Op school; Voor een betere wereld

In hun ijver van Nederland een leefbare samenleving te maken, laten schrijvers van schoolboeken grote gaten vallen in de geschiedenis.

'WAT WAS DE Industriële Revolutie”, vraagt onderwijzer Marcel Koch aan zijn leerlingen. In groep 7 van de Sint Jozef-basisschool in Wateringen schiet een tiental vingers de lucht in. “Mééster, mééster.” Marlies (11) krijgt de beurt. Zuigend aan een pakje melk zegt ze: “Het was donker, er was veel lawaai en dat kwam door de machines.”

In regelmatige lagere-schoolletters schrijft Koch op het bord: “Op 20 september 1839 rijdt de eerste Nederlandse trein van Amsterdam naar Haarlem (de Arend).” Vervolgens leest hij een verhaal voor over de reacties van de bevolking op de eerste treinen. Boeren gooiden met stenen naar de locomotief omdat ze vreesden dat hun koeien door het lawaai en de stank geen melk meer zouden geven. “Wat veranderde er door de komst van de trein”, vraagt Koch dan. Bart steekt zijn vinger omhoog. “De bomen konden doodgaan van de luchtvervuiling.”

Dat laatste antwoord zou een lagere-schoolleerling twintig jaar geleden vast niet hebben gegeven. Maar ja, toen was er ook geen leermethode die specifiek aandacht besteedde aan wat de lesboeken van Bij de Tijd (Malmberg 1987-90) omschrijven als de 'ecologisch-economische invalshoek'. Op de hedendaagse lagere school gaat het bij vaderlandse geschiedenis niet meer in eerste instantie om jaartallen en Grote Mannen - de politiek-militaire geschiedenis die in Nederland decennia lang onderwezen is - maar om economische processen en mentaliteitsgeschiedenis. In wat voor huizen leefde men in de prehistorie, wat at men in een kasteel, hoe was het om in de negentiende eeuw op school te zitten?

Directeur A. van Zeijl van de Sint Jozef-basisschool vindt die keuze voor 'narratieve' geschiedenis een goede zaak. “Het dagelijks leven spreekt kinderen aan. Kinderen kunnen zich bij sfeerverhalen over het verleden meer voorstellen dan bij al die jaartallen van de Tachtigjarige Oorlog. Overigens hebben we het idee van vaderlandse geschiedenis op de basisschool grotendeels verlaten. Het gaat ons meer om algemene processen, zoals de overgang van de nomadische naar de agrarische samenleving, dan om geschiedenis die de vorming van een nationaal bewustzijn moet stimuleren.”

Niet iedereen staat te juichen over de huidige lesmethodes voor geschiedenis. In het maartnummer van het Historisch Nieuwsblad hekelde historica Mieke van Baarsel de politieke correctheid van de geschiedenisboeken waaruit haar zoontjes op de lagere en middelbare school les krijgen. Zowel Bij de Tijd als Spoorzoeken in de tijd (Wolters-Noordhoff 1985-90), een andere veel gebruikte methode voor de basisschool, hebben de onbedwingbare neiging om episodes uit het Europese verleden te koppelen aan achterstandsituaties in de Derde Wereld. Naast een zwartwitfoto van een negentiende-eeuwse plaggenhut duikt steevast een kleurenfoto op van een Latijns-Amerikaanse familie in een laat twintigste-eeuwse krottenwijk. 'Armoede bestaat nog steeds hoor!', staat er dan prekerig onder. 'Kijk maar.'

Zulke vergelijkingen maken de auteurs heel bewust. In het inleidende boek van Bij de Tijd schrijven ze te willen uitleggen 'hoe je het verleden van ons land nog elders in de wereld kunt ontmoeten'. Dat zo'n benadering de deur wagenwijd openzet voor allerlei misleidende anachronismen deert de auteurs niet. Er blijkt een hoger doel in het geding. Onder het kopje 'Wat willen we bereiken met Bij de tijd?' komt de aap uit de mouw: de auteurs willen kinderen helpen om 'van Nederland een leefbare multiculturele samenleving te maken'.

Pijnlijker nog dan het moralisme vond Van Baarsel de grote gaten die een serie als Bij de Tijd laat vallen bij de behandeling van de geschiedenis. Van de schilderkunst uit de Gouden Eeuw schiet het lesboek ineens door naar 1840, zonder dat stadhouders en patriotten ook maar genoemd worden.

Van Zeijl, die tevens lid is van de commissie voor het basisonderwijs van de Nederlandse vereniging van geschiedenisleraren (VGN), is het eens met Van Baarsels aanmerkingen op de politieke correctheid van de lesmethoden. “Die plaatjes van bedelaars uit Bangladesh vind ik maar niks. Dat laat alleen maar zien hoe ver ze achterliggen bij ons. Bovendien is het a-historisch om die op één lijn te zetten met onze Middeleeuwen.” Maar over de hiaten in feitenkennis haalt hij zijn schouders op. “Er is zoveel geschiedenis, je moet altijd kiezen. Als je niet meer kiest voor Karel de Grote, kun je kiezen voor de economisch-culturele structuren. Ik vind dat als kinderen van school gaan, ze moeten zeggen: ik vond geschiedenis een leuk vak. Zodat ze thuis ook nog wel eens uit eigen beweging een boekje pakken. Dat vind ik belangrijker dan dat ze weten wanneer Willem van Oranje is vermoord.”

Ook Loek Janssen, leraar geschiedenis op de Nijmeegse scholengemeenschap Groenewoud, ziet het als een van zijn belangrijkste taken zijn leerlingen enthousiast te houden voor de geschiedenis. Naast de ingang van zijn lokaal hangen prikborden waarop hij wekelijks nieuwe krantenknipsels hangt over historische onderwerpen. Ditmaal zijn dat artikelen over de geschiedenis van de Rijksvoorlichtingsdienst en een nieuwe biografie van Filips II.

Maar niet alle leerlingen van 3 VWO kunnen die namen thuisbrengen. “Filips de Tweede?” Sander (15) moet grinniken. “Die ken ik niet. Is dat zoiets als Sony de Derde?” Hij heeft wel de Gouden Eeuw gehad, maar dat vond hij niet de meest interessante periode. “Ik denk dat de Gouden Eeuw minder invloed heeft op het heden dan bijvoorbeeld - hij wijst op de video van Mississippi Burning die de klas aan het bekijken is - de slavernij op de rassenscheiding van vandaag. Kennis van het verre verleden is goed voor je algemene ontwikkeling, maar meer ook niet. Je moet het een beetje in zijn tijd kunnen plaatsen. Jaartallen hoeven we helemaal niet te kennen.”

Waar Sander wel veel over weet is James Martin. “De tragedie van James Martin”, zegt hij plechtig. “Dat was een oorlogsvlieger die hier bij Nijmegen is neergestort tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij het Bevrijdingsmuseum heb ik een boekje gevonden waarin veel over hem stond.” Uiteindelijk resulteerde zijn onderzoek naar de verongelukte vlieger in een werkstukje waarmee hij de basisvorming (eerste drie jaar van de middelbare school) geschiedenis afsloot.

Sander en zijn klasgenoten zeggen geschiedenis een leuk vak te vinden. Alleen, ze 'kunnen er niets mee' voor hun vervolgopleiding. Voor Loek Janssen is dat nu juist de reden waarom hij voor de eerste klassen van de middelbare school speciale opdrachten over de geschiedenis rondom Nijmegen probeert te verzinnen. “Door de afkalving van het aantal uren dat het middelbaar onderwijs nog reserveert voor geschiedenis, en door de maatschappelijke druk op de leerlingen om exacte vakken te kiezen, ga ik steeds meer marktgericht denken. Je gaat met thema's werken die aanslaan bij de leerlingen. Dat betekent in de vaderlandse geschiedenis dat je steeds meer gaat doen met de eigen omgeving. Eerst vier, vijf algemene lessen over de Romeinen, en daarna probeer je aan te sluiten bij de lokale situatie. Dat kan hier goed omdat Nijmegen voor de Romeinen een belangrijke plaats was. Maar we doen bijvoorbeeld veel minder aan de Tachtigjarige Oorlog omdat daarvan hier in de buurt nauwelijks overblijfselen zijn. Als ik in Leiden lesgaf, zou ik veel meer over de Tachtigjarige Oorlog doen, daar is veel meer gebeurd.”

Janssen loopt op een metalen kast af en haalt een aantal werkstukken tevoorschijn die de leerlingen maakten rondom het thema 'Nijmegen in de Tweede Wereldoorlog': een kijkdoos waarin het leven in een schuilkelder verbeeld is, een bandje vol vraaggesprekken met mensen die het bombardement op Nijmegen meemaakten. “Prachtig toch”, glundert Janssen.

Hij vindt niet dat het vak geschiedenis op de middelbare school aan een terugtrekkende beweging bezig is. “Eerder een troepenverplaatsing. Vroeger waren namen, feiten en jaartallen het houvast voor de leerlingen. Maar dat kennisdeel is stevig onder druk komen te staan, en dus is er nu wat wij wel 'omgevingsonderwijs' noemen.” Toch wordt het ook hem wel eens zwaar te moede. “Op steeds meer scholen moeten leerlingen al aan het eind van de tweede klas kiezen of ze doorgaan met geschiedenis. Op de MAVO moet ik dan de hele geschiedenis in twee jaar behandelen. Ik krijg dan klachten van ouders dat ik in de tweede klas niets doe aan de Koude Oorlog en andere moderne ontwikkelingen. Maar waar moet ik de tijd vandaan halen om dat te doen?”

Welke jaartallen vóór 1900 denkt Janssen dat zijn leerlingen nog kennen? Hij peinst even. “1492 kennen ze.” Het is even stil. “1568 en 1648 herkennen ze. En ze kennen waarschijnlijk het jaar 0 als het moment waarop de Romeinen Nederland binnenkwamen.” En de rest? “Verder kennen ze geen jaartallen.” De Slag bij Nieuwpoort? “Ook niet. Die wordt al jaren niet meer behandeld.”