In Liefde Bloeyende

Jan Bapista Wellekens (1658-1726)

Kunstliefde

Doorluchte zielen, die verlieft op Lauwerblâren

Om hoge wetenschap en edle kunsten zweet

Staak, staak uw mymring: zie, de stormwint is gereet

Die 't al versmoren zal in Lethes duistre baren.

De wrede tydt zal u noch uw gezang niet sparen.

Hoe loflyk ieder geest en brein en hant besteet

Wat kunde d'een bezit of d'ander zich vermeet

't Verslijt al slapende met ons, wy met de jaren.

O dwaze, graaut Apol, bedwing uw lastertong:

Minerf blyft altoos Maagt; myn wezen eeuwig jong.

Geen tydt noch ongeval kan onzen Zangberg plagen.

De Muzen waren nooit voor ondergang bevreest.

De deugt veroudert niet, verrotting deert geen geest.

Zy blinken eindeloos, gelyk myn Zonnewagen.

Vondel, Hooft, Cats leerde je op school. Ze stonden in elk geval in het leerboek. Poot, Bellamy, Bilderdijk. Nooit eens Wellekens. Toen ik - allang van school af - de naam Wellekens voor het eerst tegenkwam had ik geen idee dat het om een Nederlands dichter ging. Op Poot na de belangrijkste dichter uit onze achttiende eeuw. In zijn tijd was hij bekend genoeg. Ergens tijdens de rit van onze literatuurgeschiedenis moeten ze hem uit de postkoets hebben geduwd. Hij kwam er nooit meer in. Er werden later genoeg boeken en artikelen over hem geschreven, maar een plaats in enig rijtje - al breid je Poot, Bellamy en Bilderdijk nog een dik kwartier uit - heeft hij er niet mee veroverd. Geen schijn van kans. Toch zal geen dichter uit de achttiende eeuw door zijn gevoel voor muziek en maat het hart van mededichters zó doen opspringen. Hij is beeldend, hij is authentiek - niets behoedt iemand blijkbaar voor een onverdiende vergetelheid. Over vergetelheid gaat ook dit gedicht. De kunstenaars worden opgeroepen om hun dromen over roem en voortbestaan maar op te geven. Al hun inspanningen om in de wetenschap en de kunst iets hoogs en nobels te bereiken en daar eer mee in te leggen zijn vergeefs, want

zie, de stormwint is gereet

en die gereedstaande stormwind zal hun zweetdruppels, nog voor de lauweren zijn geoogst, genadeloos in de doodsrivier - de golven van de vergetelheid - verzuipen. Het is niet alleen een vermaning aan dichters. De oproep geldt de kunstenaars in het algemeen: daar horen ook de beoefenaars van de wetenschap bij. In de zesde regel breidt de dichter dit uit tot alle mensen die met 'geest en brein en hant' werkzaam zijn. Tot iedereen die een kunde of een kunst beheerst. Dat de dichter Wellekens zo expliciet ruimhartig is zal te maken hebben met het feit dat hij zelf schilder was en als jongeman werd opgeleid tot goudsmid. Voor hem is Kunstliefde niet iets wat zich tot poëzie beperkt (wat dichters nogal eens denken) en vooral niet iets om smalend over te doen. Hij spreekt over 'hoog' en 'edel'. Over 'doorluchte zielen' die aan een 'loflyk' werk bezig zijn. Zelfs het 'zich vermeten' uit regel zeven lijkt minder met kapsones te maken te hebben dan met een streven naar het (te) hoge. Al helemaal zouden we er verkeerd aan doen door - denkend aan dichtgenootschappen en sociëteiten - de titel ironisch op te vatten. Wellekens heeft, ondanks zijn sombere voorspelling, duidelijk een hoge dunk van de kunst.

Daarom heeft het gedicht niet alleen de 'doorluchte zielen' die in de kunst roem en eer zoeken op het oog, maar ook al degenen die het streven van de kunst, het kunstambacht en de wetenschap bij voorbaat belachelijk willen maken. Al de dorren en tevredenen van geest die de kunstenaar kleineren, al de gewichtige heersers en kleine potentaatjes die eeuw na eeuw stelselmatig in de weer zijn geweest de kunst te marginaliseren, krijgen van Wellekens niet de kans triomfantelijk te glimlachen wanneer hij zegt dat alle voortbrengselen van geest, brein en hand maar een kort leven is beschoren. Want Wellekens zegt er bij dat de kunst edel is en dat het wreed is dat ze met de tijd verslijt.

Tot zover is Kunstliefde een klacht over de kortstondigheid van het artistieke streven en de vergeefsheid van elk meesterwerk. Dan, in de laatste zes regels van het gedicht, doet Wellekens een grandioze zet. Apollo, de god van de kunsten zelf, komt snauwend tussenbeide. O dwaze, grauwt hij. (Er zouden voor de duidelijkheid aanhalingstekens hebben moeten staan). Bedwing uw lastertong, snauwt hij.

Wat er in de eerste twee kwatrijnen stond was dus, hoe doortrokken van kunstliefde ook, eigenlijk nog laster. Meteen vragen we ons af: wie valt Apollo hier in de rede? Wie was er in het octaaf aan het woord? Wie sprak daar de doorluchte zielen toe? We moeten aannemen dat het de dichter zelf was die zich in zijn eigen gedicht door Apollo beschaamd de les laat lezen - niet omdat hij niet van de kunst zou houden, maar omdat hij er niet genoeg van hield.

Zo kan Wellekens het gedicht besluiten met een trotse, soevereine liefdesverklaring aan de kunst. De machteloze apologie is in het sextet een zelfbewuste verheerlijking geworden. De kunst is juist de overwinning op de dood. Kunstwerken kunnen - net als lichamen - rotten, verslijten of worden vergeten, maar Minerva blijft altijd maagd: de kunst blijft onaangetast. Of ook hier weer: kunst, wetenschap en handwerk blijven altijd maagd, want van alle drie is Minerva de godin. Op de Parnassus (de Zangberg van de Muzen) begint alles steeds ongeschonden van voren af aan -

De Muzen waren nooit voor ondergang bevreest.

De deugt veroudert niet, verrotting deert geen geest.

Zy blinken eindeloos, gelyk myn Zonnewagen.

Het is een prachtig verwoorde apotheose. Streven naar het wezenlijke en streven naar het hoogste (zo moeten we 'deugt' in dit verband lezen) verouderen nooit, kunst is per definitie jong. Iedere zelfverloochening of zelfkleinering van de kunstenaar is dwaasheid. Apollo's zonnewagen zal de stervelingen eeuwig verbluffen. Wat deert het of de producten vergaan als de energie en de straling blijven?

Apollo, de zonnegod en de god van de laurierboom, is ook de god van de poëzie. De poëzie is de aanvoerder van de Muzen. Een gedicht als dit bewijst het.