Oproep op conferentie in Genève: Archieven openen voor opsporen oorlogskunst

GENEVE, 26 JUNI. Zowel de Russische als de Amerikaanse regering moet alle archieven openen die slachtoffers van de Holocaust en nabestaanden daarvan behulpzaam kunnen zijn bij het terugvinden van tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren bezittingen.

Deze oproep deden de leiders van het Simon Wiesenthal Centrum gisteren aan het einde van een driedaagse conferentie in Genève. Naast de kwestie van het 'nazi-goud' - door de nazi's gestolen goud dat zij onderbrachten bij met name Zwitserse banken - was de bijeenkomst vooral bedoeld om ook het vraagstuk van de uit joods bezit verdwenen kunstwerken op de internationale politieke agenda geplaatst te krijgen.

“Als je kijkt naar de waarde van de kunstwerken, dan vormen zij waarschijnlijk een nog groter probleem dan die banktegoeden,” zei rabbijn Abraham Cooper, 'deken' van het Simon Wiesenthal Centrum. Het Wiesenthal Centrum, vernoemd naar de bekende Oostenrijkse nazi-jager, die gisteren ook aanwezig was, is een joodse belangenorganisatie met kantoren in onder andere New York, Parijs en Buenos Aires.

Hoeveel kunstwerken tijdens de oorlog in geheel Europa werden gestolen, staat niet vast. Wel is de laatste jaren een aantal publicaties verschenen over afzonderlijke landen, zoals Le Musée Perdu van de Fransman Hector Feliciano. Hij vertelde in Genève dat tijdens de oorlog ongeveer 100.000 kunstwerken uit Frankrijk zijn verdwenen. Twintig procent daarvan kwam nooit terug. Vooral joodse eigenaren werden het slachtoffer, omdat hun bezittingen door de Duitse bezetters eenvoudig konden worden geconfisqueerd. De werken die bij de nazi's in de smaak vielen, vooral oude Duitse en Nederlandse meesters, werden naar Duitsland vervoerd. “Dat was nooit zo systematisch gebeurd als Hitler en Goering niet zulke kunstliefhebbers waren geweest,” zei Feliciano. Werken van moderne, 'ontaard' verklaarde schilders werden ook geconfisqueerd en geruild tegen die van oude meesters. Met name handelaren in het neutrale Zwitserland waren de Duitsers daarbij behulpzaam. “Vandaar dat het erg toepasselijk is dat we er op deze plaats over spreken,” aldus Feliciano.

Voor veel kunstwerken die na de oorlog terugkwamen uit Duitsland meldde zich nooit een eigenaar of nabestaande. Een groot aantal mindere werken werd daarom vernietigd, de betere kwamen in Franse musea terecht. Uit onderzoek van Feliciano is gebleken dat er in musea in Frankrijk op dit moment nog 2000 kunstwerken hangen waarvan de eigenaar onbekend is. Daaronder bevinden zich werken van bekende schilders als Monet, Manet en Cézanne.

De Franse overheid is er lange tijd van uitgegaan dat eigenaren of nabestaanden zich zelf moesten melden. Maar vorig jaar is een begin gemaakt met het opsporen van rechthebbenden. Er is een commissie ingesteld en een website waarop informatie over de 2000 werken te vinden is.

Kunstwerken die na de oorlog niet terugkeerden uit Duitsland naar Frankrijk duiken soms alsnog op. “Ze worden regelmatig verkocht door de grote veilinghuizen,” aldus Feliciano. Tijdens de conferentie noemde hij een aantal voorbeelden. Zo vond hij in een catalogus van Sotheby's New York een schilderij van André Masson dat afkomstig was uit de collectie van de joodse familie David-Weill. “In de catalogus stond niets over de herkomst,” zei Feliciano. “Het schilderij bleek in 1990 verkocht te zijn aan een museum in Madrid waar het nu nog hangt.”

Van de schilderijen 'met museumkwaliteit' die tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Nederland werden gehaald, keerde ook ongeveer twintig procent niet terug. Is het waarschijnlijk dat deze werken de oorlog overleefd hebben en verhandeld zijn? Feliciano: “Dat denk ik wel. Ze kunnen overal zijn, in Duitsland, maar net zo goed in Amerika. Het probleem is dat veilinghuizen geen onderzoek doen naar de herkomst van de werken die ze verkopen. En voor eigenaren of nabestaanden is het bijna ondoenlijk om na te gaan of hun werk misschien ergens geveild is.”

In de oorlog verdwenen niet alleen kunstwerken, maar ook vele archieven. Volgens Konstantin Akinsha, schrijver van het boek Beautiful Loot en medewerker van het blad Art News, bevinden zich in Moskou kilometers archiefstukken die duidelijkheid zouden kunnen verschaffen over het lot van zowel gestolen goud als kunst. “Het gaat om archieven van Duitse banken en van de Gestapo, die door het Rode Leger uit Duitsland zijn meegenomen. De Gestapo-archieven bevatten onder andere informatie over confiscaties. Waarom ze gesloten zijn, weet ik niet.”

Bijna ieder land in Europa bezit werken die zijn gestolen of waarvan de herkomst onduidelijk is. Akinsha: “In de Hermitage hangen 547 schilderijen zonder eigenaar, in het Pusjkin Museum 480.”

De Nederlandse overheid bezit nog 3585 na de oorlog gerecupereerde kunstwerken. Deze collectie bestaat deels uit kunstwerken die door de toenmalige eigenaren vrijwillig zijn verkocht aan de Duitsers en na de oorlog tot staatsbezit zijn verklaard, en deels uit werken waarvan de eigenaren niet gevonden zijn. Dat zei staatssecretaris Nuis van Cultuur onlangs in antwoord op Kamervragen naar aanleiding van een publicatie in De Volkskrant. Personen die aanspraak op werken denken te maken, mogen nog claims indienen maar de Nederlandse overheid zoekt niet actief naar eigenaren.

Doris Lemmermeier van het Duitse bureau belast met de teruggave ziet een oplossing in een onafhankelijke stichting die bepaalt wat er met de kunstwerken moet gebeuren en waarin experts een grotere rol bij de onderhandelingen krijgen toebedeeld.