederland was even evident als het spirituele symbolisme op het boerenland in Bhutan.

De tegenstelling tussen beide landen is het decor waartegen we ons proberen voor te stellen hoe de traditionele ontwikkelingshulp van Noord naar Zuid kan worden omgevormd tot een samenwerkingsproces van 'duurzame ontwikkeling' over en weer. Omdat ik de golf van scepsis besefte waartegen dit idee van 'wederkerigheid' tot het internationale doel van 'duurzame ontwikkeling' moest worden geloodst, reageerde ik aanvankelijk met een gevoel van ironie. Maar heel weinig mensen hebben een visie op dit idee van 'duurzame ontwikkeling'. Sommigen denken dat ze er een hebben, anderen doen alsof, en de rest - de meerderheid - haalt haar schouders op.

Wat is dan dat Duurzaam Ontwikkelingsverdrag (DOV), dat in 1994 werd opgesteld op een zelfbewuste vergadering van ministers uit Nederland, Benin, Bhutan en Costa Rica? Is het oude ontwikkelingshulp in een nieuw jasje? Een product van rivaliteit tussen donorlanden misschien? Mogen we hopen dat het nieuwe beleid op zijn minst een meer milieuvriendelijk soort ontwikkelingshulp met zich mee brengt?

Duurzame ontwikkeling was indertijd het Nederlandse antwoord op de Milieuconferentie van 1992 in Rio de Janeiro. Het begrip kwam voort uit het besef dat de mensheid deze vorm van ontwikkeling beter kon omarmen dan milieubescherming. Het werd gezien als de bilaterale consolidatie van de beloften die landen aan hun medemensen en aan toekomstige generaties moesten doen.

Inmiddels is duurzame ontwikkeling enigszins een dilemma geworden. Het stuit op scepsis, maar niet op kritiek. Het is niet mislukt, maar ook niet geslaagd. Het heeft vorderingen geboekt, zonder dat er tastbare resultaten zijn. De essentie van het concept is dat het anders is dan de traditionele ontwikkelingspatronen; maar uit niets blijkt dat. Het blijkt even problematisch als nobel.

De problemen van duurzame ontwikkeling liggen bij het ontstaan. De spil van het huidige project, de Nederlandse regering, kon het meest essentiële van het akkoord niet zonder meer aanvaarden: de gelijkwaardigheid van de partners. Het verzandde daardoor in uitstel, omdat Nederland ongelukkig was met de mogelijkheid - die overigens op een misverstand berustte - dat kleine ontwikkelingslanden zich met zijn besluitvorming zouden mogen bemoeien.

Nederland kon daarom de traditionele procedures, beleidslijnen en sturingsmechanismen niet loslaten. Nederlanders zijn gewend om de ontvangende partijen te zeggen wat ze doen moeten. Wellicht is dit een koloniale kater - ontwikkelingshulp is immers een nasleep van het kolonialisme. Wellicht ook speelt de nauw verhulde relatie tussen ontwikkelingshulp en politieke doelstellingen een rol, die zo vaak de relatie tussen donor en hulpontvanger kenmerkt. Het obstakel waartegen het Duurzaam Ontwikkelingsverdrag is opgelopen is hetzelfde als wat de kern van de traditionele ontwikkelingshulp-cultuur bepaalt.

Een kleinere partner zoals Bhutan is ook niet bij machte om geheel te voldoen aan de planologische eisen van het Duurzame Ontwikkelingsverdrag. We missen de infrastructuur, de mankracht en de NGO's, die de tegenhangers van de Nederlandse organisaties zouden moeten zijn. En ook wij hebben onze prioriteiten en procedures, die zich verzetten tegen snelle veranderingen.

Duurzame ontwikkeling zal eerst voor een doorbraak in eigen land moeten zorgen. Wat wil het Nederlandse ministerie geven, vooral aan vertrouwen, het vitale onderdeel van elk partnership? In breder verband: zijn de geïndustrialiseerde landen bereid de retorische aspiraties van Rio in daden om te zetten.

In Bhutan is het Duurzaam Ontwikkelingsverdrag een serieus politiek streven. Kort na ondertekening van het akkoord werd het synoniem met de bilaterale relatie met Nederland. Maar het is meer. Zoals ik dikwijls in Nederland heb moeten uitleggen, bestond duurzaamheid in Bhutan al heel lang als manier van leven, voordat er zelfs maar gedacht werd aan ontwikkelingshulp.

Het potentieel van wederkerige programma's vindt bij ons ook van dag tot dag meer erkenning. Terwijl Nederland kampt met genetische problemen in de vorm van de varkenspest en de gekkekoeienziekte heel Europa zorgen baart, is Bhutan op basis van het Duurzaam Ontwikkelingsverdrag samen met een Nederlandse genenbank bezig een plantengenetisch centrum op te zetten. Op dit moment is Bhutan een netto-donor van biodiversiteit aan de wereldgemeenschap.

De gedachte achter het Duurzame Ontwikkelingsverdrag heeft nog een lange weg te gaan naar Bhutan. Uit het oogpunt van duurzaamheid zou de verantwoordelijkheid voor projecten, financiering en de rest moeten worden overgedragen aan Bhutan. Maar die stap, die door de pleitbezorgers van duurzaamheid als een 'vertrouwenssymbool' wordt gezien, is nog niet gezet. Nog steeds komt het leeuwendeel van de gelden via de Nederlandse papierwinkel van de traditionele ontwikkelingshulp-kanalen naar Bhutan.

Die aarzeling is niet weggenomen door het feit dat Bhutan algemeen als een duurzame samenleving wordt beschouwd. Minister Jan Pronk van Ontwikkelingssamenwerking heeft dit als een van de eersten erkend: “Bhutan is een voorbeeld van een duurzame samenleving waar duurzaamheid al een belangrijk politiek motief is, meer dan in veel andere landen. U hebt zelfs besloten potentiële economische voordelen van economische groei te laten schieten vanwege de mogelijke gevolgen voor het milieu. Dat is van groot belang voor toekomstige generaties ...”

De planoloog Karma Ura, die de uitvoering van het Duurzaam Ontwikkelingsverdrag in Bhutan coördineert, vindt dat de Nederlandse partijen “zich te langzaam aanpassen aan de in het verdrag vastgelegde waarden”. Hoe doortastend en innovatief het verdrag ook is, toch hebben hij en zijn collega's zich ongeduldig getoond dat het nog geen erkenning heeft gekregen als een visionair concept.

Duurzame ontwikkeling is een strategie voor diepgaand zelfonderzoek, niet alleen in Nederland maar in de hele context van de ontwikkelingssamenwerking. Contacten met samenlevingen als Bhutan zullen naar verwachting nieuwe stimulansen genereren. Het is dan ook een belangrijk experiment om de ontwikkelingssamenwerking zinvoller te maken, en om het rijkere noordelijke halfrond ervan bewust te maken dat het de psychologische grenzen van de traditionele ontwikkelingshulp te boven moet komen. Duurzame ontwikkeling wordt geacht naar een evenwicht toe te werken, zowel wat de privileges als wat de verantwoordelijkheden betreft. En misschien wel meer dan dat.

Ondanks de verbluffende successen van de geïndustrialiseerde samenleving en alle rijkdom van de democratische rechtsstaat geloof ik dat hoogontwikkelde landen als Nederland iets missen. De materiële welvaart heeft niet de geborgenheid gebracht die we misschien uiteindelijke wensen. Ik wil een klein voorval beschrijven waarin materieel succes menselijke interactie lijkt te hebben verdrongen. Een 72 jaar oude boer in Sint Oedenrode vertelde over de successen van het Nederlandse agrarische bedrijf, dat is uitgegroeid tot een sterk gecomputeriseerde industrie die nu duizenden malen zo veel produceert als in zijn jeugd. De agrarische gemeenschap, zo zei hij, is tegenwoordig rijk. Maar zijn even oude vrouw mist toch de tradities uit minder ontwikkelde tijden. “Als iemand ziek was, bijvoorbeeld, gingen we bij elkaar langs met thee en cake en dan hadden we lange gesprekken”, herinnerde ze zich. “Als er nu iemand ziek is, krijgt hij of zij een pil van een onpersoonlijke verpleegster.”