Het jolijt der feiten

“Tot het vaste repertoire van iedereen die het eindexamen achter de rug heeft, hoort de verzuchting dat het onderwijs minder wordt, dat de feitenkennis achteruit holt en dat het vak verwatert.” Aldus Ben Knapen, historicus en oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad, in zijn bespreking van het eindexamen van dit jaar, in zijn oude krant.

Men zou na zo'n zin de neiging hebben maar geen kritiek meer te uiten op het geschiedenisonderwijs. Daar is echter ook nog J.L. Heldring. In zijn column Dezer Dagen (20 mei 1997) citeert hij de Frankfurter Allgemeine Zeitung: “Geen ander land, behalve België en Nederland, vertoont zo'n gebrek aan belangstelling voor het onderwijsvak geschiedenis [als Duitsland].” En óók in NRC Handelsblad (3 mei 1997) stelt André Beening dat critici als de hoogleraren H.L. Wesseling en A.Th. van Deursen er prat op gaan dat zij vroeger feiten en jaartallen leerden. Ten slotte, wie herinnert zich niet het gehuil dat in het gehele land opging, toen door het Historisch Nieuwsblad aan 66 Tweede-Kamerleden vragen over vaderlandse geschiedenis werden voorgelegd. De kritiek op de geringe historische kennis van de Kamerleden - van de vijftien vragen werden er gemiddeld ruim zes goed beantwoord - klonk alom.

Kortom, wie kritiek levert op het gebrek aan kennis van de vaderlandse historie verkeert in groot, zo niet goed gezelschap.

Veelzeggend was het commentaar van het ondervraagde Kamerlid Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD). Hoewel ze geschiedenis “ontzettend belangrijk” vond, wilde ze alleen worden ondervraagd over “historische ontwikkelingen die je nodig hebt om dingen te begrijpen”. Twee zaken vallen op. De parlementariër wil dingen begrijpen. Dingen uit het heden, mag men aannemen. Een veelgehoord argument: kennis van geschiedenis dient om het heden te begrijpen. Geheel onzinnig is zo'n opmerking niet. Om te weten hoe de Nederlandse staat is ontstaan is het - zacht gezegd - nuttig iets te weten van de Opstand/Tachtigjarige Oorlog. Alleen, daar is feitenkennis voor nodig!

Bij vragen als wanneer, waar en door wie Willem van Oranje werd vermoord gaat het om kennisfeiten die evenwel niets bijdragen aan het begrip van een historische ontwikkeling. Waarom het dan tóch nuttig is zulke feiten te kennen? Men kan ze ook opzoeken. Op Internet misschien zelfs wel. Ook dit opzoekargument hoort men steeds meer. Het is niet valide. Los van het feit dat men niet altijd boek of computer bij de hand heeft, men hoort feiten niet op te zoeken, men hoort ze te kennen. Kennis, in dit geval van het feit dat de Vader des Vaderlands in 1584 in Delft door Balthasar Gérards werd vermoord, geeft een gevoel van welbevinden. Zo men wil: een gevoel van geluk. Men kan erover praten met diegenen - toegegeven, het zijn er steeds minder - die ook wel eens van Balthasar Gérards hebben gehoord en die zich misschien ook herinneren dat hij geld voor de moord zou krijgen van Filips II en dat het bloedgeld nu naar Gérards familie in de Franche Comté ging. Over het uit elkaar trekken van het lijk van de moordenaar door vier paarden, de volgende dag, hebben we 't dan maar even niet. Wél over het feit, ditmaal een 'toekomstig feit' dat menselijkerwijs gesproken Juliana en Beatrix en Willem-Alexander ook zullen worden bijgezet in diezelfde Nieuwe Kerk in Delft. Met ontwikkelingen heeft dit allemaal niets te maken. Net zo min als de wetenschap dat Willibrord de eerste bisschop van Utrecht was. Oók een vraag aan de Kamerleden. De huidige aartsbisschop, de heer Simonis, zou dit ongetwijfeld ook geworden zijn, als de eerste Utrechtse bisschop Bonifatius of Adelbert geheten had. Causale verklaringen in de geschiedenis zijn vrij zeldzaam. Toeval is troef. Waarom moeten mevrouw Van Heemskerck Pillis-Duvekot en haar 65 medevolksvertegenwoordigers dan weten dat Willibrord en niet Bonifatius of Adelbert of kardinaal Alfrink - het antwoord van de heer Ybema (D66) - de eerste bisschop van Utrecht was? Omdat op het Janskerkhof in Utrecht een standbeeld staat van een paard met een man erop. Die man is Willibrord. Niet Johan Derk van der Capellen tot den Pol. Diens standbeeld is kort na zijn dood opgeblazen. Niet J.B. van Heutsz. Die heeft een monument in Amsterdam.

Ja, ook Troelstra, ondanks het feit dat hij revolutie wilde, hebben we een monument gegeven. In het deftige 's-Gravenhage nog wel.

U begrijpt: de genoemden waren niet toevallig. Het waren antwoorden op even zo vele vragen, aan onze volksvertegenwoordigers gesteld. Vragen waarop ieder redelijk opgeleide, dus vaderlandse geschiedenis gehad hebbende Nederlander het antwoord zou dienen te weten. Niet om 'verbanden te leggen' - een eveneens vaak gehoord cliché, niet om 'ontwikkelingen te begrijpen', maar gewoon omdat het leuk is om dingen te herkennen en te vatten: in de literatuur, in toneelstukken, in standbeelden, in straatnamen, in films, in het Journaal-van-acht-uur, in de eigen stad of het eigen dorp, in het land waar men toevallig (niks nationalisme dus!) geboren is, in Europa en in deze hele wereld.

'Leuk' moge velen te triviaal klinken. 'Gelukgevend' dan maar. Geluk dat voortvloeit uit het adagium 'Scientia potestas est' (Kennis is macht). Maar evenzeer intrinsiek geluk. Is dat niet wat wij allen willen beërven?