'Honderd Van Goghs zijn omstreden'

AMSTERDAM, 26 JUNI. Ongeveer honderd schilderijen en tekeningen van Vincent van Gogh (1853-1890), in particulier of museaal bezit, zijn omstreden of vervalst.

Tentoonstelling: Tekeningen - Nuenen 1883-1885. Tot 12/10 in Van Gogh Museum, Amsterdam. Geopend: dag. 10-17 uur

In deze controversiële categorie vallen beroemde doeken als L' Arlésienne, uit het Metropolitan Museum of Art, New York, De Zonnebloemen, in Japans privé-bezit, en twee stillevens van het Van Gogh Museum in Amsterdam. Dit meldt de Britse journalist Martin Bailey in het Franse tijdschrift Vernissage. Hij inventariseerde publicaties over Van Goghs oeuvre en baseerde zich vooral op de bevindingen van een vijftal buitenlandse deskundigen, die elk de echtheid van uiteenlopende schilderijen in twijfel trekken. Twee van hen, de in Nederland woonachtige Fransman Benoît Landais en de Italiaan Antonio de Robertis, voeren een kruistocht tegen de gevestigde, kunsthistorische opvattingen rondom Van Goghs werken, aldus Bailey.

De Nederlandse Van Gogh-kenner Jan Hulsker zet in zijn onlangs verschenen oeuvre-catalogus 'The New Complete Van Gogh' eveneens tientallen vraagtekens bij eerder gepubliceerde dateringen en toeschrijvingen, waaronder enkele stillevens en vroege bladen uit het Van Gogh Museum.

Bailey's buitenlandse experts komen tot hun opmerkelijke conclusies na bestudering van de herkomstgeschiedenis, zoals die van Jardin à Auvers, dat uit een verdachte verzameling zou komen; van de stijl, zoals Van Goghs zelfportret uit 1886 (Haags Gemeentemuseum), waarbij de oorschelp afwijkend zou zijn weergegeven; van de topografische precisie, zoals bij het doek Péniches à charbon uit de collectie Thyssen-Bornemisza, waarop een riviertje niet dezelfde loop vertoont als op een gelijkend doek in het Van Gogh Museum; of van de toegepaste materialen, zoals zwaarder, dus verdacht papier.

“Inderdaad”, zegt Sjraar van Heugten, conservator van het Van Gogh Museum in Amsterdam, “ook wij hebben het doek Stilleven met bord, glazen en wijnfles (1886) allang afgeschreven. Te gedetailleerd, niet levendig genoeg. En een röntgenfoto van een voor Van Gogh zeer a-typisch portret, dat zich onder de huidige verflaag bevindt, bevestigt dat vermoeden.

“Een studieblad uit onze collectie kan eveneens niet van Van Gogh zijn. Dat bleek al uit het vorig jaar verschenen, eerste deel van de tekeningencatalogus. Het is te lomp en onhandig. Vergeleken met andere schetsen die Van Gogh op zeer jonge leeftijd maakte, is het ook te zorgvuldig voor een kind.

“Maar over de authenticiteit van zowel die L'Arlésienne, De Zonnebloemen als ook het in Frankrijk nog steeds omstreden schilderij Jardin à Auvers bestaat in dit museum geen enkele twijfel. Er blijven natuurlijk hiaten in de dateringen aan te wijzen, maar die doeken zijn allemaal echt van Vincent van Gogh. Denkt u dat iemand anders ze zo had kunnen maken?”

Vanwaar dan deze naar sensatie riekende berichtgeving? “Het gaat niet om sensatie”, zegt Van Heugten; “De Duitse kunsthistoricus Roland Dorn en de Zwitserse kunsthandelaar Walter Feilchenfeldt zijn puur geïnteresseerd in Van Gogh, ze uiten hun twijfels, die veelal geënt zijn op de helaas gebrekkige informatie over de herkomst van sommige werken. Ze schrijven daarover een artikel en een journalist als Bailey telt die twijfels op in weer een ander artikel. Daarin staat niets nieuws.”

Over andere experts als Benoît Landais en de “Van Gogh liefhebber” Antonio de Robertis doet Van Heugten geen uitspraken. Landais beweert onder meer dat de arts en amateur-schilder Paul Gachet, bevriend met Van Gogh in Auvers, de maker zou zijn van enkele late werken, die tot de hoogtepunten van het oeuvre worden gerekend.

Feit blijft dat met name de late Franse schilderijen (1888-1890) van Van Gogh al in het begin van deze eeuw bij verzamelaars en dus ook bij vervalsers populair waren. In de jaren twintig werd Vincent tot de 'dure' kunstenaars gerekend. Vervalsers konden te rade gaan in de in 1914 verschenen correspondentie met zijn broer Theo, die zeven maanden na Vincent was overleden. Daarin vertelt de schilder vrij nauwkeurig met welke thema's hij bezig is, hoe het resultaat oogt en hoeveel versies hij van sommige onderwerpen maakt.

Aangezien Van Gogh gangbare pigmenten gebruikte en relatief weinig meedeelde over de precieze herkomst van zijn materialen, geeft technisch onderzoek van de verflaag nauwelijks houvast. Vervalsers hadden in materieel opzicht vrij spel. Dat zij vooral de Parijse periode (1886-1888) hebben uitgebuit, komt doordat de schilder bij Theo woonde en dus geen brieven hoefde te schrijven. Die periode kon schilderkunstig worden 'ingevuld'. Daarom wordt de authenticiteit van enkele 'Vazen met bloemen', die volgens Hulsker uit diezelfde tijd dateren, door het duo Dorn/Feilchenfeldt betwijfeld. 'Te sensueel', zeggen ze, vergeleken met soortgelijke doeken in het Haags Gemeentemuseum.

Andere obstakels in het echtheidsonderzoek vormen de werken van tijdgenoten. Ze kwamen door ruil of schenking al tijdens Vincents leven in diens bezit en later in dat van het familie. Werken, die aanvankelijk rücksichtslos voor Van Goghs werden versleten. Dat een aantal echte Van Goghs uit het zicht raakte, ligt aan Vincents generositeit. Hij gaf vrienden en familie kleinere kopieën van zijn schilderijen cadeau en wisselde bijvoorbeeld zelfportretten uit zijn collega's als Emile Bernard, Charles Laval en Paul Gauguin.

Inmiddels beschikt het Van Gogh Museum over een uitgebreid, maar ontoegankelijk archief van honderden vervalsingen, waaronder “kinderspel en kalenderplaatjes”, vertelt Van Heugten. Want vele tientallen malen per jaar wordt het museum geraadpleegd voor een 'Van Gogh-ontdekking'.

Tot tien jaar geleden is er in het Van Gogh Museum, dat in 1973 werd geopend, nauwelijks wetenschappelijk onderzoek verricht naar de eigen collectie. Pas bij het aantreden van directeur Ronald de Leeuw in 1986, nu algemeen directeur van het Rijksmuseum, kwam een soort 'Vincent van Gogh Research Project' op gang. Het moet resulteren in een 'catalogue raisonné' van de 206 schilderijen en de 500 tekeningen van het museum.

Een belangrijke bron vormt nog steeds de allereerste Van Gogh-catalogus uit 1928 met zeshonderd werken, verzorgd door de Nederlandse jurist Baart de la Faille. En onontbeerlijk blijven de circa 700 brieven van Van Gogh, waarover zich nu, met het oog op een nieuwe, wetenschappelijke editie, drie museummedewerkers buigen.

Samen met het Museum Kröller Muller in Otterlo bezit het Van Gogh Museum ruim een derde van het complete oeuvre van 2.125 werken. Eind juli verschijnt het tweede deel van de vierdelige tekeningen-catalogus, waarin uiteindelijk alle bladen van het Van Gogh Museum zullen zijn opgenomen. De bladen uit deze 'tweede' periode, Nuenen 1883-1885, worden nu in hetzelfde museum tentoongesteld. Terwijl Van Heugten bij de 'eerste' periode een achttal jeugdwerken afwees, zag hij nu geen enkele reden om de authenticiteit van een Nuenense tekening te verwerpen.

Stap voor stap zal het Van Gogh Museum de komende jaren zo zijn eigen bevindingen publiceren. Voor zover mogelijk zal elk blad aan een stilistisch en technisch onderzoek worden onderworpen. Van elk doek worden met het oog op afwijkend linnen de draden van schering en inslag geteld. Röntgenonderzoek zal ophelderen wat zich onder elke verfhuid verbergt. En het microscopisch onderzoek moet de levendige structuur en de spontaniteit van de typische Van Gogh-penseelstreken prijsgeven.

“Maar het eigen oog speelt altijd de hoofdrol”, zegt Van Heugten. “En door dat kijken heb ik steeds meer bewondering gekregen voor de consistente manier waarop Van Gogh zich de teken- en schilderkunst meester maakte. Ik heb hem zien groeien van een amateur naar een van de grootsten van de eeuw. En dat deed hij zeer gedisciplineerd, zeer geduldig, zeer grondig en zeer eigenzinnig.”