Onmisbaar zelfbewustzijn

Omhelsd in de 19de eeuw, verguisd in de jaren zestig van de 20ste eeuw, vormend in de multi-culturele samenleving en identiteit verschaffend in Europa. Heden, verleden en toekomst van de vaderlandse geschiedenis.

IN HET AMSTERDAMS Historisch Museum hangt een schilderij waarop de weesjongen J.C.J. van Speyk is afgebeeld, staande voor de graftombe van admiraal Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Bij de zeeheld De Ruyter moet hij, zo suggereert de maker, zijn inspiratie hebben opgedaan voor wat in 1831 zijn ultieme heldendaad zou worden: het opblazen van zijn oorlogsschip in de haven van Antwerpen om uit de handen van de Belgen te blijven.

Het schilderij bevindt zich in een museale kamer van het vroegere Burgerweeshuis. Ook dat is van betekenis. De regenten wilden dit schoolvoorbeeld van hun beroemdste wees levendig houden. Onderricht in de vaderlandse geschiedenis werd immers niet uitsluitend gegeven om een historische nieuwsgierigheid te wekken. Het was, door zijn catalogus van voorbeelden, een bijdrage tot de vaderlandsliefde.

De vaderlandsliefde als deugd is een product van de Verlichting. De geschiedschrijver van de Nederlandse Opstand, Johan Wagenaar, noemde in 1749 zijn geschriften een 'vaderlandse historie'. Als schoolvak en als wetenschap ontstond de vaderlandsche geschiedenis - dus niet: de Nederlandse geschiedenis - in de negentiende eeuw. Het vak had een normatieve betekenis, in de eeuw van de doelbewuste natievorming, waarin de loyaliteit van de burger in de eerste plaats het nieuwe vaderland moest gelden en niet de vorstelijke dynastie.

Het was een zelfbewuste liberale elite die in de onderwijswet van 1857 het vak verplicht stelde op de lagere school: 'tot opwekking van vaderlandsliefde als bestanddeel der nationale opvoeding'. De oude schoolplaten, die voor velen de herinnering bij uitstek zijn geworden aan de vaderlandse geschiedenis, komen hieruit voort. Op school bloeide een verhalende geschiedenis, door begaafde onderwijzers in historische romans opgeschreven.

De kern van de historische canon was de Nederlandse Opstand, waaruit de Oranje-dynastie en het vaderland ontstonden. Het was daarbij opmerkelijk dat Oranje en vaderland aan elkaar werden vastgeklonken, ook door die liberalen, die zich toch erfgenaam konden noemen van een staatse of republikeinse traditie.

In 1860 hield Robert Fruin in Leiden zijn oratie als hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis. De leeropdracht werd verzelfstandigd, na eerst te zijn gecombineerd met Nederlandse taal- en letterkunde. Een dergelijke ontwikkeling was aan alle Nederlandse universiteiten waarneembaar.

De liberaal Fruin introduceerde de empirische kritiek en de conciliante (verzoenende) geschiedschrijving. De wetenschap moest zich onttrekken aan nationalistische retoriek. Alleen op gezag van archiefonderzoek en onpartijdig getrokken conclusies wilde Fruin die reformatorische en katholieke historici tegemoettreden die zich in de negentiende eeuw aandienden met een eigen visie op de vaderlandse geschiedenis. Nederland kende over dat thema een levendige Historikerstreit.

Het begrip 'vaderland' bleef tot en met de Tweede Wereldoorlog zijn normatieve vanzelfsprekendheid behouden. 'Den vaderland getrouwe', staat er op het oorlogsmonument op de Grebbeberg. Op Nederlandse oorlogsgraven vinden we, als ultiem motief voor dood en herdenking, zelden een verwijzing naar Nederland en vaker naar het vaderland. In Frankrijk treft men op de soldatenkerkhoven doorgaans het mort pour la France.

De conjuncturele neergang van het 'vaderland' is een verschijnsel van de culturele omwenteling in de jaren zestig. Begrippen als heldhaftigheid en krijgshaftigheid, die juist door de Tweede Wereldoorlog weer gangbaar waren geworden, werden twintig jaar later tot last in een golf van kritische herwaardering van het nationale verleden. De kritiek betrof niet alleen de naoorlogse terugblik op een veronderstelde collectieve weerstand van het Nederlandse volk tegen de nationaal-socialistische bezetter. Ze gold ook het Nederlandse kolonialisme. Beelden van vaderlandse helden als J.P. Coen en J.B. van Heutsz, symbolen uit Nederlands-Indië ('daar werd wat grootsch verricht'), moesten het ontgelden.

Het vaderland raakte uit in de jaren zestig. De samenleving werd in bevonden. De geschiedenis verloor het tijdelijk van de sociale wetenschappen. Aan de universiteiten werd de vaderlandse geschiedenis omgedoopt tot Nederlandse geschiedenis, behalve in Leiden.

Het komt ook tot uitdrukking in het schrappen van de term 'vaderland' uit de ceremonie van de academische promotie. De nieuwe doctor pleegt er door haar of zijn promotor aan het einde van de plechtigheid aan te worden herinnerd dat de zo juist verworven waardigheid ook verplichtingen oplegt jegens 'de wetenschap en de gemeenschap'. (Dat laatste wordt op sommige universiteiten ook wel aangeduid als 'samenleving'.) Vroeger stond daar: het vaderland, maar dat is na de studentenrevolte van '69 in onbruik geraakt.

Er deed zich in die jaren een andere reden voor om het begrip 'vaderland' af te wijzen als richtsnoer van burgerlijke deugd. Het spraakgebruik werd gezuiverd. Men diende zich bewust te zijn van geslachtskenmerken in de taal en hun maatschappelijke consequenties. 'Vaderland' werd een incorrect woord bevonden - een nationale deugd die verwijst naar het mannelijk ideaal van het vaderschap. 'Moederland' was geen alternatief. Afgezien van de al even onwenselijke verwijzing naar het moederschap verwijst deze term voornamelijk naar een koloniale mogendheid in haar relatie tot de koloniën. En 'thuisland', een woord zonder geslachtskenmerk, had als nadeel dat het verwijst naar de Zuid-Afrikaanse apartheidspolitiek.

De begrippen 'moederland' en 'thuisland' zijn intussen ook in gebruik geraakt als aanduiding van de landen van herkomst van immigranten in Nederland. Vooral in het laatste kwart van deze eeuw hebben deze immigraties de notie van een multiculturele samenleving met zich meegebracht. Dat moet ook gevolgen hebben voor begrippen als 'vaderland' en zeker 'vaderlandse geschiedenis'.

Voor een groeiend aantal Nederlanders is de geschiedenis van de Nederlandse Opstand niet meer een geschiedenis die men zich uit natuurlijke interesse of vaderlandse deugd eigen zou moeten maken. Het is eerder een geschiedenis die in het kader van burgerschapsvorming wordt voorgeschreven als toegangsbiljet tot de nieuwe samenleving.

Kan de vaderlandse geschiedenis om zulke binnenlandse redenen al niet meer een vanzelfsprekende canon van ontwikkelingen en gebeurtenissen zijn, zij is het ook om externe redenen niet meer. Het hedendaagse Europa kondigt zich aan in het nationaal-historisch besef - althans, zou dat moeten doen. Het moderne Europa brengt twee ontwikkelingen voort die in dit verband relevant zijn: economische integratie, die de betekenis van de natie-staat reduceert, en herwaardering van de eigen cultuur, die de natie-staat (het 'natie-gewest') juist weer sterker in beeld brengt. Soms neemt deze herwaardering de vorm aan van een hernieuwd nationalisme, soms hult zij zich in een vreedzamer gedaante: hernieuwde interesse voor de nationale lieux de mémoire, plaatsen van vaderlandse herinnering.

Uit beide ontwikkelingen, de binnenlandse en de Europese, valt een argument af te leiden voor de vaderlandse geschiedenis - en niet zozeer in haar vroegere, negentiende-eeuwse betekenis. Immigratie moet worden opgevat als een verrijking van de bestaande samenleving, die in zelfbewustzijn haar waarden koestert - waarden die gedeeltelijk aan haar geschiedenis zijn ontleend. Het voorbeeld van het immigratieland bij uitstek, de Verenigde Staten, leert hoe de Amerikaanse geschiedenis kan worden aangewend om de normen en de cohesie van een samenleving te behouden.

De europeanisering van het economische verkeer is al evenmin een argument voor een reductie van vaderlandse geschiedenis. Het is alleen een stimulans om deze geschiedenis te behandelen in een Europese context. Excessen van nationalistische retoriek moeten ons de ogen niet doen sluiten voor een werkelijke behoefte aan een eigen culturele oorsprong en context in de Europese ruimte.

Ooit werd vaderlandse geschiedenis geïntroduceerd door een zelfbewuste burgerlijke elite. Dit zelfbewustzijn - dat wil zeggen: het geloof in de waarde van de nationale cultuur - is nodig om de vaderlandse geschiedenis in enigerlei vorm te behouden, in de maatschappij en in de Tweede Kamer.