Informatie en genot

Hoe saai zijn de historici? Dat was de vraag. Voor het antwoord heb ik de proef op de som genomen, op twee willekeurige momenten.

Afgelopen zondagavond bekeek ik twee documentaires op de televisie. De eerste heette De wil is alles en ging over leven en werk van schilderes Charley Toorop. Die duurde 65 minuten. De tweede, rond middernacht, was de eerste aflevering van een door Teleac/NOT aangekochte BBC-serie De fascinerende Middeleeuwen. Die duurde 50 minuten. Wat je er ook op kunt aanmerken (te weinig kritisch, te oppervlakkig), het was mooie televisie, die beelden van al die Toorop-koppen en de glas-in-loodramen van de gothische kathedralen. Leerzaam genieten.

De volgende ochtend ging ik naar een congres. Thema: 'Sociale waarden en de verantwoordelijkheden van de historicus'. De eerste twee sprekers spraken slecht en onsamenhangend, zonder dwingende pointe. Als ze in een studio hadden gestaan, waren ze ruim voor de 60-minutengrens afgekapt door reclame.

In een boekwinkel op het Amsterdamse Spui hangt boven de kassa een foto met het bijschrift: 'Wij doen niet in boeken, wij doen in info en genot'. Dat bleek te komen uit het Boekblad van 9 juni over de mega-mega-ontwikkeling in de boekhandelbranche, waarvan de Bijenkorf, Scheltema & Holkema en Donner hier de trendsetters zijn. In Duitsland is men al verder, zoals in het boekenwarenhuis City Gondrom in Kaiserslautern, dat ontelbare multimediale producten verkoopt. De slogan: 'Een intelligente verknoping van entertainment en verkoop, gericht op het welbevinden van goedverdienende tijdgenoten'.

Geschiedenis als informatie en genot. Wat is er eigenlijk mis mee? Geschiedenis is als een schuiftrompet. In sommige tijden is het verleden onbelangrijk en ver weg, in andere tijden zeer urgent en dichtbij. Het hangt van de omstandigheden af wat je wilt weten van dat verleden. Anno 1997 is er niet veel urgents aan dat verleden. Dus waarom dat verleden dan niet prettig gepresenteerd?

Dreigt de 'ouderwetse' manier van geschiedschrijving te verdwijnen ten gunste van het populariserende tv-programma? Nee. Er worden meer geschiedenisboeken geschreven dan ooit.

Bestaat de geschiedschrijving uit veel te veel woorden, en veel te weinig beelden, geluiden en geuren? Ja. Met name Nederlandse historici leven nog in de tijd van Fruin. Flink archiefonderzoek doen, een pover leesbare dissertatie schrijven, en dan is men weer werkloos. De historici die het anders deden of doen - Lou de Jong, Gerard Soeteman, Hans Keller bijvoorbeeld - werkten bij RIOD of omroep. Voor de universitaire historici is er nauwelijks tijd of geld om de uitermate tijdrovende audiovisuele geschiedschrijving te plegen. En amateurs die wel de tijd hebben, hebben geld noch expertise.

Zo blijft de verbeelding van het vaderlandse verleden een zeer eenzijdig schriftelijke aangelegenheid. Gisteren is in Hilversum het Nederlands Audio-Visueel Archief (NAA) door staatssecretaris Nuis geopend. 'Het meest volledige beeld- en geluidsarchief in Nederland is klaar voor de start', stond er op de uitnodiging. Start voor wie? Niet voor historici of andere wetenschappers die zich met fotografie, radio, film of televisie bezighouden in elk geval. 'Geen prioriteit', heet dat. Zo moet het eerste historische proefschrift over persfotografie in Nederland nog worden gepubliceerd, terwijl de foto toch al ruim anderhalve eeuw geleden is uitgevonden.

En het kan zo mooi zijn: geschiedschrijving in beeld en geluid met bijbehorende tekst (en voor de wetenschappelijke verantwoording 'split-screen' de annotatie).

Dat hebben Britse en Amerikaanse mega-series wel aangetoond. Basil Davidsons achtdelige BBC-serie Africa, a great Continent, Peter Pagnamenta's 26-delige BBC-serie People's Century, of de recente Amerikaanse, achtdelige serie van Robert Hughes American Visions over Amerikaanse kunst. Tientallen, zo niet honderden miljoenen mensen hebben er naar gekeken. Om over de tv-serie Holocaust uit 1978 nog maar te zwijgen.

Die laatste serie bewees wat de meerwaarde van audiovisuele geschiedschrijving kan zijn. Televisie dramatiseert en personifieert, pakt de kijker bij zijn lurven, maakt hem deelgenoot. Tv-series als deze hebben waarschijnlijk meer 'impact' op het gebied van zingeving en identiteitsvorming dan honderd bibliotheken bij elkaar.

Visuele verbeelding vereist alleen veel meer tijd, geld, vaardigheden en zweet. Zeker als de programmamaker meer pretenties heeft dan het beoefenen van 'toegepaste geschiedschrijving' en, zoals Hughes, een geheel nieuwe kijk op het onderwerp wil presenteren.

Wij, gewone historici, moeten beseffen dat in deze tijden van luxe ook geschiedenis vermaak is geworden in plaats van stichting. Dat alles op het mediaformaat van televisie moet worden gesneden, in de hoop dat de kijker na het zien ervan een boek, een cd-rom of wat ook aan extra-informatie wil aanschaffen. Geschiedenis schrijven wordt dus nóg meer werk. Eerst het monnikenwerk van het onderzoek, dan de artistieke vertaling ervan in allerlei moderne multimediale vormen.

Wie de verbeelding van het verleden serieus neemt, kan niet om de oprichting van een onderzoeksschool op dit terrein heen. Want multimedia vereisen multidiscipline. En dat hebben nog maar weinig Nederlandse historici in huis.