Toon Tellegen bevrijdt de woorden

Het lijkt soms wel of Toon Tellegen altijd verliefd is, of vaak, of geregeld, want hoe kan hij anders zo schrijven over wat missen is, of verlangen? Of weet hij dat niet en probeert hij dat juist te weten te komen - omdat hij wel weet dat níemand precies weet wat missen is. Dan hoeft hij niet verliefd te zijn, dan hoeft hij alleen maar goed te kunnen schrijven. En dat kan hij: daarom heeft hij nu de Theo Thijssenprijs gekregen, de P.C. Hooftprijs voor kinder- en jeugdliteratuur.

Een zeer terechte bekroning, een bijna vanzelfsprekende bekroning zelfs, want Tellegens literaire geluid wordt door geen enkele andere schrijver voortgebracht en het is hoogst bijzonder. Aan de prijs, die eens in de drie jaar wordt uitgereikt, is een bedrag verbonden van ƒ 75.000 voor de laureaat, en nog eens ƒ 50.000 voor schenking aan een literair doel dat verband houdt met het bekroonde oeuvre.

Meteen bij zijn eerste bundel verhalen over 'de eekhoorn en de andere dieren' (Er ging geen dag voorbij, 1984) was Tellegen helemaal Tellegen. “Op dat moment klonk er een zacht gefluit dat onmiskenbaar het gefluit van de mier was.” Sindsdien zijn er nog acht bundels dierenverhalen verschenen, en daarnaast nog andere kinderboeken, zoals Juffrouw Kachel, over de gemeenste onderwijzers ter wereld die haar leerlingen zo tergde dat zij de afschuwelijkste wraakgedachten ontwikkelden. Of zoals Mijn vader, over een jongetje die een vader heeft waarop hij zo trots is als iemand maar op zijn vader kan zijn, want zijn vader kan alles. Niet zo maar alles. Echt alles.

Behalve voor kinderen schrijft Tellegen ook voor volwassenen - of misschien is dit onzin om te zeggen. Tellegen schrijft gewoon en zijn lezers zijn soms volwassen en soms kinderen. Zijn gedichten worden door volwassenen gelezen en niet door kinderen en dat is wel logisch, want in die gedichten wordt gejongleerd met grote begrippen als 'vrijheid' en 'vrede' en 'wanhoop', begrippen die net een maatje groter zijn dan die waar de dieren mee worstelen. Die vragen zich af of je je reuk ook kunt breken (ja, dat kan, het is de krekel overkomen toen hij eens 'héél hard aan een roos stond te ruiken'), of het woord 'besluiteloosheid' op hen van toepassing zou kunnen zijn of wat argwaan is: “Zou het een soort soep zijn?” Of iemand (de gier om precies te zijn) zegt zomaar ineens: “Ik houd hier toezicht (-) en sta niets toe”.

Toon Tellegen is de grote woordenbevrijder. Woorden kunnen bij hem op eigen houtje aan de gang, ze doen een jas aan en gaan de wereld in. Daardoor gaat het er in de boeken van Tellegen surrealistisch aan toe, de normale wetten gelden er niet en alles wordt nieuw, vreemd, grappig, verbazingwekkend. Misschien maakt die vrije houding tegenover woorden ook wel dat Tellegen altijd verliefd lijkt. Altijd maar in staat om de wereld te zien zoals hij nooit eerder was. Of misschien is hij verliefd op de woorden, dat zou ook wel kunnen. Dat hij ze aait en proeft - en beproeft ook, of ze die liefde wel waard zijn. Hij is vooral gek op 'weggaan' en op 'blijven', 'liefde' en 'missen' . “Op een dag miste de eekhoorn de mier hevig. Hij wist niet waarom, maar hij had dat gevoel tot in het puntje van zijn staart. Mier, dacht hij. Mier, mier, mier. De eekhoorn wist dat zulke gedachten niet helpen, maar hij kon ze niet tegenhouden.”

“Wie zijn verhalen nauwkeurig leest, ontdekt wonderen van taal,” schrijft de jury, die bestond uit Aukje Holtrop (voorzitter), Rudy Kousbroek, Els Pelgrom, Jacq Vogelaar en Gerard de Vriend. En zo is het. Voor die taalwonderen en die woordenbevrijdingsacties is Tellegen al vaak bekroond. Met gouden en zilveren griffels, de Libris Woutertje Pieterse Prijs (twee keer zelfs), de Jan Campertprijs en nu weer de Theo Thijssen-prijs. Bij prijsuitreikingen maakt hij altijd de indruk dat hij het maar een gênante boel vindt. Dat hij liever niet zou komen, dat hij te verlegen is en trouwens ook niet weet wat hij zou moeten zeggen. Hij lijkt dan nogal op de bladluis, die onder een rozenstruik woont en zich altijd schaamt, zonder te weten waarvoor. Als er iemand aardig is en langs wil komen wordt het alleen maar erger: “Op bezoek, bij hem: nog nooit had hij zich zo diep geschaamd.” Hij wimpelt het bezoek af: “Niet komen. Alsjeblieft, alsjeblieft.” Maar de eekhoorn, want die was het, wil hem dan in ieder geval iets geven. De bladluis vindt dat eigenlijk prettig, maar tegelijkertijd wordt hij nu pas echt paars van verlegenheid. Hij begrijpt dat hij dit aanbod niet kan weigeren (“Anders gaat hij natuurlijk voor mijn deur staan roepen: “Schaam je! Schaam je! Net zolang tot ik mijzelf verfrommeld heb.”) Dus hij vraagt 'de geur van honing'. En die krijgt hij. En dan schaamt hij zich weer vreselijk “Maar het was een ander soort schaamte dan zijn gewone dagelijkse schaamte.” Een prettiger soort, dat is wel duidelijk.

Moge de Theo Thijssenprijs voor bladluis Tellegen zijn als de geur van honing. “En met zijn ogen dicht, de geur van honing voorzichtig opsnuivend, dacht hij verbaasd aan zichzelf.”