Handboeken; Bloemlezen boven de gaapgrens

Wie in kort bestek een overzicht wil krijgen van de vaderlandse geschiedenis moet de hoofdstukken bijeensprokkelen uit diverse werken. Een handzaam overzicht bestaat niet.

NEDERLAND BESTAAT NIET in pocketformaat. Dat wil zeggen: het vaderlands verleden is niet beschikbaar in handzame omvang. Dat lot delen we waarschijnlijk alleen met Congo Brazzaville en Turkmenistan. Er is een Prisma Geschiedenis van Duitsland, een Prisma Geschiedenis van Frankrijk, een Prisma Geschiedenis van Groot-Brittannië, er bestaan handige kleine boekjes met De geschiedenis van Suriname, met De geschiedenis van Latijns Amerika, en met L'Histoire de Belgique. Zo bestaat ieder zichzelf respecterend land in pocketformaat, behalve Nederland (en Congo Brazzaville en Turkmenistan).

Toch zijn er meer vaderlandse geschiedschrijvers dan ooit en schrijven zij meer vaderlandse geschiedenis dan ooit. Maar dat doen zij vooral in de vorm van verzamelbundels, detailstudies, dikke dissertaties en talloos veel congresbijdragen, symposiumpapers en workshopnotities. Ons verleden is een papieren mangrovewoud waarin de vruchten der kennis verborgen zijn achter de woekerende lianen der academische overproductie.

Goed, er kwam in 1994 een kleine 'PochPocket' Vaderlandse geschiedenis die handelde 'over Nederlands helden en hun koude kikkerlandje' maar dat werkje van Mark van Hattem verzeilde snel in de ramsj - hoewel er tussen de flauwiteiten heel wat leerzaams in te lezen was. Goed, er was in 1993 Geschiedenis van Nederland, een vertaling van een interessant werk dat de Duitse historicus Horst Lademacher tien jaar eerder schreef, maar ook dit boek is niet meer verkrijgbaar. Goed, er is nu een goedkope herdruk van Levend verleden. De Nederlandse samenleving van de prehistorie tot in onze tijd, het overzichtswerk van H.P.H. Jansen uit 1983, maar in een zodanig minuscuul lettertype dat men na de onvergetelijke eerste zin ('Mensen maken werktuigen') al snel de moed opgeeft.

Wie in kort bestek iets van de vaderlandse geschiedenis wil weten, is aangewezen op zelfwerkzaamheid. Alleen een eigen bloemlezing leidt tot inzicht in het verband tussen de samenwerking der middeleeuwse waterschappen en de huidige consensuspolitiek, tussen de dogmatische tolerantie tijdens de Republiek en het moderne drugsbeleid, tussen Coornhert en Roel van Duyn, en tussen de machtsverkaveling in de Verenigde Provinciën en alle adviesraden, inspraakorganen, commissies en quasi-autonome trendvolgers van onze tijd.

Waar moet men beginnen? Mij dunkt in ieder geval niet bij Delta. Nederlands Verleden in Vogelvlucht, een recente driedelige serie 'bedoeld voor onderwijs aan universiteit en hogeschool'. Hoewel gerenommeerde historici als D. de Boer, S. Groenveld, G.J. Schutte en J.Th.M. Bank aan dit project hebben meegewerkt, leest het als schuurpapier. Zinnen als 'Allerlei factoren werkten op deze ontwikkeling in: endogene factoren die wèl, en exogene factoren die niet tot het economisch proces behoorden', doen de lust in vaderlandse geschiedenis onmiddellijk wegebben.

Voor wie in bibliotheken wil spitten naar de klassieken kan als startpunt beter terecht bij het verouderde maar dankzij de vele anekdotes nog goed leesbare Geschiedenis van het Nederlandse volk (1892) van P.J. Blok, of bij Jan en Annie Romeins mooie nationalistische oprisping De Lage Landen bij de Zee. Een geschiedenis van het Nederlandse volk (1934), destijds in de megalomane oplage van 40.000 exemplaren op de markt gebracht en eindeloos herdrukt. Degenen met echte leeshonger kunnen dan meteen beginnen aan de Algemene Geschiedenis der Nederlanden, die tweemaal tot stand kwam: de eerste maal tussen 1949 en 1958 (lees hierin alleen de hoofdstukken over politieke geschiedenis!), de tweede maal in de jaren tachtig (lees hierin alleen de hoofdstukken over sociaal-economische geschiedenis!). Een misschien moeilijk te vinden maar nuttige bundel is eveneens het ooit op universiteiten gebruikte Vaderlands verleden in veelvoud uit 1975, waarin opstellen van toonaangevende Nederlandse historici (van J. Huizinga tot I. Schöffer) werden verzameld.

Wie in de boekwinkel op zoek gaat naar wat thans te koop is, treft daar als een solide vertrekpunt - maar alleen voor de nieuwere tijd - een goedkope herdruk van E.H. Kossmanns De Lage Landen uit 1976. Dit werk verscheen als The Low Countries ook in het Engels, en werd samengevat in de onderschatte driedelige Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden uit 1977. Destijds was het werk van Kossmann origineel, en nu nog blijkt het zeer goed geschreven, hoewel men op den duur ietwat moe wordt van het feit dat elke Nederlander de maat wordt genomen van Kossmanns eigen koel-ironische intellectualisme.

De kwalificaties 'origineel' en 'persoonlijk' gelden helaas minder voor de bundel Geschiedenis van de Nederlanden die J.C.H. Blom en E. Lamberts onlangs samenstelden. Het betreft hier een weinig opwindende synthese die alleen de geharde lezer zonder glazige oogopslag tot zich kan nemen. Ook De Lage Landen, een geschiedenis in de spiegel van Europa, een werk uit 1994 van de Belgische cultuurhistoricus Raoul Bauer is weinig aanbevelenswaardig. De ronkende toon wordt niet goedgemaakt door de geringe omvang.

Wie eerlijk is, moet toegeven dat de vaderlandse geschiedenis in feite gaat over twee perioden: de Opstand tegen de Spaanse overheersing (1555-1609), gevolgd door de Gouden Eeuw (dat was de 17de) en de Tweede Wereldoorlog (voor Nederland: 1940-1945).

Een beknopt overzicht van de strijd tegen Spanje biedt A. van der Lems De Opstand in de Nederlanden uit 1995, een boekje dat een betere redactie had verdiend. Een omvangrijker overzicht van de Tachtigjarige Oorlog is De kogel door de kerk? De Opstand in de Nederlanden en de rol van de Unie van Utrecht 1559-1609 uit 1979, dat alleen nog antiquarisch te krijgen is. Hoewel de fine fleur van historisch Nederland meewerkte aan deze solide bundel, rijst het werk zelden boven de gaapgrens uit.

Wel verkrijgbaar is het zeer korte Willem van Oranje. Een bibliografisch portret uit 1995 van A.Th. van Deursen. Ook zal hier en daar nog J.J. Wolters Tussen vrijheidsstrijd en burgeroorlog uit 1994 te koop zijn, een bundel waarin het belang van de religieuze pluriformiteit en van de middengroepen ten tijde van de Opstand (wat te) nadrukkelijk naar voren wordt gebracht.

Recentelijk is het interessante Het kopergeld van de gouden eeuw uit 1980 van A.Th. van Deursen herdrukt onder de titel Mensen van klein vermogen. Helaas is deze goedkope editie alleen met behulp van een elektronenmicroscoop te raadplegen. Het kost dus heel wat inspanning Van Deursens strijdbaar calvinistische, maar ook enigszins beperkt nationalistische gezichtspunten tot zich te nemen.

Doch niemand kan om het feit heen dat de kernperiode van de Nederlandse geschiedenis is gekoloniseerd door Britse en Amerikaanse historici. Al enige tijd is Geoffrey Parkers onmisbare The Dutch Revolt uit 1977 verkrijgbaar als Penguin-paperback (het werd in 1978 vertaald als Van Beeldenstorm tot Bestand). Men leze trouwens ook zijn Spain and the Netherlands 1559-1659 uit 1974, waaruit blijkt dat de Opstand weinig meer was dan een vliegenpoepje in het oog van de Spaanse staat.

Wie genoeg trek heeft om in één keer een gigantische hap vaderlands verleden tot zich te nemen, kan zijn tanden zetten in het monumentale werk uit 1995 van Jonathan Israel The Dutch Republic, its rise, greatness and fall 1477-1806, dat ook in tweedelige vertaling als De Republiek te koop is. Nog leverbaar zijn eveneens het kortere overzicht Culture and Society in the Dutch Republic during the Seventeenth Century van J.L. Price uit 1974 (men vermijde de gebrekkige Nederlandse vertaling!), en Herbert H. Rowens nuttige The Princes of Orange, the stadholders in the Dutch Republic uit 1988.

Dan is er ook nog Simon Schama's omstreden bestseller The Embarrassment of Riches, waarvan de vertaling Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur van de gouden eeuw in goedkope heruitgave verscheen. Onder Nederlandse (kunst)historici is onbehagen gerezen door de overvloed aan uitglijders, maar als sweeping statement is Schama's werk bijna onovertroffen.

Bijna, want eigenlijk zou iedere Nederlander die iets van de Gouden Eeuw wil proeven zich eerst dienen te verdiepen in Johan Huizinga's essay Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw. Een schets uit 1941.

Over Nederland in de Tweede Wereldoorlog kan iedereen terecht bij het magnum opus van L. de Jong, maar wie de gebaande paden wil mijden, leze beter de kleine maar verhelderende bundel van J.C.H. Blom Crisis, bezetting en herstel (1989). Hierin zijn stukken verzameld die het goed-kwaadperspectief op de oorlog doorbraken en de hoop wekten dat Blom zijn genuanceerde visie zou uitwerken in een groot hoofdwerk.

Een pregnant boek over de oorlogsjaren in Nederland werd trouwens ook geschreven door de Duitser G. Hirschfeld, wiens Bezetting en collaboratie uit 1984 in 1991 werd vertaald.

Voor de naoorlogse geschiedenis van het vaderland is H.J.A. Hoflands Tegels lichten nog altijd onmisbaar, een boek dat dateert uit 1972 maar onlangs wederom werd herdrukt. Veel academischer maar ook aanbevelenswaardig is Nieuw Babylon in aanbouw; Nederland in de jaren zestig uit 1995 van de jonge Amerikaanse historicus James Kennedy, die zijn demasqué brengt met gevoel voor subtiliteit.

Uiteindelijk kan dit gescharrel in bibliotheek en boekwinkel evenwel niet verhullen dat er geen gezaghebbend en beknopt overzicht van de Nederlandse historie bestaat. Geschiedenis, schreef Johan Huizinga, is de geestelijke vorm waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden. De conclusie is duidelijk: onze rekenschap reikt niet ver genoeg om het vaderland geestelijk vorm te geven in pocketformaat.